Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEABES:2019:48

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
11-09-2019
Datum publicatie
13-02-2020
Zaaknummer
BON201900385
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

--

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

Burgerlijke zaken over 2019

registratienummer: BON201900385

datum uitspraak: 11 september 2019

BESCHIKKING

in de zaak van

[verzoeker],

wonende te Bonaire,

verzoeker,

thans procederende in persoon,

voorheen bijgestaan door mrs. P.S. Bakker en M.W.J.H. Welten,

met als belanghebbenden:

[belanghebbende 1],

wonende te Spanje,

gemachtigde: mr. T.L.H. Peeters,

[belanghebbende 2],

wonende te Zuid Afrika,

gemachtigde: mr. D.G. Kock,

[belanghebbende 3],

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van N.V. Le Bon Patrimonium,

kantoorhoudende te Turnhout, België,

gemachtigde: mr. W. Herben.

De procedure

1. Het verzoekschrift is ingekomen op 6 juni 2019.

2. Ten behoeve van de mondelinge behandeling op 30 juli 2019 zijn namens [belanghebbende 1] op 23 juli 2019 twee producties overgelegd. Bij de mondelinge behandeling waren de gemachtigden van [verzoeker] en van alle belanghebbenden aanwezig en heeft mr. Peeters het woord gevoerd aan de hand van pleitaantekeningen. De mondelinge behandeling is voortgezet op 3 september 2019, waarbij alleen [verzoeker] en de gemachtigde van [belanghebbende 1] zijn verschenen. [verzoeker] heeft het woord gevoerd aan de hand van zijn pleitaantekeningen.

3. De uitspraak is nader bepaald op heden.

De feiten

4. [ [verzoeker] is notaris te Bonaire.

5. [ [belanghebbende 2] en [belanghebbende 1] zijn gezamenlijk, ieder voor een onverdeelde helft, eigenaar van het recht van erfpacht (tot 22 april 2040) op een perceel grond, kadastraal bekend als [perceel] met daarop een woning, plaatselijk bekend als [adres] (verder te noemen: het perceel).

6. [ [belanghebbende 2] heeft de woning in 2010 verhuurd aan [naam], die de woning nog steeds huren.

7. Op 25 oktober 2017 heeft dit gerecht in de zaak AR 38/2017 een verstekvonnis gewezen ten gunste van [belanghebbende 1], waarin voor recht is verklaard dat [belanghebbende 2] gehouden is de kosten die verband houden met het perceel voor de helft te dragen, alsook dat [belanghebbende 2] gehouden is de helft van de huurpenningen van het perceel aan [belanghebbende 1] te voldoen. Verder is [belanghebbende 2] veroordeeld een aantal bedragen aan [belanghebbende 1] te betalen.

8. [ [belanghebbende 1] heeft op 20 juni 2018 executoriaal beslag doen leggen op het onverdeelde aandeel van [belanghebbende 2] in het perceel.

9. Op 9 augustus 2018 is de executieverkoop van het onverdeelde aandeel van [belanghebbende 2] in het perceel aangezegd, waarbij de veiling is bepaald op dinsdag 11 september 2018 te 10.00 uur ten kantore van [verzoeker]. In de veilingvoorwaarden is de inzetprijs bepaald op US$ 70.000. De vordering waarvoor werd geëxecuteerd, bedroeg US$ 33.450.

10. In een door [belanghebbende 2] aangespannen kort geding heeft dit gerecht in een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak, kenbaar gemaakt op 11 september 2018 om 9.57 uur, bepaald dat [belanghebbende 1] het verstekvonnis van 25 oktober 2017 slechts mag executeren en dat [verzoeker] slechts aan die executie mag meewerken, als de inzetprijs wordt bepaald op minimaal US$ 95.000, en het perceel niet onder die inzetprijs wordt verkocht.

11. De veiling heeft op 11 september 2018 plaatsgevonden, maar niet in een veilingkoop geresulteerd.

12. Namens [belanghebbende 1] is de notaris op 12 september 2018 opdracht gegeven tot een tweede veiling, zulks tegen een inzetprijs van US$ 70.000 of lager. Tussen [belanghebbende 1] en de notaris is (wederom) een discussie ontstaan over de vraag of executie door middel van een executieveiling in dit geval mogelijk is, en zo ja: onder welke voorwaarden.

Het verzoek

13. [ [verzoeker] verzoekt het gerecht om duidelijkheid te verschaffen en eenduidig aan te geven aan welke inzetprijs en of andere randvoorwaarden de partijen zich hebben te houden bij een tweede en eventueel opvolgende veiling(en) op verzoek van [belanghebbende 1].

13. [ Alle belanghebbenden menen dat een tweede veiling mogelijk is en dat daarbij een zo hoog mogelijke opbrengst moet worden nagestreefd. Zij verschillen vooral van mening over de hoogte van de inzetprijs. [belanghebbende 1] meent dat die op maximaal US$ 1 kan en moet worden bepaald, terwijl de overige belanghebbenden menen dat, gelet op het feit dat de veiling in september 2018 niet tot verkoop heeft geleid, de inzetprijs een stuk lager dan de toen gehanteerde inzetprijs van US$ 95.000 zal moeten zijn.

De beoordeling

15. Op grond van art. 518 lid 1 Rv. BES worden geschillen over de veilingvoorwaarden, over de wijze van verkoop of over plaats, dag of uur daarvan op verzoek van de meest gerede partij of van de notaris beslist door de rechter in eerste aanleg in wiens rechtsgebied de zaken geheel of grotendeels zijn gelegen – en dat is in dit geval dit gerecht.

16. In deze procedure blijkt het vooral te gaan om de inzetprijs en enkele door de notaris voorgestelde voorwaarden. Niet aan de orde is de vraag óf [belanghebbende 1] zijn vordering kan innen via een executieveiling. [verzoeker] stelt met recht dat een verdeling door de rechter mogelijk was geweest, maar het was [belanghebbende 2] die daartoe een verzoek had kunnen indienen, maar dat heeft hij niet gedaan.

17. Waar het betreft de inzetprijs stelt het gerecht voorop dat daarbij rekening moet worden gehouden met de belangen van [belanghebbende 2] (en de curator) bij een zo hoog mogelijke veilingopbrengst. [belanghebbende 1] heeft - net als in het kort geding - aangevoerd dat bij een executieveiling de marktwerking is gewaarborgd, en dat aldus met die belangen is rekening gehouden, maar het gerecht meent - net als in het kort geding - dat in een zo kleinschalige omgeving als Bonaire de effecten van een volwaardige marktwerking niet verzekerd zijn, zeker niet als het gaat om de openbare verkoop van een incourant item als de onverdeelde helft in een recht van erfpacht.

Dat vormt ook de reden waarom het gerecht niet, zoals [belanghebbende 1] wenst, een erg lage inzetprijs zal bepalen, maar - zoals overigens heel gebruikelijk is - een lagere inzetprijs dan bij de vorige veiling. Daarbij vormen de relatief – ten opzichte van de waarde van het te veilen object – hoge veilingkosten (ruim US$ 5.000 per veiling) een argument om de inzetprijs niet met te kleine stappen te laten dalen.

18. Anders dan [verzoeker] acht het gerecht een nieuwe – betere – taxatie niet meer zinvol, aangezien door de veiling in september 2018 een duidelijk piketpaaltje is geplaatst: een inzetprijs van US$ 95.000 is te hoog. Nu de volgende inzetprijs substantieel lager zal zijn, zou een taxatie voor een verkoop op de veiling weinig toegevoegde waarde hebben.

19. [ [verzoeker] heeft voorts voorgesteld om als veilingvoorwaarde te bepalen dat [belanghebbende 1] moet worden verplicht een openingsbod te doen, maar een dergelijke voorwaarde valt niet te rijmen met het hanteren van zo hoog mogelijke inzetprijzen.

Het gerecht volgt [verzoeker] ook niet in zijn wens om als voorwaarde te stellen dat het object in zijn geheel – dus inclusief het aandeel van [belanghebbende 1] - wordt verkocht. Het mag zo zijn dat daardoor de kans op bieders wordt vergroot, maar voor een verkoop is het niet noodzakelijk en van [belanghebbende 1] kan niet worden verlangd dat hij op een executieveiling – dus zeer waarschijnlijk tegen een lagere waarde dan de marktwaarde - zijn aandeel verkoopt teneinde de kans op verkoop van het aandeel van [belanghebbende 2] tegen een hogere prijs te vergroten.

20. Het gerecht zal, gelet op een en ander, bepalen dat de inzetprijs voor de aanstaande tweede veiling US$ 70.000 zal worden, de inzetprijs voor een eventuele derde veiling US$ 50.000, voor een eventuele vierde veiling US$ 30.000 en voor een eventuele vijfde veiling US$ 10.000.

De beslissing

Het gerecht:

bepaalt dat de inzetprijs voor de aanstaande tweede veiling op verzoek van [belanghebbende 1] van het onverdeelde aandeel in het recht van erfpacht op het [het perceel], US$ 70.000 zal zijn, voor een eventuele derde veiling US$ 50.000, voor een eventuele vierde veiling US$ 30.000 en voor een eventuele vijfde veiling US$ 10.000,

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. F.J. F. Gerard, rechter, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 11 september 2019.