Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEABES:2018:48

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
26-07-2018
Datum publicatie
25-07-2019
Zaaknummer
400.00082/18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

drugs, vwp) def

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 400.00082/18

Uitspraak: 26 juli 2018 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats],

wonende op [woonplaats],

thans alhier gedetineerd.

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 26 juli 2018. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. E.J. Winkel, advocaat op Bonaire.

De officier van justitie, mr. M. Boheur, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 22 maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest.

De raadsman heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder feit 2 ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde heeft hij zich gerefereerd aan het oordeel van het Gerecht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd:

feit 1:

dat hij op of omstreeks 11 april 2018, te Bonaire, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk in zijn bezit heeft gehad en/of heeft aangewend, in elk geval aanwezig heeft gehad 5.4 gram cocaïne, althans van enige bereiding van cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumwet 1960;

(artikel 3 jo. artikel 11 van de Opiumwet 1960 BES)

feit 2:

dat hij

op of omstreeks 11 april 2018, te Bonaire, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, voorhanden heeft gehad een (hand) vuurwapen of een ander soortgelijk voor bedreiging of afdreiging geschikt voorwerp en/of vijf (scherpe) patronen in elk geval een vuurwapen en/of munitie in de zin van de Vuurwapenwet BES;

(Artikel 3 jo 11 Vuurwapenwet BES)

Voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewezenverklaring

Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 en feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

feit 1:

dat hij op of omstreeks 11 april 2018, te Bonaire, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk in zijn bezit heeft gehad en/of heeft aangewend, in elk geval aanwezig heeft gehad 5.4 gram cocaïne, althans van enige bereiding van cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumwet 1960;.

feit 2:

dat hij op of omstreeks 11 april 2018, te Bonaire, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, voorhanden heeft gehad een (hand) vuurwapen of een ander soortgelijk voor bedreiging of afdreiging geschikt voorwerp en/of vijf (scherpe) patronen in elk geval een vuurwapen en/of munitie in de zin van de Vuurwapenwet BES;.

Bewijsmiddelen

Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.1 Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen op Bonaire.

1. Proces-verbaal van bevindingen, proces-verbaalnummer 2018004851-20180412-4610.doc, opgemaakt en op 12 april 2018 gesloten en ondertekend door [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisanten voornoemd:

Op 11 april 2018 omstreeks 22:15 uur kregen wij de melding dat er twee mannen rondliepen in [naam wijk], waarvan er één een vuurwapen bij zich had. Wij begaven ons daar naar toe en zagen twee mannen lopen die voldeden aan de signalementen. Op het moment dat ze ons zagen, begonnen ze hun looppas te versnellen. Een van de mannen herkende ik, verbalisant [verbalisant 3], als de man genaamd [medeverdachte]. [medeverdachte] kwam onze richting uit en de andere man sprong in de tuin van een woning. [ medeverdachte] is door ons aangehouden. Hij was in het bezit van een zwarte schoudertas, waarin enkele doorzichtige zakjes zaten. Vervolgens gingen we achter de andere man aan. Aan de voorkant van de woning gelegen te [adres 1] zag ik, verbalisant [verbalisant 1], de andere man. Hij klom over de poort van de woning gelegen te [adres 1] met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn hand. Hij rende door de tuin naar de achterkant van die woning en klom daar over de omheining van de woning weer de tuin uit. Wij gingen achter deze persoon aan en hij werd door ons aangehouden. Hij bleek te zijn genaamd [verdachte], Ik, verbalisant [verbalisant 1], ben teruggegaan om het op een vuurwapen gelijkend voorwerp waarmee ik [verdachte] had gezien, te zoeken. In de tuin van [adres 1], op de plek waar [verdachte]over het hek is gesprongen, heb ik een vuurwapen aangetroffen. Het vuurwapen is veiliggesteld.

2. Proces-verbaal van bevindingen onderzoek verdovende middelen, met bijlage, proces-verbaalnummer 20180411-002.A, opgemaakt en op 2 mei 2018 gesloten en ondertekend door [verbalisant 4], voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant:

Op 11 april 2018 werd te [naam wijk] een hoeveelheid vermoedelijk verdovende middelen inbeslaggenomen en ter beschikking gesteld voor onderzoek. Twee (2) plastiekzakjes met witkleurig poeder werden gewogen. Het netto gewicht bedroeg 5.4 gram. Er zijn twee monsters veiliggesteld voor verder onderzoek en voorzien van de SIN-nummers AADJ9851NL en AADJ9852NL.

3. Een geschrift, te weten een rapport Identificatie van veelvoorkomende drugs van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt door Ing. A.B.M. van Esch-de Bruin, voor zover inhoudende,

Resultaten en conclusie:

Het te onderzoeken materiaal met nummers AADJ9851NL en AADJ9852NL bevat cocaïne.

4. Proces-verbaal van bevindingen vuurwapen en munitie, proces-verbaalnummer 20180411-002, opgemaakt en op 16 april 2018 gesloten en ondertekend door [verbalisant 4], voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant:

Op 11 april 2018 werd een vuistvuurwapen aangetroffen op een perceel aan de [adres 1]. Het vuurwapen werd door mij inbeslaggenomen, veiliggesteld en gewaarmerkt met SIN-nummer AAFI4676NL. In de patroonhouder van het vuurwapen zaten vijf scherpe patronen. Het vuurwapen zal voor technisch onderzoek worden aangeboden aan het NFI.

5. Een geschrift, te weten een rapport wapen- en munitieonderzoek naar aanleiding van het aantreffen van een vuurwapen in Bonaire op 11 april 2018 van het Nederlands Forensisch Instituut, opgemaakt door E.J.A.T. Mattijssen, MSc, voor zover inhoudende:

Onderzoeksmateriaal SIN-nummer AAFI4676NL (een vuurwapen met patroonhouder en vijf patronen) is onderworpen aan een onderzoek. Het betreft een semi-automatisch werkend [wapenmodel]. Tijdens de proeven zijn er geen doorlaad-, aanvoer- of ontlaadstoringen waargenomen en enkele patronen konden op semi-automatische wijze worden verschoten.

6. Proces-verbaal van getuigenverhoor, opgemaakt en op 12 april 2018 gesloten en ondertekend door [verbalisant 5] en [verbalisant 6], voor zover inhoudende als verklaring van [getuige 1]:

Op 11 april 2018 was ik samen met vriendinnen bij [bedrijfsnaam 1]. Er kwamen twee jongens aanlopen. Een van hen riep dat hij ”[bijnaam medeverdachte]” is. De andere jongen met rasta haren en beugels in zijn mond droeg een zwarte schoudertas om zijn nek. “[bijnaam medeverdachte]” stak zijn hand in de tas die om de nek van de jongen met de rastaharen hing. Er viel iets grijs/zwarts vanuit de tas op de grond. “[bijnaam medeverdachte]” pakte het voorwerp van de grond en stopte dit terug in de tas. Toen wij later naar buiten liepen vroeg “[bijnaam medeverdachte]” aan ons of wij schoten wilde horen.

7. Proces-verbaal van getuigenverhoor, opgemaakt en op 12 april 2018 gesloten en ondertekend door [verbalisant 5] en [verbalisant 6], voor zover inhoudende als verklaring van [eigenaar bedrijfsnaam 1]:

Op 11 april 2018 was ik in mijn restaurant genaamd [bedrijfsnaam 1] aan het werk. Er kwamen twee jongens aan. Een van de jongens herkende ik als de jongen met de bijnaam “[bijnaam medeverdachte]”. De andere jongen had rastaharen en een beugel en hij droeg een zwarte tas. Ik zag dat “[bijnaam medeverdachte]” een voorwerp uit de tas van de man met de rastaharen pakte. Ik zag het handvat van een vuurwapen. Daarna deed “[bijnaam medeverdachte]” het vuurwapen terug in de tas.

8. Verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting van 26 juli 2018:

Het klopt dat ik rasta haren heb en een beugel draag. De dag dat ik ben aangehouden, was ik samen met [medeverdachte] bij [bedrijfsnaam 1]. De zwarte tas die [medeverdachte] bij zich had toen hij werd aangehouden is van mij.

9. Proces-verbaal van 1e verhoor, opgemaakt en op 12 april 2018 gesloten en ondertekend door [verbalisant 7], voor zover inhoudende als verklaring van de verdachte:

[medeverdachte] wordt “[bijnaam medeverdachte]” genoemd. De cocaïne die in de zwarte tas zat is van mij.

Bewijsoverwegingen

Uit de getuigenverklaringen komt naar voren dat de verdachte en medeverdachte [medeverdachte] niet lang voor hun aanhouding een vuurwapen bij zich hadden dat was geplaatst in de zwarte tas die de verdachte bij zich droeg. De verdachte is bij het zien van de politieauto weggerend en is in de tuin van een woning gesprongen. De verbalisant die achter de verdachte is aangegaan, heeft tijdens de achtervolging waargenomen dat de verdachte, toen hij over de poort van de woning gelegen te [adres 1] klom, een op een vuurwapen gelijkend voorwerp in zijn hand had. Kort daarna is er op de plek waar de verdachte de tuin van die woning weer is uitgegaan, het inbeslaggenomen vuurwapen aangetroffen. Gelet op het korte tijdsverloop tussen de aanhouding van de verdachte en het aantreffen van het vuurwapen, de gedragingen van de verdachte en de verklaringen van de getuigen, moet het er naar het oordeel van het Gerecht voor gehouden worden dat de verdachte dat vuurwapen voorhanden heeft gehad en dat hierbij tevens sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte [medeverdachte].

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 11 van de Opiumwet BES. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, lid 1 onder C van de Opiumwet 1960 BES.

Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 11 van de Vuurwapenwet BES. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Medeplegen van handelen in strijd met het in artikel 3 van de Vuurwapenwet BES gegeven verbod

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft in een openbare gelegenheid en op de openbare weg een geladen vuurwapen voorhanden gehad. Hij heeft daarmee een onaanvaardbaar gevaar voor de veiligheid van andere personen in het leven geroepen, omdat het voorhanden hebben van een vuurwapen het gebruik van dat vuurwapen mogelijk maakt en, naar de ervaring leert, ook vaak met zich meebrengt. Hiertegen dient daarom streng te worden opgetreden. Ook heeft de verdachte een hoeveelheid cocaïne in zijn bezit gehad.

Alles afwegende is het Gerecht van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is. Het Gerecht zal een deel van deze gevangenisstraf voorwaardelijk opleggen om verplicht reclasseringscontact mogelijk te maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de volgende artikelen, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde:

Artikelen 17a, 17b en 17c van het Wetboek van Strafrecht BES.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de eenentwintig (21) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van deze straf een gedeelte, groot negen (9) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, van drie (3) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;

als bijzondere voorwaarden worden gesteld dat dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Reclassering Caribisch Nederland (SRCN), zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig acht, ook als dat inhoudt dat de veroordeelde:

  • -

    zich onder behandeling/begeleiding stelt bij een psycholoog en/of Mental Health Care–CN;

  • -

    participeert en actief meewerkt aan het vinden en behouden van werk, al dan niet onder begeleiding van de jobcoach;

  • -

    inzage geeft in zijn sociaal netwerk.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. M.T. Paulides, bijgestaan door mr. L.M. Tjong-A-Tjoe, en op 26 juli 2018 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op Bonaire.

1 Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Caribisch Nederland, geregistreerd onder de onderzoeknaam “[onderzoeksnaam 1]”.