Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEABES:2019:5

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
06-02-2019
Datum publicatie
07-03-2019
Zaaknummer
War BES 201800370
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Invordering verbeurde dwangsommen. Mandaat aangetoond. Geen bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

Uitspraak

in het geding tussen:

[eiseres],

eiseres,

gemachtigde: mr. T.L.H. Peeters, advocaat,

en

de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,

verweerder,

gemachtigden: mr. J.J. Kerssemakers en ir. S.M. Smeulders (Smeulders), beiden werkzaam bij de Inspectie Leefomgeving en Transport (de ILT) van het betrokken ministerie.

Procesverloop

Bij beschikkingen van 9 mei en 6 juni 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder van eiseres dwangsommen van in totaal USD 100.000,- ingevorderd wegens het niet naleven van een aan haar bij beschikking van 20 december 2017 opgelegde last onder dwangsom.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft ter zitting van het Gerecht op 13 december 2018 plaatsgevonden. Eiseres werd daar vertegenwoordigd door haar gemachtigde, vergezeld door J. Marshall, E. Paulina en Z. Fraai, medewerkers van Curoil. Verweerder werd daar vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

Overwegingen

1. Bij in rechte onaantastbaar geworden beschikking van 20 december 2017 (de dwangsombeschikking) heeft verweerder aan eiseres voor het brandstofdepot op de locatie Hato (het brandstofdepot) lasten onder dwangsom opgelegd wegens dreigende overtreding van voorschriften van de aan haar daarvoor verleende vergunning op grond van de Wet VROM Bes.

Last 2 (de last) van de dwangsombeschikking ziet op herstel van de op het brandstofdepot aanwezige tanks 2 en 3 en luidt dat die tanks uiterlijk op 30 april 2018 hersteld dienen te zijn en moeten beschikken over een tankcertificaat.

Bij de dwangsombeschikking is verder vermeld dat indien eiseres niet aantoonbaar voldoet aan de last zij een dwangsom verbeurt van USD 25.000,- per tank en vervolgens elke maand dat zij niet aan de last voldoet per tank een dwangsom van USD 25.000,-, met een maximum van USD 100.000,-.

2. Eiseres betoogt tevergeefs dat, nu verweerder niet heeft aangetoond dat Smeulders als ondertekenaar van de bestreden besluiten daartoe was gemandateerd, geoordeeld moet worden dat ze onbevoegd zijn genomen.

2.1

Bij artikel 21, eerste lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit Infrastructuur en Waterstaat heeft verweerder aan de diensthoofden mandaat verleend voor alle bevoegdheden die behoren bij de uitoefening van de taken van hun dienst. Op grond van het tweede lid kan een diensthoofd de aan hem verleende bevoegdheden in ondermandaat verlenen aan een andere onder hem ressorterende functionaris.

Bij artikel 4, tweede lid, van het Organisatie- en mandaatbesluit ILT 2015 heeft de Inspecteur-Generaal (I-G) de aan hem gemandateerde bevoegdheden, die behoren bij de uitoefening van hun taken, aan de inspecteurs ILT gemandateerd.

2.2

Uit vermelde bepalingen volgt dat verweerder aan het diensthoofd van de ILT, de I-G, mandaat heeft verleend ter zake van de uitoefening van de betrokken (handhavings)bevoegdheden, en dat de I-G dit heeft (door)gemandateerd aan zijn inspecteurs.

Daarmee staat vast dat de inspecteurs van de ILT deugdelijk zijn gemandateerd om namens verweerder handhavingsbesluiten te nemen en te ondertekenen. Dat Smeulders als inspecteur van de ILT is aangesteld, wordt door het Gerecht niet betwijfeld, en blijkt overigens ook uit de door hem overgelegde machtiging van de I‑G voor zijn optreden ter zitting.

3. Wat eiseres heeft aangevoerd over de vermeende feilen van de dwangsombeschikking wat betreft de overtreding en de belangenafweging, kan reeds niet tot het door haar beoogde resultaat leiden, omdat zij tegen de dwangsombeschikking geen rechtsmiddel heeft ingesteld, zodat hier moet worden uitgegaan van de rechtsmatigheid daarvan.

4. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres niet heeft voldaan aan de last, zodat verweerder bevoegd was tot invordering van de verbeurde dwangsommen over te gaan.

5. Volgens vaste jurisprudentie zie bijv. ECLI:NL:RVS:2014:32 dient bij een beschikking over invordering aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van een beschikking tot oplegging van een last onder dwangsom. Steun voor dit uitgangspunt kan worden gevonden in de geschiedenis van de totstandkoming van het hier ook toepasselijke artikel 5:37, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, blz. 115). Daarin is vermeld dat een adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties ook worden geëffectueerd en dus dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien.

6. In hetgeen eiseres dienaangaande heeft aangevoerd, ziet het Gerecht geen grond voor het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen bijzondere omstandigheden waren die noopten tot het afzien van de invordering van de verbeurde dwangsommen.

Dat na het nemen van de bestreden besluiten de plannen voor het herstel van het brandstofdepot zijn gewijzigd, waaraan verweerder in beginsel zijn medewerking niet wil onthouden, vormt, anders dan eiseres meent, niet een zodanige bijzondere omstandigheid. Gebleken is dat het herstel van tanks 2 en 3 ten slotte is gerealiseerd en dat die tanks nu ook in gebruik zijn, zodat eiseres niet staande kan houden dat, zelfs niet achteraf beschouwd, de last zinloos was en de invordering van de verbeurde dwangsommen nergens toe diende. Het betoog van eiseres dat de bestreden besluiten genomen zijn in strijd met de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit ontbeert dan ook feitelijke grondslag.

7. De slotsom is dat het beroep ongegrond is en de bestreden besluiten in stand kunnen blijven. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

Het Gerecht verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D. Haan en uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2019 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen zes weken na kennisgeving van deze uitspraak. Zie hoofdstuk 5 van de War BES.