Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEABES:2019:55

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
29-03-2019
Datum publicatie
13-02-2020
Zaaknummer
BON201800539 en BON201900121
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie afgewezen – behoefte betwist – aanwenden pensioen en bijdrage voor de vrouw gedurende de procedure

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

Burgerlijke zaken over 2019

registratienummers: BON201800539 en BON201900121 (verzoek ex art. 1:85 lid 4 BW BES)

datum uitspraak: 29 maart 2019

BESCHIKKING

in de zaak van

[de man],

wonende te Bonaire,

verzoeker in de echtscheidingsprocedure,

verweerder in de procedure ex art. 1:85 lid 4 BW BES,

hierna: de man,

gemachtigde: mr E.J. Winkel,

tegen

[de vrouw],

wonende te Bonaire,

verweerster in de echtscheidingsprocedure,

verzoekster in de procedure ex art. 1:85 lid 4 BW BES,

hierna: de vrouw,

gemachtigde: mr E. Bokkes.

De procedure

1. Voor het eerdere verloop van de procedures wordt verwezen naar hetgeen daarover is overwogen in de beschikking van 21 februari 2019. In die beschikking is bepaald dat uiterlijk 8 maart 2010 zou worden overgelegd:

  • -

    door de man: een lastenoverzicht, waar mogelijk onderbouwd met stukken,

  • -

    door de vrouw: alle polissen en onderliggende correspondentie met betrekking tot haar pensioen bij “401K”,

en dat de partijen zich uiterlijk 15 maart 2019 over de overgelegde producties kunnen uitlaten.

2. Op 8 maart 2019 is overgelegd namens de man zijn lastenoverzicht, met producties, en namens de vrouw:

- een kwartaaloverzicht van [naam rekening 1] inzake haar “retirement savings portfolio”,

- een afschrift van [naam rekening 2] inzake haar “retirement [naam rekening 14],

- een kwartaaloverzicht van [naam rekening 3] inzake haar beleggingsportefeuille,

- bankafschriften als bewijs van inkomsten van de man over februari t/m juli 2018.

3. De man heeft per mail van 15 maart 2019 gereageerd op de stukken van de vrouw.

4. Op 15 maart 2019 is ingekomen een brief van de vrouw d.d. 14 maart 2019 met producties. Haar gemachtigde heeft het gerecht op 15 maart 2019 gemaild van zijn cliënte begrepen te hebben dat zij zelf een reactie ter griffie heeft ingediend.

5. Namens de man is op 18 maart 2019 bezwaar gemaakt tegen een groot deel van het door de vrouw ingediende stuk.

6. De uitspraak is bepaald op heden.

De verdere beoordeling

7. Door de man is terecht bezwaar gemaakt tegen de inhoud van het door de vrouw op 15 maart 2019 ingediende stuk. Dat stuk bevat namelijk niet, zoals was afgesproken en bepaald, een reactie op het kostenoverzicht van de man, maar alleen maar andere punten, die deels al eerder naar voren hadden kunnen worden gebracht - en dus, indien relevant, al eerder naar voren hadden moeten worden gebracht – en deels een reactie op de stellingen van de man tot en met de mondelinge behandeling. Het gerecht acht dit in strijd met een behoorlijke procesorde. Het stuk wordt daarom buiten beschouwing gelaten.

Het gerecht constateert dat de gemachtigde van de vrouw niet alleen haar niet ervoor heeft behoed het stuk in te dienen, maar ook er niet voor heeft zorg gedragen dat er een reactie is gegeven op de door de man ingediende stukken dan wel dat er een toelichting is gegeven waarom die reactie niet is gegeven.1

8. Ter beoordeling ligt voor de verzoeken van de vrouw tot bepaling van een onderhoudsvergoeding tijdens het huwelijk en van partneralimentatie na het huwelijk, beide ten laste van de man.

9. De man voert gemotiveerd verweer tegen de verzoeken van de vrouw. Hij voert onder meer verweer tegen de door haar gestelde behoefte en betwist daarnaast haar behoeftigheid.

procedure BON201800539

10. Het verzoek om partneralimentatie is gebaseerd op art. 1:157 lid 1 BW BES, op grond waarvan de rechter in de echtscheidingsbeschikking of in een latere beschikking aan een echtgenoot die niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft, noch zich in redelijkheid kan verwerven, op diens verzoek ten laste van de andere echtgenoot een uitkering tot levensonderhoud kan toekennen.

11. De vrouw verzoekt primair om US$ 7.120,32 en subsidiair om US$ 5,817,03 per maand aan partneralimentatie.

11. Waar het betreft de behoefte van de vrouw overweegt het gerecht dat rekening dient te worden gehouden met alle relevante omstandigheden, waaronder de hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven van de partijen tijdens het huwelijk, waarin een aanwijzing kan worden gevonden voor de mate van welstand waarin zij hebben geleefd, en zoveel mogelijk met concrete gegevens betreffende de reële of waarschijnlijke kosten van levensonderhoud van de onderhoudsgerechtigde.2

De vrouw baseert zich in het verzoek vooral op het hoge uitgavenniveau van de partijen ten tijde van het verblijf op Bonaire, dat moet hebben gelegen tussen US$ 7.120,32 (volgens het kostenoverzicht van de vrouw) en US$ 6.500 (volgens het verweer van de man), dit inclusief de hypotheeklast van US$ 4.000 per maand, maar exclusief de kosten van de man.

Met de man is het gerecht van oordeel dat dit uitgavenniveau niet indicatief kan zijn voor de welstand van de partijen tijdens hun huwelijk, dat ca. 19 jaar geduurd heeft. De man is in het kader van zijn werk vanaf juni 2017 vanuit Nederland uitgezonden naar Bonaire. De partijen zijn daarom op Bonaire gaan wonen, wat leidde tot hogere kosten van hun huishouding. De man krijgt onder meer daarvoor tijdens de uitzending een buitenlandtoelage, die variabel is, maar zodanig hoog dat de partijen op ruimere voet kunnen leven dan zij in Nederland konden. Nu deze buitenlandtoelage tijdelijk is - deze eindigt per augustus 2019 - en deels ook bestemd voor extra kosten, verbonden aan de uitzending, behoort die toelage bij de beoordeling van de welstand van de partijen tijdens het huwelijk buiten beschouwing te blijven.

Rekening zou daarom moeten worden gehouden met het reguliere inkomen van de partijen, dat voor de man ca. € 4.600 netto per maand (netto salaris + ingehouden CZ-premie) is en voor de vrouw ca. US$ 1.800 per maand (uit een Amerikaans Social Security en de Nederlandse AOW- uitkering).

Duidelijk is dat de vrouw, in aanmerking nemende onder meer de welstand gedurende het huwelijk, behoefte heeft aan een hoger bedrag voor levensonderhoud dan de US$ 1.800 die zij nu als inkomsten heeft.

13. Een onderhoudsplicht bestaat echter alleen voor zover de onderhoudsgerechtigde niet in eigen levensonderhoud kan voorzien. Eigen inkomsten van de onderhoudsgerechtigde, ook die uit vermogen, verminderen de behoefte aan een bijdrage.

Onder inkomsten worden evenwel niet alleen de daadwerkelijke inkomsten verstaan, zoals in dit geval het bedrag van ca. US$ 1.800 dat de vrouw per maand aan inkomsten ontvangt, maar ook de in redelijkheid te verwerven inkomsten. Er dient dus rekening te worden gehouden met het vermogen van de onderhoudsgerechtigde om inkomsten te verwerven. Met de man is het gerecht van oordeel dat van de vrouw, die is geboren op [datum], en dus al lang een pensioengerechtigde leeftijd heeft, mag worden verwacht dat zij haar voor haar pensioen gereserveerde vermogen ook daadwerkelijk voor haar levensonderhoud gedurende haar pensioen aanwendt. Dat heeft zij niet gedaan.

14. Vraag is vervolgens welke uitkering de vrouw in redelijkheid uit haar voor pensioen gereserveerde vermogen had kunnen verwerven. Ter zitting is om die reden afgesproken dat zij alle polissen en onderliggende correspondentie met betrekking tot haar pensioen bij “401K” zou overleggen.

Het had voor de vrouw, en zeker voor haar gemachtigde, duidelijk moeten zijn dat deze overlegging van informatie nodig was naar aanleiding van het verweer van de man dat zij geacht kan worden in haar eigen levensonderhoud te voorzien, omdat zij een aanzienlijk vermogen voor haar pensioenvoorziening heeft geserveerd, maar er zonder goede reden voor heeft gekozen de uitkering uit het voor haar gereserveerde pensioenvermogen (nog) later te laten ingaan.

15. De (gemachtigde van de) vrouw heeft evenwel slechts overgelegd:

  1. een kwartaaloverzicht van [naam rekening 1] met de waarde van haar “retirement savings portfolio” op [datum] [saldo],

  2. een afschrift van [naam rekening 2] met de waarde van haar “[naam rekening 4]” per [datum] [saldo], en

  3. een kwartaaloverzicht van [naam rekening 3] met de waarde van haar beleggingsportefeuille op [datum] [saldo].

Uit deze stukken blijkt niet dat deze (deels) betrekking hebben op wat door de partijen is aangeduid als het pensioen bij “401K”, maar nu de partijen daaromtrent niets hebben opgemerkt, gaat het gerecht er van uit dat dit wel zo is.

Door de man is echter terecht aangevoerd dat de (gemachtigde van de) vrouw niet de meest recente stukken heeft overgelegd. Zonder toelichting, die niet is gegeven, valt niet in te zien waarom zij dat niet heeft gedaan, zeker als in aanmerking wordt genomen dat uit de stukken blijkt dat zij via internet toegang heeft tot de desbetreffende gegevens en die kan downloaden.

Het gerecht constateert voorts dat de (gemachtigde van de) vrouw geen polissen heeft overgelegd noch andere correspondentie dan de drie overgelegde overzichten.

16. Gevolg daarvan is dat niet, zelfs niet bij benadering, kan worden vastgesteld welke pensioenuitkering de vrouw in redelijkheid uit haar voor pensioen gereserveerde vermogen had kunnen verwerven. Dit is te wijten aan het onvoldoende informatie verschaffen door de (gemachtigde van de) vrouw en kan tot geen andere conclusie leiden dat de vrouw, gelet op het verweer van de man, niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Haar verzoek om partneralimentatie zal reeds daarom worden afgewezen.

Aan de mogelijke vervolgvraag (namelijk in de situatie dat de vrouw ook met een redelijke uitkering uit haar voor pensioen gereserveerde vermogen nog behoeftig is) in hoeverre het redelijk is dat de vrouw rechtstreeks op haar vermogen inteert om in haar levensonderhoud te voorzien, komt het gerecht dus ook niet toe.

procedure BON201900121

17. De vrouw verzoekt om een bijdrage van US$ 7.120,32, ingaande oktober 2018 tot de datum van inschrijving van de echtscheiding in het bevolkingsregister. Dit verzoek om een onderhoudsverplichting tijdens het huwelijk is gebaseerd op art. 1:85 lid 2 BW BES. Op grond daarvan is, als de echtgenoten in onderling overleg niet samenwonen, zoals hier (de man is eind juni 2018 elders gaan wonen), de ene echtgenoot verplicht aan de andere voldoende gelden ter beschikking te stellen ten behoeve van de gewone gang van diens huishouding.

18. De vrouw stelt dat de kosten van haar huishouding US$ 7.120,32 bedragen en onderbouwt dit met een opsomming van kostenposten. Zij stelt (onder 7 van het verzoekschrift) verder dat zij voor nagenoeg al die kosten opdraait en dat zij geen inkomen heeft.

19. Het gerecht constateert dat (de gemachtigde van) de vrouw laatstbedoelde stellingen evident in strijd met de waarheid in het verzoekschrift heeft opgenomen. Ter zitting is immers gebleken dat de man tot met januari 2019 de hypotheeklasten van de echtelijke, nog door de vrouw bewoonde woning betaald heeft en dat hij daarnaast US$ 1.200 per maand aan de vrouw heeft betaald voor haar levensonderhoud. Samen was dat US$ 5.200 per maand, 73% van de door de vrouw gestelde kosten.

Het gerecht acht deze door de man - van juli 2018 tot en met januari 2019 betaalde - bijdrage redelijk, aangezien de vrouw met haar eigen inkomsten van ca. US$ 1.800 per maand bijna alle door haar gestelde kosten van US$ 7.120,32 kon voldoen en een aantal kostenposten (WEB, schoonmaak en onderhoud huis en tuin, boodschappen) het gerecht bovenmatig voorkomen. Er bestaat dan ook geen enkele aanleiding de man te verplichten tot betaling van een (extra) bijdrage over de periode tot en met januari 2019.

20. De man is per februari 2019 gestopt met betaling van deze bijdrage: toen heeft hij alleen nog de helft van de hypotheeklasten betaald. Naar eigen zeggen is hij gestopt, omdat hij niks hoorde op zijn voorstellen voor de afwikkeling van de echtscheiding en omdat de vrouw weigerde informatie te verschaffen.

Zoals gezegd acht het gerecht de bijdrage die de man van juli 2018 tot en met januari 2019 betaalde, redelijk. Het gerecht ziet onvoldoende reden om daarvan met ingang van februari 2019 af te stappen. Het mag zo zijn dat deze - in september 2018 gestarte - procedure door uitstellen wat langer heeft geduurd dan (bij dit gerecht) gebruikelijk is, maar gesteld noch gebleken is dat dit de vrouw te verwijten valt.

Formeel behoeft de man geen bijdrage meer te betalen vanaf de ontbinding van het huwelijk door de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Het is het gerecht echter niet bekend of het huwelijk al is ontbonden. Om praktische redenen, en omdat het verzoek van een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw vanaf de ontbinding van het huwelijk zal worden afgewezen, zal het gerecht bepalen dat de man over de maanden februari en maart 2019 alsnog de bijdrage betaalt die hij daarvóór ook betaalde. Volgens de ter zitting verschafte informatie betekent dit dat de man per maand nog US$ 2.000 aan hypotheeklasten en US$ 1.200 als bijdrage in het levensonderhoud dient te betalen, dus in totaal US$ 6.400.

21. Voor betaling over een langere periode, voor het geval het huwelijk pas na maart 2019 wordt ontbonden, ziet het gerecht geen grond. De grootste kostenpost wordt gevormd door de hypotheeklasten van de echtelijke woning. Die kunnen in elk geval vanaf augustus 2019, als de buitenlandtoelage van de man is weggevallen, niet meer uit de gezamenlijke inkomsten worden betaald. De vrouw wenst deze woning toegedeeld te krijgen, terwijl de man al geruime tijd initiatieven ter zake de verdeling neemt. Gegeven de vermogenspositie van de partijen acht het gerecht het aannemelijk dat dit op korte termijn geregeld kan worden, zo nodig los van de verdeling van de rest van de ontbonden huwelijksgemeenschap.

in beide procedures

22. Nu de procedure uit de huwelijksrelatie van de partijen voortvloeien, zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

De beslissing

Het gerecht:

in de procedure met registratienummer BON201900121

1. bepaalt de bijdrage van de man in de kosten van de huishouding van de vrouw vanaf februari 2019 op (a) de volledige hypotheeklasten van de echtelijke woning over de maanden februari en maart 2019 en (b) een bijdrage aan de vrouw van US$ 2.400,

2. verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,

3. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt,

4. wijst het meer of anders verzochte af,

in de procedure met registratienummer BON201800539

5. wijst het verzoek om partneralimentatie af,

6. compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.J.F. Gerard, rechter, en uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

1 Verder valt het feit dat de vrouw mr. Bokkes heeft ingeschakeld als professioneel rechtshulpverlener in deze procedures moeilijk te rijmen met wat de vrouw in haar brief d.d. 14 maart 2019 heeft geschreven, namelijk dat zij geen contact met haar gemachtigde heeft en dat die gemachtigde haar gezegd heeft het druk te hebben.

2 HR 3 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7050