Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEABES:2018:51

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
28-11-2018
Datum publicatie
13-02-2020
Zaaknummer
BON201800592
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bevel verplaatsing jacht naar een plek buiten de jachthaven toegewezen – tekortkoming in de nakoming

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

Burgerlijke zaken over 2018

registratienummer: BON201800598

datum uitspraak: 28 november 2018

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van

de naamloze vennootschap Bonaire Werf en Jachthaven N.V.,

gevestigd te Bonaire,

eiseres, hierna: BWJ,

gemachtigde: mr. R.T.J.M. Oomen,

tegen

[gedaagde],

wonende te Bonaire,

gedaagde,

gemachtigde: mr. R.E. Martis.

Het procesverloop

1. Het procesverloop blijkt uit:

  • -

    het kort geding-verzoekschrift, ingekomen op 17 oktober 2018,

  • -

    de eis in reconventie, ingekomen op 13 november 2018,

  • -

    de mondelinge behandeling d.d. 14 november 2018, waarbij beide partijen pleitnota’s hebben overgelegd.

De zaak is vervolgens verwezen voor vonnis, waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

De feiten

2. BWJ is eigenaar van de Harbour Village Marina, een jachthaven ter hoogte van het Harbour Village Beach Resort, dat eigendom is van de Harbour Village Beach Club N.V. (hierna: HVBC).

3. [ [gedaagde] huurt, door middel van opvolgende huurovereenkomsten, sedert 2011 van BWJ een ligplaats in de jachthaven voor zijn motorjacht [naam].

4. [ [gedaagde] heeft begin januari 2012 toestemming gekregen om zijn jacht af te meren aan de hotelpier in de jachthaven (de pier die grenst aan appartementen van het Harbour Village Beach Resort). In de op 3 januari 2012 aan hem gezonden mail staat:

(...) With regards, to the docking the boat at the hotel Dock, we can allow you to do so (...) but again, we reserve the right to change on short notice, as this is a Special Condition for limited time. (...)

5. [ [gedaagde] is sinds [datum] eigenaar van twee appartementsrechten op de bovenverdieping van het pand [naam] in het resort. Dit pand grenst aan de hotel-pier.

6. Aan [gedaagde] is meegedeeld dat zijn jacht eind augustus 2013 de hem toegewezen ligplaats aan de hotelpier moest verlaten. Dat heeft hij niet gedaan; hij heeft zijn jacht aan de hotelpier ter hoogte van zijn appartementen aangemeerd.

7. Tijdens de eerste mondelinge behandeling van een door BWJ (en HVBC) op 11 september 2013 ingediend kort geding-verzoekschrift hebben de partijen afgesproken dat [gedaagde] zijn jacht naar een andere ligplaats zou verplaatsen. Dat heeft hij gedaan.

8. [ [gedaagde] heeft bij een op 4 april 2014 ingekomen verzoekschrift gevorderd dat BWJ moet gedogen dat hij zijn jacht aanlegt en afgemeerd houdt aan de hotelpier. Die vordering is bij vonnis van dit gerecht van 27 mei 2015 afgewezen, met de volgende motivering:

17. (...) Het is de Jachthaven die de ligplaatsen verdeelt en die daarbij tal van afwegingen heeft te maken. Eiser heeft geen “eigen recht” op het gebruik van juist deze ligplaats voor zijn appartementen in de vorm van een afspraak met de Jachthaven. In feite is dat in dit geding ook niet langer door hem aangevoerd.

18. Eiser heeft op enig moment in het verleden wel een tijdelijke, korte toestemming voor het gebruik van die ligplaats verkregen, maar daaraan is een einde gekomen en die toestemming is niet verlengd. Eiser is daarvan op de hoogte en zal hiermee moeten leven.

19. Eiser heeft dus niet de vrijheid om naar eigen goeddunken zijn boot af te meren waar hij dat wil. Het toekenningsbeleid van de Jachthaven maakt hier de dienst uit en eiser heeft zulks te accepteren. De Jachthaven heeft tal van belangen af te wegen bij de toekenning van ligplaatsen, waaronder naast commerciële ook bereikbaarheid, veiligheid, uitzicht en mogelijke overlast. Niet is gebleken dat de Jachthaven bij dat toekenningenbeleid onrechtmatig jegens eiser heeft gehandeld of handelt. Duidelijk moge zijn dat eiser dat toekenningenbeleid niet kan doorkruisen door een simpel beroep op het gelijkheidsbeginsel, te weten met een concreet geval waarbij het de eigenaar van een appartement wel is vergund om diens boot voor het appartement neer te leggen. Hierbij verdient vermelding dat eiser geen begane grond appartementen heeft, en de op de begane grond wonende bewoner van dat appartement door een of meer grote schepen het uitzicht bijna geheel kan gaan verliezen. De Jachthaven heeft soms ook daarmee rekening te houden, ter voorkoming dat zij jegens derden mogelijk onrechtmatig gaat handelen. (...)

9. De laatste huurovereenkomst dateert van [datum] en is geëindigd per [datum].

10. Op 11 september 2018 is [gedaagde] een kort geding tegen BWJ gestart teneinde te bereiken, samengevat, dat de catamaran naast zijn - op ligplaats [nummer] gelegen - boot daar niet meer zou liggen, omdat naar zijn mening die catamaran de doorvaart voor zijn jacht blokkeerde of onveilig maakte. De partijen hebben in deze procedure ter zitting van 9 oktober 2018 een minnelijke regeling bereikt, waarin is afgesproken:

1. Wanneer in de jachthaven plaats [nummer} vrijkomt, zal de boot van [gedaagde] naar die plaats worden verplaatst. BWJ verplicht zich uiterlijk volgende week de mogelijkheid daartoe te bieden.

2. [ gedaagde] accepteert dat op die plaats een boot naast de zijne met de omvang van de litigieuze catamaran kan komen te liggen.

3. [ gedaagde] ondertekent nog deze werkweek een contract met ingang van 1 oktober 2018. Daarbij, en ook in de volgende contracten, wordt uitgegaan van een lengte van 41 voet.

4. [ gedaagde] betaalt uiterlijk deze werkweek US$ 1.665 als achterstallige huur tot en met september 2018 aan BWJ.

11. Namens [gedaagde] is op 11 oktober 2018 aan [naam] van) BWJ geschreven:

Amper een dag ná de zitting, op 10 oktober 2018. wordt cliënt wederom geconfronteerd met een situatie, waar hij juist de rechter in de eerste plaats voor heeft geadieerd. Er zijn twee boten in de plaats van de catamaran gekomen, waardoor cliënt terug is bij af, want hij kan weer niet veilig weg en moet wachten tot volgende week voor een oplossing, terwijl de Bonaire Regatta 2018 van start gegaan is.

Client heeft gezien de situatie die zich thans voordoet geen vertrouwen meer dat de problemen tussen partijen onderling zijn opgelost. Een duidelijk teken kreeg hij bij zijn poging met u vrede te sluiten bij de zitting op 09 oktober 2018. Hij heeft twee keer zijn hand naar u uitgestoken voor het sluiten van vrede, u heeft tot twee keer toe geweigerd zijn hand te schudden.

Client zal niet meer meewerken aan de verhuizing naar plaats [nummer] en zal zijn boot houden op de huidige ligplaats. Client zal wel voldoen aan de andere voorwaarden van de vaststellingsovereenkomst (...).

12. Op 12 oktober 2018 heeft de DockMaster van de jachthaven [gedaagde] gemaild:

I have received a copy of the court agreement signed by you on October 9. In order to comply with this agreement, we made some changes in the marina and we would like to inform you that slip [nummer] will be available for you on Monday, October 15th. Please relocate your boat to slip [nummer] on Monday as agreed. After you have moored your boat to [nummer], you need to stop by the office to sign the new dockage agreement and settle your account.

13. Namens BWJ is bij brief van 14 oktober 2018, in antwoord op de brief van 11 oktober 2018, aan de raadsman van [gedaagde] geschreven:

Uw cliënt wordt middels dit schrijven verzocht - en zo nodig aangemaand - om zijn boot morgen, maandag 15 oktober 2018, op ligplaats [nummer] aan te meren en daarna het nieuwe contract te ondertekenen en de bedragen te betalen zoals afgesproken in de vaststellingsovereenkomst.

Cliënte heeft intussen vastgesteld dat uw cliënt niet voldaan heeft aan het gestelde onder punt 4 van de vaststellingsovereenkomst. Uw cliënt is mitsdien reeds in gebreke met de nakoming van de vaststellingsovereenkomst. Cliënte zal geen contract met uw cliënt ondertekenen, indien uw cliënt de vaststellingsovereenkomst niet volledig nakomt.

14. Hierop is namens [gedaagde] bij mail van 15 oktober 2018 aan BWJ gereageerd:

Client heeft middels de brief van 11 oktober 2018 aangegeven zijn boot niet naar ligplaats [nummer] te zullen verplaatsen, maar zal wel voldoen aan de overige tussen partijen overeengekomen punten van de vaststellingsovereenkomst van 9 oktober 2018.

Client heeft nog niet kunnen voldoen aan punt 4 van de vaststellingsovereenkomst omdat hij simpelweg geen factuur van uw cliënte heeft ontvangen. Client betaalt zoals te doen gebruikelijk op basis van een factuur. De betaling zal ook deze keer, zoals de afgelopen 7 en een half jaar op basis van een factuur geschieden. Uw cliënte wordt verzocht de factuur aan mijn cliënt te doen toekomen. (...)

Uw cliënte heeft inderdaad de catamaran niet terug gezet, maar daarvoor in de plaats twee "monohull" boten en dat is nog erger dan een catamaran. Deze twee boten nemen in de breedte samen meer plaats in dan een catamaran. Dit geschiedt amper 12 uren na het bereiken van een akkoord. Uw cliënte heeft de mijne met ingelicht over zijn stappen. Er waren op dat moment voldoende vrije ligplaatsen. (...)

De bovengenoemde actie van uw cliënte heeft mijn cliënt doen besluiten zijn boot niet te verplaatsen. Client vindt het genoeg geweest en is heel erg bezorgd. Hij heeft totaal geen vertrouwen meer dat de problemen tussen partijen onderling zullen worden opgelost met de verplaatsing van zijn boot naar [nummer].

Het feit dat uw cliënte op 9 oktober jongstleden tot twee keen toe geweigerd heeft zijn hand te schudden was een duidelijke indicatie. (...)

15. De directeur van BWJ heeft [gedaagde] op 7 november 2018 gemaild:

Despite a letter from our lawyer dated October 14, 2018, putting you on a notice that if you have not moored your boat at slip [nummer] by Monday October 15, 2018, your boat would be removed from the marina, you still refused to comply.

We have waited long enough. Because of your continuous disregard of the rules of the marina and your refusal to abide by the settlement agreement of October 9, 2018. Bonaire Werf and Jachthaven N.V. will not enter into a new agreement with you regarding the mooring of your boat in our marina.

16. BWJ heeft tijdens de mondelinge behandeling de vaststellingsovereenkomst van 9 oktober 2018 ontbonden wegens wanprestatie door [gedaagde].

Het geschil

17. BWJ vordert in conventie, samengevat, om [gedaagde] te bevelen binnen 3 dagen na dit vonnis zijn jacht te verplaatsen naar een ligplaats buiten de jachthaven van BWJ en hem te verbieden om na vertrek van zijn boot uit de jachthaven zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van BWJ enige aan hem toebehorende boot in de jachthaven aan te meren, zulks op straffe van een dwangsom.

18. [ [gedaagde] vordert in reconventie BWJ te bevelen:

  1. waarschuwingen van de havenautoriteiten inzake de veiligheidssituatie rond de boot van [gedaagde] steeds in acht te nemen en door deze autoriteiten gegeven aanwijzingen en instructies steeds onvoorwaardelijk op te volgen, en

  2. binnen 3 dagen na dit vonnis voor de boot van [gedaagde] een ligplaats aan de hotelpier van de jachthaven beschikbaar te stellen, zulks op straffe van een dwangsom.

19. De partijen voeren over en weer gemotiveerd verweer.

De beoordeling

in conventie en in reconventie

20. Naar het oordeel van het gerecht is er sprake van een voldoende spoedeisend belang, aangezien volgens de stellingen van BWJ het jacht van [gedaagde] zonder recht of titel een ligplaats in de jachthaven bezet houdt en (desondanks) tussen de partijen steeds discussies ontstaan over de toelaatbaarheid van vaartuigen naast dat jacht, onder meer wegens de veiligheidsrisico's.

20. Het gerecht zal de vorderingen in conventie en in reconventie onder b samen behandelen, nu deze vorderingen allemaal betrekking hebben op de vraag of [gedaagde] zijn jacht nog in de jachthaven van BWJ mag houden, en zo ja: op welke ligplaats.

20. De partijen hebben ter gelegenheid van de mondelinge behandeling op 9 oktober 2018 in de door [gedaagde] aangespannen kort geding-procedure uitgebreid onderhandeld om alsnog een minnelijke regeling te bereiken. Verreweg de meeste aandacht ging daarbij uit naar de ligplaats voor zijn jacht, waarbij een rol speelde of daarnaast een catamaran zou kunnen komen te liggen. Daarbij is [gedaagde] de keuze geboden tussen drie ligplaatsen, waaronder een ligplaats waar hij geen boten naast zijn jacht zou krijgen. [gedaagde] heeft uiteindelijk gekozen voor ligplaats [nummer]. De verplaatsing van zijn jacht naar die ligplaats is vastgelegd in punt 1 van de vaststellingsovereenkomst, die de partijen, na een zitting van ca. 3 uur, hebben gesloten.

Al op 11 oktober 2018 heeft [gedaagde] BWJ meegedeeld niet aan deze verplaatsing mee te werken, op 15 oktober heeft hij dat bevestigd en in deze procedure blijft hij bij zijn standpunt en vordert in reconventie een verplaatsing van zijn jacht naar de hotelpier.

Het gerecht overweegt dat uit punt 1 van de vaststellingsovereenkomst volgt dat beide partijen moeten meewerken aan een verplaatsing van het jacht van [gedaagde] naar ligplaats [nummer]. Door de weigering van [gedaagde] om daaraan mee te werken, handelt hij dus in strijd met een op hem rustende verbintenis.

BWJ beroept zich bij haar ontbinding op deze tekortkoming.

Ingevolge art. 6:265 BW BES geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een verbintenis aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Dat laatste is door [gedaagde] niet aangevoerd, en is ook volgens het gerecht niet het geval. [gedaagde] schiet immers tekort in de uitvoering van een essentiële, op hem rustende verbintenis van de vaststellingsovereenkomst. BWJ kon dus overgaan tot ontbinding van de vaststellingsovereenkomst.

23. Overigens schoot naar het oordeel van het gerecht [gedaagde] ook in andere opzichten tekort. Zo heeft hij niet, zoals afgesproken in punt 4 van de vaststellingsovereenkomst, tijdig (uiterlijk op 12 oktober 2018) het bedrag van US$ 1.665 aan BWJ overgemaakt, terwijl dat wel mogelijk was. Dat BWJ hem daarvoor eerst een factuur moest sturen, was niet afgesproken en overigens ook niet nodig.

Voorts heeft [gedaagde] ook niet, zoals afgesproken in punt 3 van de vaststellingsovereenkomst, een contract met ingang van 1 oktober 2018 getekend. Uit de overeenkomst vloeit voort dat een huurovereenkomst zou moeten worden getekend met als ligplaats B-41, als ingangsdatum 1 oktober 2018 en een nieuw tarief, behorende bij een jacht met een lengte van 41 voet. [gedaagde] beroept zich op een door hem 15 oktober 2018 ondertekend "Boat Space Rental Agreement # 291" (productie 23) - een door BWJ opgesteld document dat was bestemd om te gelden vanaf 1 juli 2018 - maar:

  1. dit document betreft ligplaats [nummer 2] in plaats van de in de vaststellingsovereenkomst afgesproken ligplaats [nummer],

  2. in het document is weliswaar de ingangsdatum van 1 juli 2018 gewijzigd, maar niet in de in de vaststellingsovereenkomst afgesproken datum van 1 oktober 2018, maar in 15 oktober 2018,

  3. in het document is, conform de vaststellingsovereenkomst, de lengte van het jacht in 41 voet gewijzigd, maar is niet de daarmee corresponderende verhoging van het tarief verwerkt,

  4. [gedaagde] heeft onderaan de overeenkomst de aantekening "Owner's vessel shall not be removed to another slip or deck without the owner's approval" toegevoegd,

en, last but not least:

dit document is niet ondertekend door BWJ.

Gelet op de onder a tot en met d genoemde feiten is wel duidelijk is dat BWJ dit document niet zou tekenen en dat ook niet zou behoeven te doen. Gesteld noch gebleken noch aannemelijk is verder dat BWJ niet, zoals in de mail van de Dockmaster van 12 oktober 2018, een correcte overeenkomst ter ondertekening klaar had liggen.

24. Uit de ontbinding van de vaststellingsovereenkomst en het niet bestaan van een huurcontract volgt dat het jacht van [gedaagde] zonder recht of titel een ligplaats in de jachthaven van BWJ inneemt.

24. Vraag is nu of BWJ gehouden is een ligplaats te verhuren aan [gedaagde].1

Zo ja, dan is de vordering in conventie niet toewijsbaar en dient in reconventie te worden beoordeeld of zij gehouden is een ligplaats aan de hotelpier te verhuren.

Zo nee, dan zal [gedaagde] zijn jacht uit de jachthaven dienen te verwijderen en is vordering b in reconventie niet toewijsbaar.

26. Het gerecht stelt daarbij voorop dat [gedaagde] een groot belang heeft bij een ligplaats voor zijn jacht in de jachthaven van BWJ, omdat hij daar woont. BWJ heeft daarmee rekening te houden, maar dat betekent niet dat zij onder alle omstandigheden ook gehouden is [gedaagde] een ligplaats in haar jachthaven te verhuren, zeker niet nu Bonaire nog twee jachthavens heeft waar [gedaagde] een ligplaats kan huren.

Het gerecht overweegt dat [gedaagde] de vaststellingsovereenkomst niet is nagekomen op gronden die hem volledig zijn toe te rekenen. Als het al zo is dat de nabijheid van de twee "monohull" boten die na het sluiten van die overeenkomst naast zijn jacht zijn komen te liggen, nog bezwaarlijker was dan die van de eerder daar gelegen catamaran (wat BWJ betwist, net als zij betwist dat er geen ruimte was voor de catamaran naast [gedaagde]’s jacht), dan nog vormde dit geen deugdelijke reden om zijn jacht niet zoals afgesproken enkele dagen later naar ligplaats [nummer] te verplaatsen.

Hetzelfde geldt voor de weigering van Frank Gonzalez van BWJ om na de mondelinge behandeling op 9 oktober 2018 [gedaagde] de hand te schudden. [gedaagde] mag dat onfatsoenlijk vinden, maar onrechtmatig is het niet, en hoe dan ook vormt het geen rechtvaardiging om de vaststellingsovereenkomst niet na te komen.

[gedaagde] voert, verwijzende naar eerdere conflicten met BWJ (en HVBC), aan dat de leiding van BWJ (en HVBC) het op hem en zijn familie gemunt heeft en hem en zijn familie discrimineert, maar hoewel duidelijk is dat de contacten tussen de leiding van BWJ en [gedaagde] inmiddels volledig verziekt zijn, is in deze procedure, net als in de procedure die leidde tot het vonnis van 27 mei 2015, niet gebleken dat BWJ bij de toekenning van ligplaatsen onrechtmatig jegens hem handelt.

Het gerecht overweegt verder dat [gedaagde] al vanaf het begin probeert voor zijn jacht een ligplaats aan de hotelpier te krijgen. Dat heeft BWJ hem in 2012 toegestaan, maar expliciet voor een beperkte tijd. Desondanks heeft [gedaagde] in 2013 geweigerd te voldoen aan de aanwijzing van BWJ om zijn jacht te verplaatsen van aan de hotelpier naar een niet aan de hotelpier gelegen ligplaats. Pas na het aanspannen van een kort geding heeft hij dat gedaan. [gedaagde] heeft in 2014 in rechte getracht alsnog af te dwingen dat hij voor zijn jacht een ligplaats aan de hotelpier krijgt, maar in het vonnis van 27 mei 2015 is duidelijk bepaald dat het aan BWJ is om te bepalen wie welke ligplaatsen krijgt en dat, nu niet gebleken is dat BWJ daarbij onrechtmatig jegens hem handelt, [gedaagde] dat heeft te accepteren.

Die door het gerecht geboden duidelijkheid was voor [gedaagde] kennelijk niet duidelijk genoeg. Immers, als klap op de vuurpijl vordert hij thans wederom dat zijn jacht een ligplaats aan de hotelpier krijgt, terwijl gesteld noch gebleken is dat er ook maar iets is gewijzigd ten opzichte van de situatie in 2014/2015.

[gedaagde] voert aan geen vertrouwen te hebben in (de leiding van) BWJ, maar het omgekeerde geldt ook, en niet zonder grond: [gedaagde] komt immers zonder goede reden belangrijke afspraken in de vaststellingsovereenkomst niet na en legt zich bovendien niet neer bij de rechtsverhouding zoals die is bepaald in het vonnis van dit gerecht van 27 mei 2015, hetgeen weer leidt tot nieuwe geschillen.

Dit alles in aanmerking genomen kan naar het oordeel van het gerecht inmiddels van BWJ naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet worden verwacht dat zij opnieuw een ligplaats aan [gedaagde] verhuurt.

27. Uit het voorgaande volgt dat de hoofdvordering in conventie zal worden toegewezen, zij het dat volstaan zal worden met een bevel tot verwijdering van het jacht uit de jachthaven van BWJ, aangezien gesteld noch gebleken is van een belang van BWJ bij wat méér is gevorderd, namelijk een bevel om het jacht elders een ligplaats te verschaffen.

Het gerecht zal verder [gedaagde] wat meer tijd gunnen dan de gevorderde drie dagen, teneinde hem in staat te stellen elders op Bonaire een ligplaats voor zijn jacht te zoeken.

28. Het gerecht ziet verder, zoals gevorderd, aanleiding voor sanctionering met een dwangsom, zij het dat die wordt gematigd en gemaximeerd.

28. Uit het voorgaande volgt ook dat de vordering in reconventie onder b zal worden afgewezen. Voorts heeft [gedaagde], nu hij zijn jacht moet verwijderen uit de jachthaven, geen belang meer bij zijn vordering in reconventie onder a. Die zal daarom ook worden afgewezen.

28. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding. In conventie begroot het gerecht de kosten aan de zijde van BWJ op US$ 2063,58 (US$ 251 griffierechten, US$ 136,58 kosten oproeping en US$ 1.676 salaris gemachtigde) en in reconventie op US$ 419 aan salaris gemachtigde.

De beslissing


Het gerecht:

in conventie

1. beveelt [gedaagde] om binnen 2 weken na betekening dit vonnis zijn jacht [naam] met toebehoren te verwijderen uit de jachthaven van BWJ en verbiedt hem om na die verwijdering enige aan hem toebehorende boot zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van BWJ in de jachthaven van BWJ aan te meren, zulks op straffe van een dwangsom van € 2.000 per dag of deel van een dag dat hij in strijd met het bevel of verbod handelt, dit tot een maximum van US$ 250.000,

2. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het geding, aan de zijde van BWJ begroot op US$ 2063,58,

3. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

4. wijst het gevorderde af,

5. veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, aan de zijde van BWJ begroot op US$ 419,

in conventie en in reconventie

6. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.F. Gerard, rechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 november 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.

1 De uitkomst van deze procedure zou dezelfde zijn geweest als de aaneenschakeling van huurovereenkomsten als een duurovereenkomst zou moeten worden aangemerkt.