Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEABES:2018:47

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
28-03-2018
Datum publicatie
17-07-2019
Zaaknummer
400.00259/17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

medeplegen vuurwapenbezit en diefstal met geweld

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

ZITTINGSPLAATS BONAIRE

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1988 in [geboorteplaats],

wonende op [woonplaats], [adres],

thans alhier gedetineerd.

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2018. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. E.J. Winkel.

De officier van justitie, mr. M. Boheur, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake van de feiten te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van voorarrest.

vuurwapen en de munitie.

De raadsman heeft verweer gevoerd.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is, tenlastegelegd:

Feit 1

dat hij, op of omstreeks 7 oktober 2017, op het eiland Bonaire, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (ongeveer $ 350), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 1] en/of de [bedrijfsnaam 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hieruit bestond dat verdachte, terwijl hij een kapmes in zijn hand(en) had, (meermalen) tegen voornoemde [slachtoffer 1] heeft gezegd: “Dit is geen spel, geef mij alles”, althans woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking en/of tegen voornoemde [slachtoffer 1] heeft gezegd dat hij, verdachte, weet waar zijn, [slachtoffer 1]’s, familie woont en/of heeft hij, verdachte, (vervolgens) met het/een kapmes op de kassa van de [bedrijfsnaam 1] geslagen;

Feit 2

dat hij, op of omstreeks 23 oktober 2017, op het eiland Bonaire,

-met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid (van ongeveer 6) flessen bier en/of een pak sigaretten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [bedrijfsnaam 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 2] en/of [getuige 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of bij betrapping op heterdaad hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

-met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] en/of [getuige 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meerdere (ongeveer 6) flessen bier en/of een pak sigaretten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 2] en/of [bedrijfsnaam 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hieruit bestond dat verdachte:

een kapmes tevoorschijn haalde en/of (vervolgens) met dat kapmes in zijn hand(en) in de richting van voornoemde [slachtoffer 2]en/of [getuige 1] zwaaide;

Feit 3

dat hij, op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 3 november 2017 tot en met 17 november 2017, op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, voorhanden heeft gehad een (nikkel kleurig) vuurwapen (met een zwart handvat) (van het merk [wapenmerk 1], [wapenmodel 1]) in elk geval een soortgelijk voor bedreiging of afdreiging geschikt voorwerp en/of 7 (zeven), in elk geval één of meer scherpe patro(o)nen (merk [wapenmerk 2]), zijnde een vuurwapen en/of munitie in de zin van de Vuurwapenwet BES.

3 Voorvragen

Het Gerecht heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Bewijsbeslissingen

4A. Bewezenverklaring

Het Gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht:

Feit 1

dat hij, op of omstreeks 7 oktober 2017, op het eiland Bonaire, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld (ongeveer $ 350), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 1] en/of de [bedrijfsnaam 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hieruit bestond dat verdachte, terwijl hij een kapmes in zijn hand(en) had, (meermalen) tegen voornoemde [slachtoffer 1] heeft gezegd: “Dit is geen spel, geef mij alles”, althans woorden van gelijke bedreigende aard en/of strekking en/of tegen voornoemde [slachtoffer 1] heeft gezegd dat hij, verdachte, weet waar zijn, [slachtoffer 1]’s, familie woont en/of heeft hij, verdachte, (vervolgens) met het/een kapmes op de kassa van de [bedrijfsnaam 1] geslagen;

Feit 2

dat hij, op of omstreeks 23 oktober 2017, op het eiland Bonaire,

-met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een hoeveelheid (van ongeveer 6) flessen bier en/of een pak sigaretten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [bedrijfsnaam 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen voornoemde [slachtoffer 2] en/of [getuige 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijker te maken en/of bij betrapping op heterdaad hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,

en/of

- met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 2] en/of [getuige 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een of meerdere (ongeveer 6) flessen bier en/of een pak sigaretten, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan voornoemde [slachtoffer 2] en/of [bedrijfsnaam 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte,

welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hieruit bestond dat verdachte:

een kapmes tevoorschijn haalde en/of (vervolgens) met dat kapmes in zijn hand(en) in de richting van voornoemde [slachtoffer 2] en/of [getuige 1] zwaaide;

Feit 3

dat hij, op een of meerdere tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 3 november 2017 tot en met 17 november 2017, op het eiland Bonaire, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, voorhanden heeft gehad een (nikkelkleurig) vuurwapen (met een zwart handvat) (van het merk [wapenmerk 1], [wapenmodel 1]) in elk geval een soortgelijk voor bedreiging of afdreiging geschikt voorwerp en/of 7 (zeven), in elk geval één of meer scherpe patro(o)nen, (merk [wapenmerk 2]), zijnde een vuurwapen en/of munitie in de zin van de Vuurwapenwet BES.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn in de bewezenverklaring cursief weergegeven verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, zoals doorgestreept in de tekst, is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

4B. Bewijsmiddelen

Het Gerecht komt tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten op grond van de feiten en omstandigheden die in de navolgende wettige bewijsmiddelen zijn vervat1.

De inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen is telkens zakelijk weergegeven.

Ten aanzien van feit 1

Het proces-verbaal van aangifte, p. 24-28, gesloten en getekend door [brigadier 1], brigadier van politie, werkzaam bij het Korps Politie Caribisch Nederland, d.d. 9 oktober 2017, voor zover inhoudende

- als verklaring van de aangever [slachtoffer 1]:

Op 7 oktober 2017, tussen 16.20 uur en 16.30 uur was ik in ons bedrijf [bedrijfsnaam 1]. Ik stond achter de kassa toen ik op enig moment een man de winkel binnen zag komen. Ik zag dat deze man een kapmes in zijn handen had. Hij schreeuwde tegen mij: “No tin wega, Nami tur kos (“Dit is geen spel, geef mij alles”). Dit zei de man meerdere malen. De man zei ook tegen mij dat hij weet waar mijn familie woont. Kort hierna sloeg de man 1 keer met zijn kapmes op de kassa. Vervolgens heb ik de kassa opengedaan en ik heb de man driehonderdvijftig Amerikaanse dollars gegeven. Ik kan de verdachte als volgt beschrijven. Ongeveer 1.70 m, slank postuur, groenachtige ogen, lichtbruin van huidskleur, zwart shirt met lange mouwen, bruin/camouflage driekwart broek en bruine pet. De man die binnenkwam had een tatoeage midden op zijn voorhoofd, tussen zijn wenkbrauwen. De man die binnenkwam heb ik herkend als [verdachte]. Ik heb in het verleden problemen met [verdachte] gehad, omdat hij toen de winkel binnen was gekomen en bier had genomen zonder te betalen. Hierover hadden wij een discussie gekregen. Ik weet zijn signalementen, omdat hij meerdere malen spullen bij ons komt kopen.

- als verklaring van de verbalisant [brigadier 1]:

Ter plaatse ging de aangever op Facebook. Hij wees mij een foto aan van een man die ik ken als [verdachte]. Ik hoorde de aangever zeggen dat hij denkt dat dit de verdachte is.

Het proces-verbaal van bevindingen, p. 33-34, gesloten en getekend door [agent 1] en [agent 2], beiden agenten van politie, werkzaam bij het Korps Politie Caribisch Nederland, d.d. 13 november 2017, voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisanten [agent 1] en [agent 2]:

Op 7 oktober 2017 kwam omstreeks 16:35 uur een melding binnen met betrekking tot de overval op de [bedrijfsnaam 1]. De verdachte zou [verdachte] genaamd zijn en hij zou een tatoeage op zijn gezicht hebben. Aangezien de tweede patrouille naar de plaats delict werd gestuurd, besloten wij verder in de omgeving te gaan zoeken naar de mogelijke verdachte. Ambtshalve is het ons bekend dat de twee broers [achternaam verdachte] te [adres] verblijven. Wij zijn naar de [adres ] gereden en aldaar aangekomen zagen wij dat [verdachte] in de tuin liep. Wij vroegen hem waar hij zonet was en hij verklaarde dat hij net thuis was gekomen. Wij zagen dat [verdachte] een donkerkleurige camouflerende ronde pet op had. Verder had hij een zwart T-shirt en een drie kwart donker kleurige (surf) broek aan.

Het proces-verbaal van bevindingen, p. 35-40, gesloten en getekend door [brigadier 1], brigadier van politie, werkzaam bij het Korps Politie Caribisch Nederland, d.d. 9 oktober 2017, voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant [brigadier 1]:

Op 7 oktober 2017 werd een overval op de [bedrijfsnaam 1] gepleegd. De aangever heeft verklaard dat hij de verdachte als [verdachte] herkent. Hiernaast heeft de aangever verklaard dat [verdachte] een tatoeage midden op zijn voorhoofd heeft. Op 9 oktober 2017 heb ik onderzoek gedaan op Facebook. Ik heb geklikt op de eerste account met de naam [verdachte]. Bij het bekijken van de foto’s van deze account herkende ik de man op de foto’s als [verdachte]. Ik zag dat [verdachte] op meer dan 1 foto een tatoeage midden op zijn voorhoofd, tussen zijn wenkbrauwen, had.

Ten aanzien van feit 2

Het proces-verbaal van aangifte, p. 41-43, gesloten en getekend door [brigadier 2], brigadier van politie, werkzaam bij het Korps Politie Caribisch Nederland, d.d.

9 november 2017, voor zover inhoudende als verklaring van de aangeefster [slachtoffer 2]:

Op 23 oktober 2017 omstreeks 15.00 uur was ik thuis toen ik door mijn moeder werd gebeld. Zij zei tegen mij dat zij bang was, omdat een onbekende man omstreeks 14.00 uur de winkel [bedrijfsnaam 2] binnen was gekomen en zes flessen bier uit de vriezer had gepakt. De man vroeg vervolgens om een sigaret. Hierna zei de man tegen mijn moeder dat de spullen door zijn vader betaald zullen worden. Toen ik bij mijn moeder was gekomen, zag ik een man naast de ingang van de deur van de winkel staan. Ik ken deze man van gezicht, omdat ik hem eerder in de winkel had gezien. Een paar minuten later verscheen [getuige 1] op dienst. Mijn moeder was even met haar gebleven, totdat ik omstreeks 16.00 uur was gekomen om de kassa over te nemen van mijn moeder. Voornoemde man kwam even later terug en hij zei tegen mij dat hij wat te eten wilde. Vervolgens pakte hij een Amstel uit de vriezer en zei tegen mij dat zijn vader dit zou betalen. Omstreeks 17.00 uur zag ik voornoemde man weer binnenlopen. Hij vroeg om een bier, maar ik zei tegen hem dat hij dat niet mocht hebben. Ik zag dat hij een voorwerp had in zijn broek aan de voorkant. Hij liep verder naar de vriezer. Ik zei tegen [getuige 1] dat de man geen bier mocht hebben en dat zij hem tegen moest houden. De man had vervolgens een kapmes uit de voorkant van zijn broek tevoorschijn gehaald. Hij bedreigde [getuige 1] daarmee. Ik zag dat het mes een rood plastic handvat had en het was van donkerkleurig metaal. Het mes was ongeveer 50 centimeter lang. De man had vervolgens zonder toestemming zes flessen bier uit de vriezer gepakt. Vervolgens kwam hij naar mij toe met de flessen bier en vroeg om een plasticzak en een pak sigaretten. Toen ik weigerde om dit aan hem te geven, begon hij met het kapmes in mijn richting te zwaaien. Ik schoof naar achteren om te voorkomen dat het mes mij zou raken. Ik heb vervolgens een pak sigaretten gepakt en op de toonbank gezet. Hierna had hij tegen mij gezegd dat zijn vader voor alles zou betalen. Vervolgens ging hij weg. Via [getuige 1] en [naam 1] van de [naam supermarket] Supermarket heb ik informatie gekregen over de naam van voornoemde man. Hij bleek te zijn genaamd [roepnaam verdachte] (Het Gerecht begrijpt: [verdachte]).

Het proces-verbaal van bevestiging genoemde persoon, p. 44-45, gesloten en getekend door [hoofdagent 1], hoofdagent van politie, werkzaam bij het Korps Politie Caribisch Nederland, d.d. 23 november 2017, voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant [hoofdagent 1]:

Op 23 oktober 2017 werd aan aangeefster [slachtoffer 2] een foto getoond. Op de foto staat de man genaamd [verdachte]. Aan de aangeefster werd gevraagd of de man op de foto de man is die zij in haar aangifte had genoemd. De aangeefster [slachtoffer 2] heeft verklaard dat de man op de foto, de man [verdachte] is. Dat is de man die zij in haar aangifte noemt.

Het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 46-49, gesloten en getekend door [buitengewoon agent 1] en [buitengewoon agent 2], beiden buitengewoon agenten van politie, werkzaam bij het Korps Politie Caribisch Nederland, d.d. 10 november 2017, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [getuige 1]:

Op 23 oktober 2017 kwam ik aan op mijn werk te [bedrijfsnaam 2] minimarket. Ik zag een voor mij onbekende man buiten op de stoep zitten. Toen ik aan mijn werkzaamheden was begonnen, zag ik de man binnenlopen. De moeder van de eigenaresse stond op dat moment achter de kassa. Ik hoorde de man haar vragen of hij een bier en een sigaret kon krijgen. Ik hoorde hem ook zeggen dat zij het bier en de sigaret op rekening moest zetten, omdat zijn vader later komt betalen. Ik hoorde de moeder van de eigenaresse zeggen “nee ga naar buiten”. De man is in totaal zes keren naar binnen gekomen om bier te pakken. De moeder van de eigenaresse vond het vreemd dat er maar niet betaald werd voor de consumptie en riep naar haar dochter. De eigenaresse zei tegen de onbekende man dat zij geen geld heeft om hem continu gratis bier en sigaretten te geven. De man liep naar buiten en kwam ongeveer twintig minuten later weer naar binnen en vroeg nogmaals om bier en sigaretten. De eigenaresse zei nogmaals dat ze hem geen sigaretten en bier zal geven. Omstreeks 17:00 uur kwam de man de winkel weer binnen. Ik zag dat hij bij de kassa bleef staan. Ik hoorde dat hij nogmaals vroeg om bier en sigaretten. Ik bleef de man in de gaten houden en ik zag op een gegeven moment een vreemd voorwerp onder het T-shirt van de man. Ik hoorde de man herhaaldelijk vragen om sigaretten en de eigenaresse zei telkens weer dat zij hem niks zal geven. Ik zag dat de man mij op een vreemde manier aan bleef kijken toen ik stond bij de koeling waarin de flessen bier waren. Ik ging op een gegeven moment bij een andere vriezer staan. Toen de andere dame mijn kant opkwam, zag ik dat de man een kapmes van onder zijn T-shirt vandaan haalde. Hij zwaaide met het kapmes in onze richting. De man zei niks, maar bleef zwaaien met het mes in zijn hand. Ik zag dat het kapmes ongeveer 50 centimeter lang was. Ik vermoed dat het handvat van het kapmes rood was. De man gedroeg zich erg agressief en bleef maar zwaaien met het kapmes.

De verklaring van de verdachte, op 7 maart 2018 afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting, voor zover inhoudende:

Op 23 oktober 2017 was ik bij de [bedrijfsnaam 2] minimarket. Ik dacht, ik pak zes biertjes en een pak sigaretten. Toen mijn vader niet was gekomen om te betalen, ben ik naar huis gegaan. Ik heb inderdaad spullen meegenomen zonder te betalen.

Ten aanzien van feit 3

Het proces-verbaal van bevindingen bij binnentreden, p. 131-133, gesloten en getekend door [brigadier 3], brigadier van politie, werkzaam bij het Korps Politie Caribisch Nederland, d.d. 17 november 2017, voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant [brigadier 3]:

Op 17 november 2017 trad ik binnen in de woning gelegen te [adres] te Bonaire ter aanhouding en doorzoeking ter inbeslagneming. In kamer 3 stond aan de rechterzijde een kledingkast. In het linker gedeelte van de kast werd tussen de kledingstukken een vuurwapen van het merk [wapenmerk 1], [wapenmodel 1], kleur nikkel aan de bovenzijde, een zwart handvat, met een houder inhoudende 7 patronen, van het merk [wapenmerk 2], aangetroffen en inbeslaggenomen. In de woning werd [verdachte] aangehouden.

Een geschrift, te weten een Rapport van Nederlands Forensisch Instituut van 2 maart 2018, voor zover inhoudende:

Het vuurwapen heeft de opschriften en de uiterlijke kenmerken van een semiautomatisch werkend pistool van het merk [wapenmerk 1], model [wapenmodel 1], kaliber [wapennummer 1]. Verder werden zeven patronen van het kaliber[wapennummer 1] ontvangen. Het vuurwapen betreft een semiautomatisch werkend pistool van het merk [wapenmerk 1], [wapenmodel 1]in kaliber [wapennummer 1]. Bij het proefschieten werkte het vuurwapen op semiautomatische wijze. Bij het lossen van de 30 proefschoten trad één aanvoerstoring op. Verder functioneerde het vuurwapen, met inbegrip van de aanwezige veiligheids- en ontspanpal, goed.

Het proces-verbaal van 1e verhoor verdachte [medeverdachte], p. 148-152, gesloten en getekend door [brigadier 1], brigadier van politie, werkzaam bij het Korps Politie Caribisch Nederland, d.d. 17 november 2017, voor zover inhoudende als verklaring van de medeverdachte [medeverdachte]:

Over het aangetroffen vuurwapen kan ik zeggen dat mijn broer afgelopen vrijdag een probleem had. Ik heb het van hem genomen en in een wasmand gezet.

De verklaring van de verdachte, op 7 maart 2018 afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting, voor zover inhoudende:

Ik blijf bij de verklaring dat het vuurwapen van mij is. Ik heb het uit de wasmand gehaald en in de kast gezet.

Het proces-verbaal van 5de verhoor verdachte [medeverdachte], p. 167-169, gesloten en getekend door [aspirant agent 1] en [aspirant agent 2], beiden Aspirant Agenten, werkzaam bij het Korps Politie Caribisch Nederland, d.d. 14 december 2017, voor zover inhoudende als verklaring van de medeverdachte [medeverdachte]:

Toen ik op 3 november 2017 thuis was gekomen, begreep ik dat er ruzie was tussen mijn broer en de broer van [naam 2]. Toen ik buiten was, zag ik mijn broer met het vuurwapen in zijn handen. Ik heb dit van hem afgepakt en bewaard.

4C. Bewijsoverweging(en)

Ten aanzien van feit 1

Op 7 oktober 2017 kwam een man de [bedrijfsnaam 1] binnen. De eigenaar die op dat moment achter de kassa stond, werd onder bedreiging van een kapmes gedwongen tot afgifte van een hoeveelheid geld. De dader nam de benen na het plegen van zijn daad. De eigenaar gaf een uitgebreid signalement van de dader en noemde tevens zijn naam. Hij vermeldde daarbij dat hij met deze dader in zijn shop al eerder problemen had gehad. Kort na het incident begaf de politie zich als reactie op de melding die daarover binnen was gekomen naar de woning van de verdachte. De verdachte die in de tuin van zijn woning werd aangetroffen, was gekleed in soortgelijke kleding als de man die eerder in de [bedrijfsnaam 1] was geweest. Hij droeg namelijk een zwart shirt en een driekwart broek en hij had een pet op. Hierbij komt dat de verdachte, die bovendien zowel door de verbalisant als door de aangever op Facebook werd herkend, net zoals de dader, een tatoeage midden op zijn voorhoofd tussen zijn wenkbrauwen heeft. Het door de verdachte - eerst ter zitting - opgegeven alibi inhoudende dat hij ten tijde van het incident bij zijn oma op bezoek was, schuift het Gerecht als ongeloofwaardig en bovendien niet verifieerbaar terzijde, nu dit alibi geen steun vindt in het dossier en genoemde oma, zoals verdachte heeft verklaard, niets met de zaak te maken wil hebben en derhalve zijn verklaring niet zal bevestigen.

Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden in onderling verband bezien, kan de tenlastegelegde afpersing wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Ten aanzien van feit 2

Op 23 oktober 2017 heeft de verdachte zes flessen bier en een pak sigaretten zonder te betalen meegenomen uit de [bedrijfsnaam 2] minimarket. Blijkens de verklaring van de aangeefster en haar medewerkster werden zij daarbij door de verdachte met een kapmes bedreigd. De verklaring van de verdachte dat hij op geen enkel moment een kapmes bij zich heeft gehad, laat staan mensen daarmee heeft bedreigd, zal door het Gerecht als ongeloofwaardig terzijde worden geschoven, immers heeft niet alleen de medewerkster verklaard dat de verdachte op een gegeven moment in haar richting heeft gezwaaid met een kapmes, maar heeft ook de aangeefster verklaard dat de verdachte op een gegeven moment met een kapmes in haar richting heeft gezwaaid. De aangeefster moest op dat moment zelfs naar achteren schuiven om te voorkomen dat het kapmes haar zou raken. Daaruit leidt het Gerecht af dat de aangeefster van korte afstand goed zicht heeft gehad op het voorwerp waarmee de dader zwaaide. Hierbij komt dat de medewerkster en de aangeefster een zelfde beschrijving van het kapmes hebben gegeven (ongeveer 50 centimeter lang en voorzien van een rood handvat). Dat het in casu, zoals door de verdachte verklaard, zou gaan om een tablet van soortgelijke kleur en lengte, wordt niet door enig bewijs ondersteund en is anderszins ook niet aannemelijk geworden. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden in onderling verband bezien, kan de tenlastegelegde diefstal met bedreiging met geweld wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Ten aanzien van feit 3

Op 17 november 2017 werd tijdens de huiszoeking in een kast in de woning van de broer van verdachte, in welke woning ook verdachte verbleef, een vuurwapen aangetroffen en inbeslaggenomen door de politie. Zowel de verdachte als zijn broer, de medeverdachte . [medeverdachte] (hierna: de medeverdachte) waren zich vanaf 3 november 2017 bewust van de aanwezigheid van het vuurwapen in de woning. Dit vuurwapen werd op een gegeven moment door de medeverdachte van de verdachte afgepakt en in een wasmand gezet. Vervolgens werd dit vuurwapen door de verdachte vanuit de wasmand verplaatst naar de kast. Dit brengt met zich mee dat zowel de verdachte als de medeverdachte ook macht hebben uitgeoefend over het vuurwapen. Nu aan de vereisten voor het voorhanden hebben van een vuurwapen is voldaan en er kan worden gesproken van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het houden van het wapen in de woning kan het tenlastegelegde medeplegen van het voorhanden hebben van het vuurwapen wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1:

Afpersing.

Feit 2:

Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijker te maken.

Feit 3:

Medeplegen van overtreding van een verbod, gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenwet BES, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit. De feiten zijn derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte opheft of uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7 Strafmotivering

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het Gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan verboden vuurwapenbezit. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich en veroorzaakt een gevoel van onveiligheid in de maatschappij.

De verdachte heeft zich hiernaast ook schuldig gemaakt aan afpersing en diefstal met bedreiging met geweld. Tijdens het plegen van beide feiten heeft de verdachte de betrokkenen, eigenaars en een medewerkster van winkels, met een kapmes bedreigd. Dit soort handelen is zeer beangstigend voor de betrokkenen en voedt bovendien in de samenleving levende gevoelens van angst en onveiligheid. Bovendien is het onaanvaardbaar dat hardwerkende ondernemers en hun medewerkers in toenemende mate met dit soort geweld te maken krijgen. De verdachte is aan de gevolgen van zijn handelen volledig voorbijgegaan en heeft zich louter laten leiden door zijn streven naar financieel gewin en zijn noodzaak om zijn eigen behoeften te bevredigen. Dit wordt hem zwaar aangerekend en maakt dat oplegging van een vrijheidsbenemende straf geïndiceerd is.

Bij de bepaling van de duur daarvan heeft het Gerecht rekening gehouden met de aard en ernst van de gepleegde feiten en de straf die ten aanzien van dit soort strafbare feiten in vergelijkbare gevallen door de rechter pleegt te worden opgelegd. Het Gerecht neemt voorts in acht dat de verdachte reeds eerder in aanraking met politie en justitie is geweest vanwege een geweldsmisdrijf, waarbij een wapen werd gebruikt. Het Gerecht ziet geen ruimte voor een voorwaardelijk deel van de straf en dus evenmin voor een daaraan te koppelen voorwaarde van hulpverlening. Mocht verdachte gemotiveerd blijven om aan zijn alcoholprobleem te werken dan zou die mogelijkheid in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling aan de orde kunnen komen.

Alles afwegende kan niet worden volstaan met een andere of lichtere straf dan gevangenisstraf van na te melden duur.

8 Beslag

Onttrekking aan het verkeer

Ten aanzien van het inbeslaggenomen vuurwapen en de munitie zal onttrekking aan het verkeer worden uitgesproken, omdat het onder 3 tenlastegelegde feit met betrekking tot die voorwerpen is begaan en deze voorwerpen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op het reeds aangehaald artikel, gegrond op de artikelen 31, 60, 96, 325 en 330 van het Wetboek van Strafrecht BES en artikel 11 van de Vuurwapenwet BES .

10 Beslissing

Het Gerecht:

verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde zoals in rubriek 4A omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart dat de bewezen verklaarde feiten de in rubriek 5 genoemde strafbare feiten opleveren;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van zes (6) jaren;

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

onttrekt aan het verkeer de in rubriek 8 genoemde voorwerpen.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. G. Edelenbos en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op 28 maart 2018, in tegenwoordigheid van de griffier.

1 De door het Gerecht als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Bij onderstaande bewijsmiddelen wordt, tenzij anders vermeld, verwezen naar het einddossier inzake de onderzoeken [onderzoeksnaam 1] en [onderzoeksnaam 2].