Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEABES:2018:50

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
11-12-2018
Datum publicatie
23-08-2019
Zaaknummer
EUX201800063 / EUX 00059/2018
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

“Optreden ter zitting buitenlandse gemachtigde. Tijdelijke wet taakverwaarlozing Sint Eustatius niet in strijd met het Handvest van de Verenigde Naties. Full measure of self-governement is bereikt. Sint Eustatius heeft zelfbeschikkingsrecht uitgeoefend en uit vrije wil gekozen toe te treden tot het Nederlands staatsbestel. Rassendiscriminatie is niet aannemelijk gemaakt. Geen onrechtmatig handelen Staat der Nederlanden.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Zittingsplaats Sint Eustatius

Zaaknummer: EUX201800063 / EUX 00059/2018

Datum: 11 december 2018

VONNIS IN KORT GEDING

In de zaak van:

  1. Clyde Ivan VAN PUTTEN,

  2. Rechelline Mururgia Candida LEERDAM, 3.Reuben Elroy MERKMAN,

4.Derrick Andre Uranus SIMMONS, 5.Charles Albertis WOODLEY,

allen wonende te Sint Eustatius,

6. PROGRESSIVE LABOR PARTY OF SINT EUSTATIUS,

gevestigd te Sint Eustatius, (hierna mede PLP te noemen), eisers,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties),

zetelende te ’s-Gravenhage, Nederland, gedaagde,

gemachtigden: mr. C.R. Rutte en mr. J.W.H. van Wijk.

1 Het verloop van het kort geding

1.1.

Op 31 oktober 2018 hebben eisers een verzoekschrift met producties ingediend. Op 19 november 2018 hebben beide partijen nog nadere producties in het geding gebracht.

1.2.

Op 20 november 2018 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek in kort geding plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen. Ter zitting is door eisers bezwaar gemaakt tegen het optreden van mr. Van Wijk als gemachtigde van gedaagde, omdat hij geen woonplaats in de BES heeft. Dat bezwaar is door het Gerecht verworpen, omdat ingevolge artikel 52 lid 1 van de Advocatenwet BES gelezen in samenhang met artikel 22 Rv (jo. art. 20 en 23 Rv) een redelijke wetstoepassing van artikel 22 Rv meebrengt dat gemachtigde in de zin van dat artikel niet beperkt is tot advocaten als bedoeld in artikel 52 lid 1 Advocatenwet BES. Dat is in lijn met de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van 3 juni 2016 (ECLI:NL:OGHACMB:2016:34) en van 16 november 2018 (EUX2017H0002). Daar komt bij dat ingevolge artikel 28b van het toepasselijke Procesreglement het Gerecht in bijzondere gevallen een advocaat die niet bij het hof is ingeschreven als gemachtigde in een zaak kan toelaten, mits

deze advocaat samenwerkt met een bij het hof ingeschreven advocaat. Daarvan is in casu sprake. Vervolgens hebben partijen mede aan de hand van pleitnotities hun standpunten naar voren gebracht.

1.3.

Op heden is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 24 mei 2017 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties een commissie van wijzen (hierna: de Commissie) ingesteld om onderzoek te doen naar het functioneren van het openbaar lichaam Sint Eustatius. Op 5 februari 2018 heeft de Commissie haar rapport gepresenteerd.

2.2.

Op dat moment zijn eisers sub 1 tot en met sub 3 leden van de Eilandsraad van Sint Eustatius. Eisers sub 4 en sub 5 zijn op dat moment leden van het Bestuurscollege van Sint Eustatius.

2.3.

In zijn brief van 5 februari 2018 aan de Tweede Kamer heeft staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties de heer R.W. Knops (zie Kamerstukken II 2017/2018, 31 568, nr. 196, pag. 1,2) de bevindingen van de Commissie als volgt samengevat:

“De commissie stelt vast dat Sint Eustatius op zowel sociaaleconomisch als fysiek terrein in sterk verwaarloosde staat verkeert. Het eiland kampt met vraagstukken als armoede, werkloosheid, gebrek aan economische ontwikkeling, jeugd- en gezinsproblemen, erosie, en onvoldoende afvalverwerking. De kwaliteit van de infrastructuur, van het woningbestand en van overheidsgebouwen is veelal slecht. Veel van de Statianen die met de commissie gesproken hebben, maken zich zorgen over de verwaarloosde staat van het eiland.

Daarnaast heerst er een ongunstig ondernemings- en investeringsklimaat, met elementen van willekeur. Lokale belastingen worden wel geheven, maar niet altijd geïnd en toezicht en handhaving worden selectief toegepast. De vergunningverlening en andere procedures kennen een lange doorlooptijd en soms een discriminatoire uitkomst. Door de orkanen van september jl. is de toeristensector onder druk komen te staan, en zijn de prijzen flink gestegen. Ondernemers achten een gesprek met de overheid zinloos, of zijn bang dat kritiek tot repercussies zal leiden.

Vanuit verschillende instituties wordt opgemerkt dat het Statiaanse bestuur niet geïnteresseerd is in zaken als natuur, cultuur of economische ontwikkeling. Geldstromen blijven uit. Bovendien nemen ze een tendens waar, waarbij het bestuur uitbestede taken in eigen beheer wil nemen, ongeacht of het daartoe de benodigde expertise heeft.

Op bestuurlijk vlak wordt de situatie gekenmerkt door wetteloosheid, financieel wanbeheer, het negeren van ander wettelijk gezag, discriminatie, intimidatie en het nastreven van persoonlijke macht. In het bestuurscollege noch in de eilandsraad worden de voorgeschreven besluitvormingsprocessen gevolgd. De eilandsraad controleert niet, maar is vervloeid met het bestuurscollege. Het bestuurscollege functioneert niet als college. De twee gedeputeerden laten zich sturen door één van de (voormalige) fractievoorzitters van de eilandsraad. Op hun beurt zijn zij van mening dat de gezaghebber moet doen wat zij willen.

De onderlinge verhoudingen binnen het bestuurscollege en tussen de coalitie en de oppositie zijn ernstig verstoord. Tussen het Nederlandse bestuur en het bestuur van Sint Eustatius zijn de verbindingen vrijwel geheel verbroken. In de eilandsraad zijn per motie de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en

Saba (WolBES) en de Wet financiën openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (FinBES) in de ban gedaan. De goedkeuringsprocedure met betrekking tot personele beslissingen wordt niet langer gevolgd en in- en toestemmingsprocedures evenmin.

Ter legitimatie van zijn gedrag beroept het bestuur zich op het recht op zelfbeschikking en de daaruit voortvloeiende bestuurlijke autonomie. Het verlangen naar meer autonomie is volgens de commissie nog te rechtvaardigen, maar de invulling daarvan behoort de uitkomst van een debat te zijn en niet het eenzijdige dictaat van een eilandsbestuur. Alle burgers die met de commissie spreken hebben kritiek op het lokale bestuur. Het gedrag van het huidige bestuur wordt ervaren als «destructief» en «erger dan ooit».

De commissie constateert dat het bestuur van Sint Eustatius zich heeft afgewend van de bestaande rechts- en staatsorde en niet meer bereid is de eigenmachtig toegeëigende autonomie weer los te laten. Er zijn volgens de commissie geen mogelijkheden meer om de bestuurlijke situatie in goed overleg te herstellen, nu het huidige bestuur van Sint Eustatius die weg door de wijze waarop het zich opstelt richting Nederland definitief heeft afgesloten.”

De staatssecretaris geeft verder aan dat de Commissie concludeert:

dat de mogelijkheden om de situatie te verbeteren door het benutten van de reguliere instrumenten zijn uitgeput. Gelet op de bestuurlijke wanorde op vrijwel alle terreinen en de wetteloosheid binnen het bestuur, constateert de commissie grove taakverwaarlozing. Daarop is maar één antwoord mogelijk, aldus de commissie: bestuurlijk ingrijpen door Nederland door de aanstelling van een regeringscommissaris op grond van artikel 132, vijfde lid, in samenhang met artikel 132a van de Grondwet.”

2.4.

Vervolgens heeft de regering het wetsvoorstel voor de Tijdelijke wet taakverwaarlozing Sint Eustatius (hierna: Tijdelijke wet) ingediend, welke wet op 7 februari 2018 in werking is getreden.

2.5.

Op grond van artikel 2 lid 1 van de Tijdelijke wet is de eilandsraad ontbonden, zijn de eilandgedeputeerden van hun functies ontheven en is de waarnemend gezaghebber eervol ontslagen. Op grond van het tweede lid van genoemd artikel zijn een regeringscommissaris en een plaatsvervangend regeringscommissaris benoemd. Ingevolge artikel 3 lid 1 van de Tijdelijke wet oefent de regeringscommissaris alle taken en bevoegdheden uit die in de Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: WolBES) of enige andere wet aan de eilandsraad, het bestuurscollege of de gezaghebber zijn opgedragen.

3 Het geschil in kort geding

3.1.

Eisers vorderen in kort geding gedaagde te bevelen eisers weer toe te laten tot hun kantoren waar zij hun ambt kunnen hervatten. Zij vorderen voorts gedaagde te bevelen zijn onrechtmatig handelen op te heffen en opgeheven te houden en de door hem aangestelde regeringscommissarissen onmiddellijk terug te trekken. En tot slot gedaagde te bevelen hangende de bodemprocedure zich te onthouden van handelingen in strijd met artikel 2, 73 juncto 103 Handvest VN en artikel 27 Weens verdrag inzake het verdragenrecht althans wetgeving of besluiten van welke aard dan ook op Sint Eustatius in te voeren. Een en ander op straffe van een te verbeuren dwangsom van US$ 1.000.000,00 te storten in de openbare kas van Sint Eustatius, voor elke dag dat gedaagde nalaat aan het te geven bevel te voldoen.

3.2.

Eisers leggen daaraan kort weergegeven het volgende ten grondslag.

Gedaagde handelt met het uitvaardigen en uitvoeren van de Tijdelijke wet in strijd met artikel 73 juncto 2 en 103 Handvest van de Verenigde Naties (VN Handvest) en artikel 26 en 27 van het Weens verdrag inzake het verdragenrecht. Gedaagde heeft geen rechtsmacht om wet- en regelgeving voor Sint Eustatius vast te stellen welke het recht op de “Volledige Staatkundige Emancipatie” van Sint Eustatius aantast. Verder heeft gedaagde in strijd met zijn eerdere verklaringen -gedaan op 18 januari 1952, 30 maart 1955 en 5 juli 2017- wetgeving tot stand gebracht die niet strookt met de in artikel 73 VN Handvest bedoelde “full measure of self-governement”. Ook is sprake van rassendiscriminatie.

3.3.

Gedaagde heeft verweer gevoerd en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van eisers in hun vorderingen dan wel afwijzing van die vorderingen met veroordeling van eisers in de kosten van deze procedure.

3.4.

Op hetgeen partijen overigens hebben aangevoerd zal hierna, voor zover voor de beoordeling relevant, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling in kort geding

4.1.

Voor wat betreft de ontvankelijkheid is het Gerecht ten aanzien van eisers sub 1 t/m 5 van oordeel dat zij in ieder geval in hun hoedanigheid van natuurlijk persoon of zoals ze het zelf noemen - “a titre personnel”- in hun vorderingen kunnen worden ontvangen. Zij hebben immers een rechtens te respecteren belang bij hun vordering die meer in het bijzonder het hervatten van hun ambt behelst. Voor wat betreft eiseres sub 6 -de politieke partij PLP- heeft te gelden dat ingevolge artikel 3:305a BW een stichting of een vereniging een rechtsvordering kan instellen die strekt tot bescherming van gelijksoortige belangen van andere personen, voor zover zij deze belangen ingevolge haar statuten behartigt. Dat PLP deze belangen ingevolge haar statuten behartigt, is gesteld noch gebleken. PLP zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vorderingen.

4.2.

Naar het oordeel van het Gerecht is de spoedeisendheid met de aard van het gevorderde gegeven. Daaraan kan in dit geval niet afdoen het argument van gedaagde dat eisers pas zes maanden na het in werking treden van de Tijdelijke wet een bodemprocedure hebben gestart.

4.3.

In dit kort geding ligt ter beoordeling of naar voorlopig oordeel zeer waarschijnlijk is dat de vordering in de bodemprocedure, die eisers op 23 augustus 2018 jegens gedaagde hebben aangespannen en waarin zij in grote lijnen hetzelfde vorderen als in dit kort geding, zal worden toegewezen. Als dat niet het geval is, moet het gevorderde worden afgewezen.

4.4.

Daartoe is allereerst aan de orde of het uitvaardigen en toepassen van de Tijdelijke wet, zoals door eisers gesteld, in strijd is met artikel 73 van het VN Handvest en daarmee onrechtmatig jegens eisers.

4.4.1.

In artikel 73 VN Handvest, opgenomen in Hoofdstuk XI "Declaration regarding non-self-governing territories", is in het kader van dit kort geding van belang hetgeen is bepaald onder de aanhef en onder b en e, te weten:

“Members of the United Nations which have or assume responsibilities for the administration of territories whose peoples have not yet attained a full measure of self-government recognize the principle that the interests of the inhabitants of these territories are paramount, and accept as a sacred trust the

obligation to promote to the utmost, within the system of international peace and security established by the present Charter, the well-being of the inhabitants of these territories, and, to this end:

b. to develop self-government, to take due account of the political aspirations of the peoples, and to assist them in the progressive development of their free political institutions, according to the particular circumstances of each territory and its peoples and their varying stages of advancement;

e. to transmit regularly to the Secretary-General for information purposes, subject to such limitation as security and constitutional considerations may require, statistical and other information of a technical nature relating to economic, social, and educational conditions in the territories for which they are respectively responsible other than those territories to which Chapters XII and XIII apply.”

4.4.2.

Het in artikel 73 VN Handvest bedoelde “full measure of self-government” (hierna: volledig zelfbestuur) kan blijkens VN-resolutie 1541 (XV) niet alleen worden bereikt door onafhankelijkheid, maar ook door vrije associatie met een onafhankelijke staat dan wel door integratie in een onafhankelijke staat.

4.4.3.

Sint Eustatius heeft als onderdeel van de Nederlandse Antillen in 1954 volledig zelfbestuur bereikt. Dat blijkt uit het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden (hierna: Statuut). Daarin is in de preambule onder meer opgenomen: “constaterende dat Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen in 1954 uit vrije wil hebben verklaard in het Koninkrijk der Nederlanden een nieuwe rechtsorde te aanvaarden, waarin zij de eigen belangen zelfstandig behartigen en op voet van gelijkwaardigheid de gemeenschappelijke belangen verzorgen en wederkerig bijstand verlenen, en hebben besloten in gemeen overleg het Statuut voor het Koninkrijk vast te stellen; (…)”.

4.4.4.

Vast staat dat de bevolking van Sint Eustatius als onderdeel van de Nederlandse Antillen bij de totstandkoming van het Statuut in 1954 haar in artikel 73 VN Handvest verankerde recht op zelfbeschikking heeft uitgeoefend. Zij heeft uit vrije wil gekozen geen onafhankelijke staat te worden doch als land onderdeel te worden van de in het Statuut neergelegde rechtsorde binnen het Koninkrijk. Daarmee hebben de Nederlandse Antillen, waaronder Sint Eustatius, de “full measure of self- government” bereikt als bedoeld in artikel 73 VN Handvest. Dat is ook in lijn met de door eisers bedoelde verklaring van 18 januari 1952 van minister Kernkamp en die van 30 maart 1955 van de Nederlandse vertegenwoordiger van de VN. Deze laatste verklaring wordt aangehaald door de Algemene Vergadering van de VN in resolutie 945 (X) van 15 december 1955, waarbij wordt overwogen dat “cessation of the transmission of information under Article 73e of the Charter in respect of the Netherlands Antilles is appropriate”. De verplichting tot het verstrekken van informatie als bedoeld in artikel 73 sub e VN Handvest is vanwege het uitoefenen van het recht op zelfbeschikking dus komen te vervallen. De Nederlandse Antillen komen na 1955 ook niet meer voor op de lijst van “non-self- governing territories” van de VN.

4.4.5.

Op grond van het voorgaande is het Gerecht vooralsnog van oordeel dat gedaagde kan worden gevolgd in zijn opvatting dat artikel 73 VN Handvest sedert de totstandkoming van het Statuut in 1954 niet meer van toepassing is op Sint Eustatius. Reeds daarom is de Tijdelijke wet daarmee niet in strijd. Dat geldt overigens ook, indien de conclusie zou moeten zijn dat artikel 73 VN Handvest nog wel van toepassing is. Daartoe is het volgende van belang.

4.4.6.

Niet in geschil is dat de bevolking van Sint Eustatius ook na de integratie van de Nederlandse Antillen in het Koninkrijk recht heeft behouden op zelfbeschikking. Dit zelfbeschikkingsrecht heeft Sint Eustatius in 2005-2006 ook uitgeoefend. Dat had tot resultaat dat het bestuurscollege van Sint Eustatius op 9 september 2010 de nieuwe status van openbaar lichaam heeft aanvaard. Sint Eustatius is vervolgens met de wijziging van 10 oktober 2010 van het Statuut deel gaan uitmaken van het staatbestel van Nederland. Dus zelfs als eisers zouden worden gevolgd in hun stelling dat artikel 73 VN Handvest nog wel van toepassing zou zijn, staat vast dat Sint Eustatius uit vrije wil heeft gekozen toe te treden tot het Nederlandse staatsbestel. De wijziging van het Statuut is daarmee tot stand gekomen met overeenkomstige toepassing van de eisen die het recht op zelfbeschikking stelt. De binnen het staatsbestel van Nederland geldende wettelijke voorschriften zijn daardoor onverkort van toepassing op Sint Eustatius. De Nederlandse wetgevende macht was dan ook bevoegd de op de Grondwet gebaseerde Tijdelijke wet vast te stellen. De Nederlandse regering is bevoegd die wet uit te voeren. Ook in dat opzicht is dus geen sprake van onrechtmatig handelen van gedaagde jegens eisers.

4.5.

De conclusie dat geen sprake is van strijdigheid met artikel 73 VN Handvest brengt tevens mee dat van schending door gedaagde van artikel 2 VN Handvest in samenhang met artikel 73 VN Handvest naar voorlopig oordeel evenmin sprake kan zijn. In artikel 2 VN Handvest is bepaald dat de VN en haar leden dienen te handelen overeenkomstig de daarin uiteengezette beginselen. Volgens eisers handelt gedaagde in strijd met - zo begrijpt het Gerecht – het onder sub 2 van dit artikel bedoelde beginsel, dat er op neerkomt dat de leden de verplichtingen die zij overeenkomstig het VN Handvest op zich hebben genomen, te goeder trouw dienen na te komen. Strijdigheid in samenhang met artikel 73 VN Handvest kan dus vooralsnog niet worden aangenomen. Dat anderszins sprake zou zijn van schending van het in artikel 2 sub 2 VN Handvest neergelegde beginsel is niet gesteld en ook overigens niet gebleken.

4.6.

Om diezelfde reden dient ook het beroep van eisers op de artikelen 26 en 27 van het Weens verdrag inzake het verdragenrecht te stranden. Deze bepalingen voorzien er in dat elk in werking getreden verdrag partijen verbindt en door hen te goeder trouw ten uitvoer wordt gelegd (art. 26) en dat een partij zich niet mag beroepen op de bepalingen van zijn nationale recht om het niet ten uitvoer leggen van een verdrag te rechtvaardigen (art. 27). Er is, zoals hiervoor reeds overwogen, naar voorlopig oordeel van het Gerecht geen sprake van strijdigheid met artikel 73 VN Handvest.

4.7.

De stelling dat gedaagde zou handelen in strijd met artikel 103 VN Handvest kan naar voorlopig oordeel evenmin doel treffen, nu deze bepaling ziet op strijdigheid tussen verplichtingen uit het VN Handvest ten opzichte van verplichtingen uit andere verdragen. Dat is thans niet aan de orde. In dit kort geding gaat het immers om de relatie van de Tijdelijke wet ten opzichte van het VN Handvest.

4.8.

Het door eisers gedane beroep op het EVRM en het IVBPR is niet nader onderbouwd, dus kan reeds daarom niet slagen.

4.9.

Resteert de kwestie omtrent de gestelde rassendiscriminatie als bedoeld in het Internationaal verdrag inzake uitbanning van rassendiscriminatie (IVRD). Eisers baseren hun claim vanwege rassendiscriminatie op de volgende drie incidenten.

4.9.1.

Allereerst is volgens eisers sprake van ongelijke behandeling van gelijke gevallen, omdat gedaagde in dit geval in strijd met artikel 73 VN Handvest de Tijdelijke wet tot stand brengt, terwijl hij in andere gevallen juist het recht op immuniteit van de VN handhaaft en verdedigt. Deze stelling kan niet slagen, omdat geen sprake is van strijdigheid met artikel 73 VN Handvest en evenmin is gebleken van ongelijke behandeling in gelijke gevallen.

4.9.2.

Het volgende incident betreft de brief van minister Plasterk van 5 juli 2017, waarin onder meer het volgende is opgenomen:

“Voor alternatieve posities van Sint Eustatius binnen het Koninkrijk verwijs ik naar mijn brief aan het bestuurscollege van 12 mei waarin uiteen is gezet dat daarvoor wijziging van het Statuut nodig is, met de instemming van de landen van het Koninkrijk, volgens de regels van artikel 55 van het Statuut. Een eenzijdige beslissing van Sint Eustatius kan daartoe niet leiden. Zoals ik in mijn brief van 12 mei aan u heb geschreven komt een alternatief feitelijk neer op de status van een min of meer autonoom land binnen het Koninkrijk waarbij er geen sprake is van begrotingssteun en het eiland dus geheel op eigen financiële inkomsten moet steunen. Gelet op de kleinschaligheid van Sint Eustatius en de huidige staat van het bestuur van het openbaar lichaam is de status van autonoom land binnen het Koninkrijk niet realistisch.”

Volgens eisers is deze laatste zinsnede, dat de status van autonoom land niet realistisch is, een veel voorkomend racistisch argument. Het Gerecht is met gedaagde van oordeel dat niet valt in te zien waarom dit standpunt van gedaagde zou getuigen van rassendiscriminatie.

4.9.3.

Tot slot het derde incident dat ziet op een passage uit het advies van de Raad van State inzake de Tijdelijke wet (Kamerstukken II 2017/18, nr. 4, pag. 6), waarin onder het kopje “Autonomievraagstuk” staat:

“De toelichting stelt dat het van belang is dat een meer inhoudelijk gesprek plaatsvindt over het autonomievraagstuk. De Afdeling onderschrijft het belang van een goede dialoog met Sint Eustatius over de positionering van het openbaar lichaam binnen het Nederlandse staatsbestel. Zij wijst er echter op dat voorkomen moet worden dat in de moeilijke situatie die nu op Sint Eustatius ontstaan is, verwachtingen worden gewekt die niet waargemaakt kunnen worden. Van bespreking van het autonomievraagstuk kan immers pas sprake zijn als vaststaat dat het bestuur van Sint Eustatius structureel in staat is om zijn taken naar behoren te vervullen.

De Afdeling adviseert in het licht daarvan de passage in de toelichting over een gesprek over het

autonomievraagstuk te schrappen.”

Volgens eisers is de zinsnede dat “voorkomen moet worden dat verwachtingen worden gewekt die niet waargemaakt kunnen worden”, een voorbeeld van rassendiscriminatie.

Ook hier is het Gerecht met gedaagde van oordeel dat, nog daargelaten dat niet valt in te zien waarom deze passage een voorbeeld zou zijn van rassendiscriminatie, deze stelling al niet kan slagen omdat gedaagde het advies van de Raad van State op dit punt niet heeft gevolgd. Het standpunt van gedaagde met betrekking tot het autonomievraagstuk (Kamerstukken II 2017/18, 34 877, nr. 3, pag.10) luidt namelijk:

“Met de commissie acht de regering het van belang dat een meer inhoudelijk gesprek plaatsvindt over het autonomievraagstuk, zowel onder de bevolking van Sint Eustatius als tussen Sint Eustatius en Europees Nederland. De commissie meent dat thans niet duidelijk is hoe de bevolking over dit vraagstuk denkt. Zowel de regeringscommissaris als de Staatssecretaris van BZK zal de totstandkoming van een dergelijk inhoudelijk gesprek bevorderen. Daarbij geldt de voorwaarde dat dit gesprek pas gevoerd kan worden wanneer alle gesprekspartners, inclusief de bevolking van Sint Eustatius, het gevoel hebben vrij te kunnen spreken. De uitkomst van het gesprek is niet noodzakelijkerwijs een grotere mate van

autonomie. Dat het kabinet een dergelijk gesprek op gang wil brengen, betekent niet dat Sint Eustatius een autonoom land binnen het Koninkrijk zou kunnen worden met behoud van begrotingssteun en zonder mogelijkheden tot toezicht vanuit het Koninkrijk, zoals het huidige bestuur voorstaat. Het kabinet deelt die visie niet.”

4.9.4.

Het voorgaande brengt naar voorlopig oordeel van het Gerecht mee dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van rassendiscriminatie of van schending van het IVRD.

4.10.

Slotsom is dat het naar voorlopig oordeel niet zeer waarschijnlijk is dat de vordering in de bodemprocedure zal worden toegewezen. Het gevorderde in kort geding wordt dan ook afgewezen. Eisers zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van gedaagde, tot op heden begroot op US$ 838,00 aan gemachtigdensalaris.

5 De beslissing in kort geding

Het Gerecht:

Ten aanzien van eiseres sub 6:

Verklaart eiseres sub 6 niet-ontvankelijk in haar vordering;

Ten aanzien van eisers sub 1 tot en met 5:

Wijst het gevorderde af;

Veroordeelt eisers sub 1 tot en met sub 6 hoofdelijk, des dat de een betalend de ander zal zijn bevrijd, in de kosten van deze procedure aan de zijde van gedaagde tot op heden begroot op US$ 838,00 aan gemachtigdensalaris.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.M. van der Burgt, rechter in dit Gerecht, en uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier op 11 december 2018.