Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEABES:2019:51

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
31-07-2019
Datum publicatie
13-02-2020
Zaaknummer
BON201900122
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

niet-ontvankelijk: verzoek onvoldoende gesteld en in strijd met de behoorlijke procesorde

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HET GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA, zittingsplaats Bonaire

Burgerlijke zaken over 2019

Registratienummer: BON201900122

Datum uitspraak: 31 juli 2019

BESCHIKKING (ex artikel 1:401 BW BES)

in de zaak van

[verzoeker] ,

verzoeker,

wonende te Bonaire,,

procederende in persoon,

tegen

[verweerder],

verweerster,

wonende op Bonaire,

gemachtigde: mr. M.M.A. van Lieshout.

De procedure

1. Het verzoekschrift, met 3 producties, is ingekomen op 18 februari 2019.

2. [ [verzoeker] heeft op 11 april 2019 een “document Bundle” ingediend met 10 pagina’s tekst en 4 producties.

3. Tijdens de mondelinge behandeling op 18 april 2019 is [verzoeker] in de gelegenheid gesteld om alsnog duidelijker te zijn over de inhoud van zijn verzoek en over de gronden daarvoor, ook in het Nederlands. De behandeling is vervolgens aangehouden.

4. [ [verzoeker] heeft op 3 juni 2019 een aangepast verzoek ingediend, met een (slechte) vertaling in het Nederlands, en 8 producties.

5. Namens [verweerder] is op 3 juli 2019 een verweerschrift ingediend.

6. De mondelinge behandeling is voortgezet op 11 juli 2019.

7. Bij de mondelinge behandeling en de voortzetting daarvan waren aanwezig [verzoeker], bijgestaan door een tolk, [verweerder] en haar gemachtigde en vertegenwoordigers van de Voogdijraad.

8. Uitspraak is bepaald op heden.

De feiten

9. In de beschikking van dit gerecht van 21 januari 2015, waarbij ook de echtscheiding tussen de partijen is uitgesproken, is [verzoeker] veroordeeld tot betaling van US$ 2.000 per maand partneralimentatie aan [verweerder] en van US$ 1.000 kinderalimentatie voor de zoon van de partijen, [naam], geboren [datum].

10. Vanaf februari 2016 heeft [verzoeker] niet volledig voldaan aan de alimentatieverplichtingen die voortvloeien uit de echtscheidingsbeschikking.

11. Op een door [verzoeker] op 29 mei 2017 ingediend verzoek tot nihilstelling van de partneralimentatie heeft dit gerecht bij beschikking van 22 september 2017 de partneralimentatie met ingang van 1 september 2017 op nihil bepaald.

12. In het door [verzoeker] ingestelde hoger beroep heeft het Hof de ingangsdatum van de nihilstelling van de partneralimentatie bepaald op 1 februari 2016 en voor het overige de bestreden beschikking bevestigd.

Het verzoek

13. [ [verzoeker] verzoekt wijziging van de hoogte van de kinderalimentatie.

14. [ [verweerder] voert gemotiveerd verweer.

De beoordeling

15. Op grond van art. 111 lid 1 sub d Rv. BES dient in een verzoekschrift te worden vermeld “een aanduiding en omschrijving van het onderwerp van de vordering en datgene wat gevorderd wordt”. Aan die eis heeft [verzoeker] niet voldaan. Het op 18 februari 2019 ingediende verzoekschrift bevat weliswaar een vermelding van de wettelijke grondslag van het verzoekschrift - art. 1:401 BW BES, betreffende wijzigingen van reeds vastgestelde alimentatie - maar uit de inhoud van het verzoekschrift blijkt niet1 dat de door [verzoeker] gewenste wijziging de kinderalimentatie betreft en het verzoekschrift vermeldt in het geheel niet welke wijziging hij verzoekt.

16. Om die reden is [verzoeker] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling, met analogische toepassing van art. 112 lid 1 Rv. BES, in de gelegenheid gesteld zijn verzoek te verbeteren en aan te vullen.

17. Uit het lichaam van het vervolgens, op 3 juni 2019, door hem ingediende stuk blijkt wel dat het hem om de kinderalimentatie gaat (en dat het dus gaat om een wijziging van de beschikking van 21 januari 2015). Echter, ook in dit stuk ontbreekt welke wijziging hij verzoekt. [verzoeker] heeft dus ook in tweede instantie niet voldaan aan een art. 111 lid 1 sub d Rv. BES opgenomen eis.

De rechter heeft bij de voortzetting van de mondelinge behandeling daarom nogmaals gevraagd wat [verzoeker] nu precies verzoekt en pas na ca. 3 kwartier kwam als konijn uit de hoge hoed dat hij verlangt dat [verweerder] US$ 571,43 aan kinderalimentatie aan hem betaalt.

Een onderbouwing van dat bedrag ontbreekt echter en uit de door [verzoeker] overgelegde stukken kan het gerecht ook niet afleiden waarom [verzoeker] meent dat hij recht heeft op dat bedrag of überhaupt op enige kinderalimentatie.

(Het is overigens niet het gerecht dat in de stukken moet gaan zoeken naar ondersteuning voor een vordering. Van een partij mag worden gevergd dat hij toelicht waarom de door hem in het geding gebrachte producties de door hem betrokken stellingen kunnen onderbouwen. De eisen van een goede procesorde brengen tevens mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit zó doet dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren.2 Deze beginselen gelden ook voor een partij die in persoon procedeert, aangezien ze mede dienen ter bescherming van elementaire processuele rechten van de wederpartij. Zeker van [verzoeker], die - zo is het gerecht ambtshalve bekend - zelfstandig, zonder professionele rechtsbijstand, veel gerechtelijke procedures aanspant, mag worden verwacht dat hij van deze elementaire beginselen op de hoogte is en zich daaraan houdt.)3

18. Het gerecht acht een dergelijke wijze van procederen in strijd met een behoorlijke procesorde, zeker nu met het verzoek kennelijk niet een relatief beperkte wijziging van de alimentatiebeschikking wordt beoogd, maar een principiële en qua belang fundamenteel andere alimentatiebeslissing. Door [verweerder] is terecht aangevoerd dat zij hierdoor geen behoorlijk verweer heeft kunnen voeren. Van haar en haar gemachtigde kan in redelijkheid niet worden verlangd dat zij zich nog een keer instellen op en zich nog een keer verweren tegen een nieuwe onderbouwing en de ten behoeve daarvan over te leggen producties. Het gerecht kan dan ook niet anders dan [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek verklaren.

19. De niet-ontvankelijkheid betekent dat het gerecht niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling. Ten overvloede, om deze hele procedure niet helemaal nutteloos te laten zijn, overweegt het gerecht nog naar aanleiding van de stelling van [verzoeker] dat hij zijn verzoek baseert op zowel art. 1:401 lid 5 BW BES als op art. 1:401 lid 4 BW BES als op art. 1:401 lid 1 BW BES.

20. Waar het betreft art. 1:401 lid 5 BW BES heeft het gerecht [verzoeker] voorgehouden dat die bepaling niet ziet op een wijziging van een rechterlijke uitspraak, maar op een wijziging van een overeenkomst.

[verzoeker] heeft in dit verband aangevoerd dat hij zich beroept op een overeenkomst, gesloten bij de mondelinge behandeling van het hoger beroep tussen drie partijen, te weten hijzelf, [verweerder] en, zo begrijpt het gerecht, de Hofcombinatie, inhoudende dat [verzoeker] zijn art. 843a-verzoek zou intrekken, dat [verweerder] zou afzien van alimentatie en dat de Hofcombinatie een streep zou zetten door alle alimentatieverplichtingen, óók die tot betaling van kinderalimentatie.

Naar het oordeel van het gerecht kan geen sprake zijn van een driepartijenovereenkomst. Anders dan [verzoeker] meent, kan de Hofcombinatie geen partij zijn bij een overeenkomst, al was het reeds omdat de Hofcombinatie geen rechtspersoonlijkheid heeft. De Hofcombinatie kan wel “partij” zijn bij afspraken over het vervolg van de procedure, maar dat is niet de inhoudelijke - op de hoogte en/of duur van de alimentatie betrekking hebbende - overeenkomst waarop art. 1:401 lid 5 BW BES doelt en die uit de aard der zaak moet zijn gesloten tussen een alimentatiegerechtigde en een alimentatieplichtige.

Het is verder ook niet aannemelijk dat de Hofcombinatie heeft toegezegd dat het ook een streep door de kinderalimentatie zou zetten, aangezien de procedure bij het Hof alleen betrekking had op de partneralimentatie. Evenmin aannemelijk is dat [verweerder] heeft ingestemd met de beëindiging van de verplichting tot betaling van kinderalimentatie.

Gesteld noch gebleken is dat [verzoeker] en [verweerder] een overeenkomst als bedoeld in art. 1:401 lid 5 BW BES hebben gesloten. De beschikking van 21 januari 2015 geldt dus onverkort. Het is dus juist dat [verzoeker] al heel lang niet voldoet aan zijn verplichtingen ten opzichte van zijn zoon en een forse alimentatieachterstand – van kennelijk ca. US$ 40.000 – heeft opgebouwd.

21. Waar het betreft het beroep op art. 1:401 lid 4 BW BES overweegt het gerecht voorshands dat om vast te stellen dat een alimentatiebeschikking van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, het moet gaan om hetzij gegevens die in de uitspraak zijn opgenomen, hetzij gegevens die niet in de uitspraak zijn opgenomen omdat de partijen het blijkens de gedingstukken daarover eens waren (en daarover dus in de uitspraak niet hoefde te worden beslist). [verzoeker] heeft ook in dit opzicht onvoldoende (onderbouwd) gesteld.

22. Waar het betreft het beroep op art. 1:401 lid 1 BW BES heeft [verzoeker] aangevoerd dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, gelegen in het (door [verweerder] erkende) feit dat hij thans veel meer omgang met zijn zoon heeft dan hij had ten tijde van de echtscheidingsprocedure en zijn stelling dat hij daardoor nu meer kosten voor zijn zoon maakt. Het gerecht overweegt dat dit op zichzelf relevante gewijzigde omstandigheden kunnen zijn, maar wijst er op dat die alleen tot een wijziging of intrekking van de alimentatiebeschikking kunnen leiden als deze daardoor niet meer aan de wettelijke maatstaven voldoet.

Ook hier ligt het op de weg van de verzoeker om dit alles goed, zoveel mogelijk met relevante stukken, te onderbouwen.

23. Gezien het overgelegde KRB-formulier zal [verweerder] verlof worden verleend om kosteloos te procederen.

24. Gelet op de aard van de procedure zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

De beslissing

Het gerecht:

verklaart [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek,

verleent [verweerder] verlof om kosteloos te procederen,

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.J.F. Gerard, rechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 juli 2019 in tegenwoordigheid van de griffier.

1 Hoogstens kan uit de 3 door hem als productie overgelegde uitspraken worden afgeleid dat het kennelijk om de kinderalimentatie gaat.

2 HR 23 oktober 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0729 en HR 8 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2810

3 Dit alles is [verzoeker] bekend, want door dit gerecht al overwogen in het vonnis van 19 december 2018 in de zaak met registratienummer BON201800474, waarin [verzoeker] de eiser was.