Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEABES:2019:64

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
05-09-2019
Datum publicatie
27-05-2020
Zaaknummer
400.00009/19
Rechtsgebieden
Penitentiair strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Poging doodslag, vuurwapenbezit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 400.00009/19

Uitspraak: 5 september 2019 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1990 op [geboorteplaats],

wonende op [woonplaats, [adres],

thans gedetineerd in het huis van bewaring op Bonaire.

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2019, 26 juli 2019 en 16 augustus 2019. De verdachte is telkens verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. E.J. Winkel, advocaat op Bonaire.

De officier van justitie, mr. A.A.E. Martis, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging en ter zake van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd:

Feit 1

dat hij, op of omstreeks 16 december 2018, op het eiland Bonaire, tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [mede-inzittende Toyota Corolla] en/of [bestuurder Toyota Corolla] opzettelijk van het leven te beroven, een of meerdere malen op het voertuig waarin voornoemde [mede-inzittende Toyota Corolla] en [bestuurder Toyota Cor] zich bevonden gericht met een vuurwapen heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit2

dat hij, op of omstreeks 16 december 2018, op het eiland Bonaire, tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen, voorhanden heeft gehad een

(hand)vuurwapen of een ander soortgelijk voor bedreiging of afdreiging geschikt

voorwerp en/of één of meer scherpe patro(o)nen, zijnde een vuurwapen en/of munitie in de zin van de Vuurwapenwet BES.

Voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewezenverklaring

Het Gerecht acht - op grond van de hierna aan dit vonnis toe te voegen aanvulling bevattende de bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande:

Feit 1

dat hij, op of omstreeks 16 december 2018, op het eiland Bonaire, tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om [mede-inzittende Toyota Corolla] en/of [bestuurder Toyota Corolla] opzettelijk van het leven te beroven, een of meerdere malen op het voertuig waarin voornoemde [mede-inzittende Toyota Corolla] en [bestuurder Toyota Corolla] zich bevonden gericht met een vuurwapen heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Feit2

dat hij, op of omstreeks 16 december 2018, op het eiland Bonaire, tezamen en in

vereniging met een of meer anderen, althans alleen, voorhanden heeft gehad een

(hand)vuurwapen of een ander soortgelijk voor bedreiging of afdreiging geschikt

voorwerp en/of één of meerdere scherpe patro(o)nen, zijnde een vuurwapen en/of munitie in de zin van de Vuurwapenwet BES.

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 300 juncto artikel 48 van het Wetboek van Strafrecht BES. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Poging tot doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 3 juncto artikel 11 van de Vuurwapenwet BES. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Overtreding van een verbod, gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenwet BES, meermalen gepleegd.

Verweren ten aanzien van de strafbaarheid

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde feit zal worden ontslagen van alle rechtsvolging, omdat hij uit zelfverdediging zou hebben gehandeld. Aan dit verweer is ten grondslag gelegd dat er sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van de verdachte en de andere inzittenden van de Toyota Vitz, hierin bestaande dat [bestuurder Toyota Corolla] gedurende de achtervolging vanuit de Toyota Corolla een aantal gerichte schoten op de Toyota Vitz loste en dat hij, de verdachte, op dat moment ter eigen bescherming geen andere keus had dan terug te schieten teneinde [bestuurder Toyota Corolla] af te schrikken dan wel op afstand te houden. Tijdens de achtervolging konden de verdachte en de andere inzittenden geen andere kant op, aldus de raadsman.

Bij de beoordeling van het beroep op noodweer gaat het Gerecht uit van de volgende feiten en omstandigheden zoals daarvan blijkt uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting.

Op 16 december 2019 vond er op de openbare weg op hoge snelheid een achtervolging plaats tussen twee voertuigen. [Bestuurder Toyota Corolla] trad op als bestuurder van de Toyota Corolla en naast hem zat [mede-inzittende Toyota Corolla]. [bestuurder Toyota Vitz]] trad op als bestuurder van de Toyota Vitz en naast hem [mede-inzittende Toyota Vitz]. De verdachte bevond zich op de achterbank van de Toyota Vitz. Tijdens de achtervolging werden over en weer schoten gelost, met als gevolg een inslagschot in de voorruit van de Toyota Corolla en een inslagschot in de zijspiegel van de Toyota Vitz. Het Gerecht acht het uit de omstandigheid dat [bestuurder Toyota Corolla] naar aanleiding van een probleem twee dagen eerder tussen een neef van hem en de verdachte, het initiatief nam de achtervolging in te zetten aannemelijk geworden dat [bestuurder Toyota Corolla] degene is geweest die de confrontatie had opgezocht en vervolgens als eerste een gerichte schot had gelost. Als tegenreactie daarop werd ook door de verdachte een schot gelost.

Van noodweer is sprake indien het begane feit was geboden voor de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Daaronder is onder omstandigheden mede begrepen een onmiddellijk dreigend gevaar voor zo een aanranding.

[bestuurder Toyota Corolla] zocht de confrontatie op met de verdachte en loste tijdens een achtervolging op hoge snelheid een gerichte schot op de Toyota Vitz/de inzittenden van de Toyota Vitz. Het Gerecht leidt hieruit af dat er op dat moment sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van in ieder geval verdachte door [bestuurder Toyota Corolla].

De vraag waarvoor het Gerecht zich vervolgens gesteld ziet is of het schieten op de Toyota Corolla/de inzittenden van de Toyota Corolla door de verdachte geboden was door de noodzakelijke verdediging tegen die aanranding. In het vereiste dat de gedraging is “geboden door de noodzakelijke verdediging” worden zowel de zogenoemde subsidiariteits- als de proportionaliteitseis tot uitdrukking gebracht.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden in onderling verband bezien, acht het Gerecht aannemelijk dat sprake was van een noodweersituatie, in die zin dat sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waartegen de verdachte zich mocht verdedigen.
Naar het oordeel van het Gerecht kon de verdachte, gelet op de ontstane bedreigende situatie toen [bestuurder Toyota Corolla] gedurende de achtervolging op hoge snelheid op hen/de Toyota Vitz schoot, niet van de verdachte worden gevergd zich aan de aanranding door [bestuurder Toyota Corolla] te onttrekken. Dit was voor de verdachte op dat moment geen reëel alternatief, zeker niet nu de achtervolging op dat moment op hoge snelheid plaatsvond, terwijl er meerdere gerichte schoten op de Toyota Vitz werden gelost en hij op dat moment niet de macht over het stuur had.

Naar het oordeel van het Gerecht stonden de door de verdachte geloste schoten niet in onredelijke verhouding tot de ernst van de aanranding. Door [bestuurder Toyota Corolla] werden schoten op de (inzittenden van de) Toyota Vitz gelost en als tegenreactie werden er door de verdachte ook schoten op de (inzittenden van de) Toyota Corolla gelost.

Gelet op het vorenstaande was het schieten door de verdachte geboden ter noodzakelijke verdediging van zijn of eens anders lijf tegen de wederrechtelijke aanranding daarvan door [bestuurder Toyota Corolla]. Aldus slaagt het beroep op noodweer. Derhalve zal de verdachte van de ten laste gelegde poging tot doodslag worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde en strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 2 bewezen verklaarde uitsluiten. Ter zake van het onder 2 tenlastegelegde zijn er ook geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van een geladen vuurwapen op straat. Vuurwapens worden meer en meer gebruikt bij het plegen van strafbare feiten en vormen een aanzienlijke bedreiging voor een veilige samenleving. Daarom moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens.

Het Gerecht rekent de verdachte zijn handelen zwaar aan.

Naar het oordeel van het Gerecht kan dan ook gelet op de ernst van het bewezenverklaarde feit niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Bij de oplegging van de straf houdt het Gerecht rekening met de straf die voor soortgelijke feiten wordt opgelegd. Het Gerecht houdt voorts rekening met het feit dat de verdachte reeds eerder is veroordeelde vanwege vuurwapenbezit en hij ten tijde van het plegen van dit feit in zijn proeftijd liep. Dit heeft hem er kennelijk niet van weerhouden om weer de fout in te gaan. Recidivisten worden door het Gerecht in de regel gevangenisstraffen van eenentwintig tot vierentwintig maanden opgelegd voor vuurwapenbezit op straat.

Alles afwegende acht het Hof een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op artikel 59 van het Wetboek van Strafrecht BES, zoals deze luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het onder 1 bewezen verklaarde niet strafbaar;

ontslaat de verdachte ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde van alle rechtsvervolging;

verklaart het onder 2 bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vierentwintig (24) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. M.J. de Kort, bijgestaan door mr. M.D.M. Connor, (zittingsgriffier), en op 5 september 2019 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao met een directe beeld- en geluidsverbinding met het Gerechtsgebouw op Bonaire.

uitspraakgriffier: