Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEABES:2019:24

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
29-05-2019
Datum publicatie
11-06-2019
Zaaknummer
BON201800079 en BON201800080
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het Gerecht oordeelt dat de heffingsambtenaar over de heffingsgrondslag van het speelvergunningsrecht (bruto bedrag der ontvangsten) een toezegging heeft gedaan en dat hij daaraan gebonden is. Temeer nu de toezegging, in tegendeel tot wat de heffingsambtenaar stelt, nooit is opgezegd. De toezegging acht het Gerecht niet zozeer in strijd met een juiste toepassing van de belastingwet dat belanghebbende in redelijkheid niet op nakoming van de toezegging mocht rekenen. Belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt derhalve.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2019/283 met annotatie van J.P. Kruimel
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 29 mei 2019

BBZ nrs. BON201800079 en BON201800080

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Zittingsplaats Bonaire

Uitspraak

Op het beroep in de zin van

hoofdstuk VIII, titel acht, afdeling drie van de Belastingwet BES van:

X B.V., gevestigd te Bonaire,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE HEFFINGSAMBTENAAR VAN HET OPENBAAR LICHAAM BONAIRE

de heffingsambtenaar.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 6 juli 2017 naheffingsaanslagen speelvergunningsrecht opgelegd voor:

het 1e tot en met het 4e kwartaal van het jaar 2013 voor een totaalbedrag van

USD 125.328,84;

het 1e tot en met het 4e kwartaal van het jaar 2014 voor een totaalbedrag van

USD 110.301,82;

het 1e tot en met het 4e kwartaal van het jaar 2015 voor een totaalbedrag van

USD 115.349,92;

het 1e tot en met het 4e kwartaal van het jaar 2016 voor een totaalbedrag van

USD 135.087,53;

het 1e kwartaal van het jaar 2017 voor een bedrag van USD 35.242,83.

1.2

Aan belanghebbende is met dagtekening van 24 juli 2017 voor het 2e kwartaal van het jaar 2017 een naheffingsaanslag speelvergunningsrecht opgelegd voor een bedrag van USD 39.917,87.

1.3

Belanghebbende heeft op 16 augustus 2017 (pro-forma) bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslagen.

1.4

De heffingsambtenaar heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 22 december 2017 de bezwaren ongegrond verklaard.

1.5

Belanghebbende heeft op 1 februari 2018 beroep ingesteld tegen de uitspraken op bezwaar. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van USD30.

1.6

De heffingsambtenaar heeft op 7 juni 2018 een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft op 2 november 2018 nadere stukken ingediend. Een afschrift hiervan is aan de wederpartij verstrekt.

1.7

De zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2018. Namens belanghebbende zijn verschenen A en B van X N.V., C, D en H van het kantoor Y en I van het kantoor Z. Namens de heffingsambtenaar is verschenen J.

1.8

Belanghebbende heeft ter zitting twee pleitnota’s voorgedragen en overgelegd. Het Gerecht heeft de zitting gesloten en met instemming van partijen aan de heffingsambtenaar verzocht om een verklaring over te leggen over de toegepaste heffingsgrondslag in de periode voor 10 oktober 2010. De heffingsambtenaar heeft op 28 november 2018 een verklaring overgelegd, hetwelk naar de wederpartij is verzonden.

1.9

Na sluiting van de zitting heeft belanghebbende op 6 december 2018 een reactie ingediend. De heffingsambtenaar heeft op 15 maart 2019 een stuk ingediend. Het Gerecht ziet hierin geen aanleiding tot heropening van het onderzoek zodat de stukken niet tot de gedingstukken worden gerekend.

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende exploiteert een casino in Bonaire. Belanghebbende is een vergunninghouder in de zin van de Wet hazardspelen BES I.

2.2

Belanghebbende biedt in haar casino hazardspelen aan onder andere middels tafelspelen en speelautomaten.

2.3

Belanghebbende heeft over de jaren 2013 tot en met 2017 aan speelvergunningsrecht afgedragen: USD 32.217 (2013), USD 28.312 (2014), USD 27.926 (2015), USD 30.826 (2016) en USD 12.868 (januari t/m mei 2017).

2.4

Het speelvergunningsrecht is door belanghebbende berekend overeenkomstig de maatstaf van heffing voor de kansspelbelasting namelijk ‘het verschil tussen de in een tijdvak ontvangen inzetten en de ter beschikking gestelde prijzen’. De heffingsambtenaar heeft bij het opleggen van de naheffingsaanslagen, als heffingsgrondslag ‘de dagelijkse tellingen’ oftewel het totaal bedrag van de inleggen gehanteerd.

3 GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN

3.1

Tussen partijen is in geschil de vraag of de aanslagen terecht en naar de juiste bedragen zijn vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de heffingsambtenaar bevestigend.

3.2

Belanghebbende stelt primair dat de aanslagen moeten vervallen. Zij voert daartoe – samengevat - aan dat het speelvergunningsrecht in strijd is met artikel 1 van het eerste Protocol van het EVRM en het ne bis in idem beginsel, dat het speelvergunningsrecht een recht is ingevolge artikel 62 van de Wet financiën openbare lichamen en dat niet wordt voldaan aan het vereiste dat het tarief zodanig moet worden vastgesteld dat de geraamde baten van de rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten, dat de aangiftebiljetten over de onderhavige jaren – pas in het jaar 2018 – derhalve niet tijdig zijn uitgereikt hetgeen strijdigheid oplevert met het zorgvuldigheidsbeginsel, dat de aanslagen gebaseerd zijn op een onjuiste heffingsmaatstaf. Subsidiair stelt belanghebbende dat de heffingsgrondslag bepaald moet worden op basis van de Arubaanse jurisprudentie en regelgeving en meer subsidiair dat de kansspelbelasting in mindering moet komen van de heffingsgrondslag.

3.3

De Inspecteur bestrijdt de stellingen van belanghebbende en concludeert tot handhaving van de aanslagen.

4 BEOORDELING VAN HET BEROEP

Wettelijk kader en ontstaansgeschiedenis

4.1

Van belang zijn artikel 1 en artikel 3 van de Wet speelvergunningsrecht hazardspelen BES (WSH). Artikel 1 luidt voor zover van belang:

In deze wet wordt verstaan onder:

a. speelvergunningsrecht: het bij hazardspelen als bedoeld in de Wet hazardspelen I ten behoeve van het openbaar lichaam te heffen recht;

b. vergunninghouder: degene aan wie een vergunning is verleend op grond van artikel 1 van de Wet hazardspelen BES I.

Artikel 3 luidt voor zover van belang:

1. Het speelvergunningsrecht wordt per boekjaar geheven van het uit de vergunning voortvloeiende bruto-bedrag der ontvangsten volgens een bij eilandsverordening vast te stellen tarief.

(…)

3. Onder het bruto-bedrag der ontvangsten worden mede begrepen de niet geïncasseerde speelschulden.

4.2

Van belang is voorts artikel 1 van de Eilandsverordening speelvergunningsrecht hazardspelen Bonaire (ESH). Artikel 1 luidt voor zover van belang:

1. Het speelvergunningsrecht, zoals bedoeld in artikel 3 van de Wet speelvergunningsrecht hazardspelen BES, is een eilandbelasting die wordt geheven van de vergunninghouder.

2. Het tarief van het speelvergunningsrecht bedraagt 1,5% van het bruto-bedrag der ontvangsten van de vergunninghouder.

(…)

4.3

Met ingang van 10 oktober 2010 is de Antilliaanse Landverordening Speelvergunningsrecht Hazardspelen 1957 (LVSH) omgevormd naar de WSH. Daarbij zijn volgens de Memorie van Toelichting (Aanpassingswet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba, Kamerstukken II 2008/2009 31959, artikel 8.50) uitsluitend technische aanpassingen gepleegd. Over de wijziging is in de Memorie van toelichting het volgende vermeld:

Artikel 8.50 (wijziging Wet speelvergunningsrecht hazardspelen BES)

In deze wet zijn uitsluitend technische aanpassingen gepleegd.”

De grondslag van het speelvergunningsrecht zoals opgenomen in artikel 3 van de LVSH (het bruto-bedrag der ontvangsten) is ongewijzigd gebleven. Artikel 3, lid 1 van de LVSH luidde als volgt:

“Het speelvergunningsrecht wordt per boekjaar geheven van het uit de vergunning voortvloeiende bruto-bedrag der ontvangsten volgens een bij eilandsbesluit houdende algemene maatregelen vast te stellen tarief”

4.3.1

Ter uitvoering van de WSH is op 1 januari 2013 de ESH ingevoerd. Het heffen van speelvergunningsrecht en het vaststellen van het tarief, diende na inwerkingtreding van de WSH te geschieden bij eilandsverordening en niet zoals voorheen – ter uitvoering van de LVSH – op basis van een eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen (Memorie van Toelichting No.3). In de Memorie van Toelichting staat - voor zover van belang- het volgende vermeld:

“Artikel 3 van de Wet (Gerecht: WSH) bepaalt dat het speelvergunningsrecht per boekjaar wordt geheven van het uit de vergunning voortvloeiende bruto-bedrag der ontvangsten van de vergunninghouder volgens bij eilandsverordening vast te stellen tarief. Het artikel vestigt dan ook de bevoegdheid van de eilandsraad om het tarief vast te stellen. Door middel van de onderhavige eilandsverordening wordt het tarief vastgesteld op 1,5% van het bruto-bedrag van de ontvangsten van de vergunninghouder, waarbij is aangesloten bij het voorheen geldende eilandsbesluit, houdende algemene maatregelen van de 27ste juni 1977, ter uitvoering van artikel 3 van de Landsverordening Speelvergunningsrecht Hazardspelen 1957 (AB 1977, no. 12). Daarmee wordt aangesloten bij de praktijk hoe de ontvangsten van de vergunninghouder worden berekend, hetgeen is neergelegd en uitgewerkt in de Wet.”

4.3.2

Het percentage van 1,5% van het bruto bedrag van de ontvangsten is niet veranderd ten opzichte van het percentage dat gold onder het eilandsbesluit. Voorts is het speelvergunningsrecht met de ESH een aangiftebelasting geworden.

Vertrouwensbeginsel

4.4

Belanghebbende heeft speelvergunningsrecht afgedragen op basis van de Wet op de kansspelbelasting. Zij heeft zich daarbij beroepen op het vertrouwensbeginsel. Belanghebbende heeft gewezen op haar brief van 2 april 2013 aan het bestuurscollege (met c.c. aan onder andere de heffingsambtenaar en de reactie daarop

(e-mail van 19 april 2013) van de heffingsambtenaar). In de brief van belanghebbende is – voor zover van belang – het volgende vermeld:

“7. Voorafgaande aan de totstandkoming en de invoering van de Eilandsverordening speelvergunningsrecht hazardspelen BES, heeft regelmatig overleg plaatsgevonden tussen enerzijds de heer K van de afdeling Financien van het Openbaar Lichaam Bonaire en anderzijds de directeur van CCB, de heer L, vergezeld van diens accountant, de heer M van V.

8. Tijdens die voorbesprekingen over de in te voeren Eilandsverordening is herhaaldelijk tussen genoemde personen gesproken over de wijze waarop die afdracht van 1,5% zal worden geheven, en met name over de vraag waarover precies die 1,5% zal worden geheven, met andere woorden: de uitleg van de woorden “bruto-bedrag der ontvangsten”. (…)

19. (…). De wet op de Kansspelbelasting BES en de Wet en de Eilandsverordening speelvergunningsrecht hazardspelen BES zijn drie nauw met elkaar verbonden en samenhangend wettelijke bepalingen, die de heffing van een rijksbelasting (10%) en een eilandsbelasting (1,5%) reguleren.

Het is evident dat die drie wettelijke bepalingen van dezelfde maatstaf voor heffing dienen uit te gaan, te weten over het verschil tussen de in een tijdvak ontvangen inzetten en de ter beschikking gestelde prijzen.

20. (…) CCB doet een dringend beroep op Uw College om de hierboven door CCB geformuleerde en beargumenteerde heffingsgrondslag voor 1,5% te bevestigen en CCB dienovereenkomstig aan te slaan.”

In reactie op deze brief heeft de heffingsambtenaar in zijn e-mail van 19 april 2013 het volgende geschreven:

“Met dank voor uw mail kan ik u mededelen dat wij ons gewend hebben tot het Nederlandse ministerie over deze kwestie. Zonder alvast op de inhoud van onze vraagstelling richting Nederland in te gaan kan ik aangeven vooralsnog akkoord te gaan met uw voorstel om in eerste instantie uit te gaan van de definitie m.b.t. de basis “gespeeld geld minus uitgekeerde winsten aan spelers”. Met andere woorden dezelfde basis als die gehanteerd wordt bij de aangifte kansspelbelasting. Wij gaan er van uit dat we op afzienbare termijn nader met u en betrokkenen in contact zullen treden voor een vervolgafspraak. E.e.a. heeft te maken met uw verzoek vanuit Nederland om bij de telling van opbrengsten betrokken te blijven. (..)”

4.5

Het Gerecht oordeelt dat de heffingsambtenaar over de heffingsgrondslag van het speelvergunningsrecht een toezegging heeft gedaan en dat hij daaraan gebonden is. De toezegging acht het Gerecht niet zozeer in strijd met een juiste toepassing van de belastingwet dat belanghebbende in redelijkheid niet op nakoming van de toezegging mocht rekenen. Redengevend daartoe is het volgende.

4.5.1

De door de heffingsambtenaar gehanteerde uitleg van de heffingsgrondslag ‘totaal bedrag van de inleggen’ is niet terug te vinden in de wet en de toelichting. Ook de rechtspraak biedt daarvoor geen steun. In de praktijk is door de rechtspraak inhoud gegeven aan het begrip ‘bruto-bedrag der ontvangsten’ van de LVSH. Van belang hierbij is dat dit begrip in de LVSH is geïntroduceerd bij de Landsverordening van 4 januari 1973, PB 1973 no. 5 (vgl. de uitspraak van 27 april 1994 van de Raad van Beroep, ECLI:NL:ORBBNAA:1994:BU4762) en dat deze wetgeving gold voor Curaçao, Aruba, Bonaire en de Bovenwindse eilanden. De Raad van Beroep voor belastingzaken heeft in diverse uitspraken zich uitgelaten over de heffingsgrondslag ‘bruto-bedrag der ontvangsten’. Voor tafelspelen is dat het totaal van de gekochte fiches (vgl. ECLI:NL:ORBBNAA:1997:BU4930), en voor de slotmachines met munten is dat de inhoud van de emmers ‘bucket-drop’ (vgl. ECLI:NL:ORBBNAA:1994:BU4762 en ECLI:NL:ORBBNAA:2004:BT7674). Met betrekking tot slotmachines met een ‘billacceptor’ is voor Aruba de heffingsgrondslag naar aanleiding van de uitspraak van 16 november 2004 van de Raad van Beroep (ECLI:NL:ORBBNAA:2004:BT8847) bepaald op minimaal 1,55 x de slotwin. Uit deze jurisprudentie kan niet worden afgeleid dat onder ‘bruto-bedrag der ontvangsten’ moet worden verstaan het door de heffingsambtenaar gehanteerde ‘totaal bedrag van de inleggen’.

4.5.2

De heffingsambtenaar heeft gewezen op de brief van 2 juni 2017 van Het Hoofd afdeling Financiën waarin de toezegging zou zijn opgezegd. Daarin is – voor zover van belang – het volgende vermeld:

“Op 1 januari 2013 is de Eilandsverordening speelvergunningsrecht hazardspelen Bonaire in werking getreden. Bekend making is geschied middels afkondigingsblad AB 2012 nr. 8.

Artikel 1 sub 2 bepaalt het tarief van het speelvergunningsrecht op 1,5% van het bruto-bedrag der ontvangsten van de vergunninghouder. Onder het bruto-bedrag der ontvangsten wordt mede begrepen de niet geïncasseerde speelschulden.

Het speelvergunningsrecht wordt per kwartaal van het boekjaar van de vergunninghouder geheven. (…)

Het Openbaar Lichaam Bonaire stelt zich op het punt dat de afdrachten conform de rechtsgeldige basis moeten plaatsvinden, reden waarom U wordt verzocht om alsnog de aanvullende aangiften te doen plaatsvinden op basis van de bruto opbrengst van de ontvangsten voor de periode 2013 tot en met april 2017 alsook de verschuldigde speelvergunningsrechten te voldoen, uiterlijk op 30 juni 2017.”

Dit schrijven kan niet als een opzegging worden beschouwd. Immers daarin wordt slechts de wetgeving geciteerd waaruit – zoals hiervoor is overwogen – niet volgt de heffingsmaatstaf die door de heffingsambtenaar wordt verdedigd. Indien wel sprake is van een rechtsgeldige opzegging, dan dient het alleen voor de toekomst te gelden, derhalve voor materiele belastingschulden die na de opzegging zijn ontstaan.

4.5.3

Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt derhalve. Het speelvergunningsrecht wordt ingevolge artikel 2 ESH bij wege van voldoening op aangifte geheven. Belanghebbende heeft overeenkomstig de toezegging speelvergunningsrecht afgedragen. Nu niet te weinig speelvergunningsrecht is afgedragen, dienen de naheffingsaanslagen te worden vernietigd.

5 PROCESKOSTENVERGOEDING EN GRIFFIERECHT

5.1

Het Gerecht ziet aanleiding voor een vergoeding van de proceskosten.

Ingevolge artikel 8:115a Belastingwet BES worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De regels over de (hoogte van de) vergoeding zijn neergelegd in het Uitvoeringsbesluit Belastingwet BES.

5.2

In artikel 5.1 van dit Uitvoeringsbesluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op USD 782 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt USD 391, wegingsfactor 1).

5.3

Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 8:104, lid 4, Belastingwet BES het betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

6 DE BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslagen;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrag van USD 782; en

- draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van USD 30 te vergoeden.

Deze uitspraak is gegeven door mr. D.J. Jansen, rechter in dit gerecht, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 mei 2019, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………….. aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Plasa Reina Wilhelmina (Fort Oranje)

Kralendijk

Bonaire

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie: belastinggriffie@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van USD 60 verschuldigd.