Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEABES:2018:43

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
13-09-2018
Datum publicatie
17-07-2019
Zaaknummer
400.00090/18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

opiumdelict

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: 400.00090/18

Uitspraak: 13 september 2018 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1991 op [geboorteplaats],

wonende op [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in het huis van bewaring op Bonaire.

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op

23 augustus 2018. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. M.M.A. van Lieshout, advocaat op Bonaire.

De officier van justitie, mr. A.A.E. Martis, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig maanden, waarvan acht maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, onder de bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Reclassering Caribisch Nederland instelling, zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, ook als dat inhoudt dat de verdachte zich onder behandeling van MHC (Mental Health Caribbean) stelt, met aftrek van voorarrest.

Haar vordering behelst voorts de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen verdovende middelen en de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen bedrag van $ 3.262,00.

De raadsvrouw heeft een strafmaatverweer gevoerd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd:

Feit 1

dat hij,

op of omstreeks 27 maart 2018,

op het eiland Bonaire en/of naar Nederland

tezamen en in vereniging met en ander of anderen, althans alleen,

al dan niet opzettelijk heeft ingevoerd en/of uitgevoerd en/of doorgevoerd in de zin van artikel 1 lid 2 en/of 1 lid 3 van de Opiumwet 1960 BES (ongeveer) 405 gram, althans een hoeveelheid cocaïne, althans een hoeveelheid cocaïne, althans van enige bereiding van cocaïne, zijnde een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet 1960 BES;

Feit 2

dat hij

op of omstreeks 18 april 2018

op het eiland Bonaire,

al dan niet opzettelijk,

in zijn bezit en/of aanwezig gehad,

642,2 gram cocaïne, althans een hoeveelheid cocaïne, althans van enige bereiding van cocaïne, zijnde (telkens) een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumwet 1960 BES en/of (een) middel(len) als bedoeld in lijst I van de Regeling van 6 januari 2005 ter uitvoering van art. 3, eerste lid onder f Opiumwet 1960 BES.

Voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Bewezenverklaring

Het Gerecht acht - op grond van de hierna aan dit vonnis toe te voegen aanvulling bevattende de bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande:

Feit 1

dat hij,

op of omstreeks 27 maart 2018,

op het eiland Bonaire en/of naar Nederland

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

al dan niet opzettelijk heeft ingevoerd en/of uitgevoerd en/of doorgevoerd in de zin van artikel 1 lid 2 en/of 1 lid 3 van de Opiumwet 1960 BES (ongeveer) 405 gram cocaïne, althans een hoeveelheid cocaïne, althans van enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumwet 1960 BES;

Feit 2

dat hij

op of omstreeks 18 april 2018

op het eiland Bonaire,

al dan niet opzettelijk,

in zijn bezit en/of aanwezig heeft gehad,

642,2 gram cocaïne, althans een hoeveelheid cocaïne, althans van enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumwet 1960 BES en/of (een) middel(len) als bedoeld in lijst I van de Regeling van 6 januari 2005 ter uitvoering van art. 3, eerste lid onder f Opiumwet 1960 BES.

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van feit 1

Op 27 maart 2018 werden op het vliegveld van Bonaire bij de medeverdachte, [medeverdachte 1], drie potjes bevattende cocaïne aangetroffen. De verdachte heeft verklaard dat hij die potjes aan [medeverdachte 1] heeft gegeven om deze mee te nemen naar Nederland. Voorafgaand aan en na de aanhouding van [medeverdachte 1] werden intensieve gesprekken tussen hem en de medeverdachte [medeverdachte 2], de partner van zijn moeder, gevoerd, die op Schiphol was om [medeverdachte 1] op te halen. Ten aanzien van de tapgesprekken tussen hem en [medeverdachte 2] heeft de verdachte aangegeven dat die voor een deel gingen over het vervoer van “karkó” naar Nederland. Deze laatste verklaring wordt op grond van het volgende als zijnde ongeloofwaardig ter zijde gesteld.

Uit de tapgesprekken blijkt dat de verdachte op 27 maart 2018 volgens de instructies van [medeverdachte 2] “iets” heeft afgegeven aan een man. Tijdens een gesprek op diezelfde dag zegt [medeverdachte 2] tegen de verdachte dat hij tegen de man moet zeggen om een hangslot op dat ding te doen. In de ochtend van 28 maart 2018, kort na de aanhouding van [medeverdachte 1], voert de verdachte wederom meerdere gesprekken met [medeverdachte 2]. Tijdens die gesprekken werden uitspraken gedaan als: “Het is heel slecht. De man is aan die kant gevallen”, “Ik heb zijn nummer gebeld, maar de telefoon gaat niet over en doet niets. Het valt gewoon weg en ik zeg tegen de zus dat deze telefoon niet binnen Europa is. Ik stond bij de ingang en zij keek door de glazen. Ik zei tegen de zus om maar hier weg te gaan en dat wanneer de man komt, hij maar de trein moet nemen of bellen, want ik ben vanaf 10:30 uur hier”. Verder werden uitspraken gedaan als: “Het werd getipt.”, “De persoon heeft gezegd dat men een verdenking had dat hij iets zou gaan doen. De persoon heeft gepraat, want het is zo gegaan. Zijn koffer was reeds in het ding dat zou gaan opstijgen. Ze zijn het daarbinnen gaan halen”, “Ik hoor nu pas over de dingen. Als wij dat eerder hadden geweten zouden wij inderdaad niets gedaan hebben”, “Ze zijn het gaan halen, ze hebben het uit het vliegtuig gehaald. Uit het vliegtuig gehaald, alleen die drie dingen eruit gehaald en meegenomen”.

Het Gerecht leidt af uit voornoemde gesprekken in samenhang met het leveren van de cocaïne door verdachte aan [medeverdachte 1], het aantreffen van de cocaïne bij [medeverdachte 1], de aanhouding van [medeverdachte 1] en het opwachten door [medeverdachte 2] op [medeverdachte 1] dat de verdachte bij de uitvoer van cocaïne nauw en bewust heeft samengewerkt met [medeverdachte 2]. Daarbij neemt het Gerecht aan dat het intensieve vervolgcontact ging over de aanhouding van [medeverdachte 1], hoe dat kon gebeuren en hoe verder te handelen. Het verhaal over het vervoer van “karko” door een man op dezelfde vlucht als die waarmee [medeverdachte 1] zou komen, vindt geen bevestiging in objectieve gegevens. Overigens heeft verdachte in het geheel geen gegevens kunnen of willen verstrekken (zoals de naam van de man aan wie hij de “karko” zou hebben geleverd om te vervoeren) waarmee dat verhaal geverifieerd had kunnen worden. De omstandigheden, bezien in onderling verband, maken dat het medeplegen van het uitvoeren van cocaïne wettig en overtuigend bewezen wordt geacht.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, lid 1 onder A van de Opiumwet 1960 BES.

Feit 2:

opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, lid 1 onder C van de Opiumwet 1960 BES

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Meer in het bijzonder heeft het Gerecht het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van uitvoer van cocaïne en het bezit/aanwezig hebben daarvan. Met betrekking tot de hoeveelheid cocaïne overweegt het Gerecht dat dit een aanzienlijke hoeveelheid betreft, welke hoeveelheid van dien aard was dat deze bestemd moet zijn geweest voor de verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaat vaak gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder het plegen van strafbare feiten van uiteenlopende aard door de gebruikers, ter financiering van hun behoefte aan deze stof. Het gaat hier om een stof die zeer verslavend en zeer schadelijk is voor de gezondheid, met alle gevolgen voor de gebruikers en de maatschappij van dien. De verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de nadelige gevolgen die drugshandel met zich meebrengt.

Gelet op de aard en ernst van het feit is oplegging van een vrijheidsontnemende straf op zich geïndiceerd. Het Gerecht neemt bij de bepaling van de straf als uitgangspunt de uitvoer van 324 gram cocaïne, zijnde 80% van het brutogewicht (405 gram cocaïne in pastavorm).

Bij de oplegging van de straf heeft het Gerecht rekening gehouden met de straffen die voor dit soort feiten worden opgelegd. Het Gerecht heeft voorts rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte zoals daarvan is gebleken uit de over hem opgemaakte rapportages, zijn jeugdige leeftijd, alsmede het feit dat hij niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Een deel van de vrijheidsbenemende straf zal het Gerecht dan ook voorwaardelijk opleggen en daaraan een proeftijd van drie jaren met verplichte reclasseringsbegeleiding verbinden. Hiermee wordt de verdachte ingescherpt zich gedurende de proeftijd niet opnieuw schuldig te maken aan strafbare feiten.

In beslag genomen voorwerpen

De verdovende middelen

Het Gerecht zal niet overgaan tot de onttrekking aan het verkeer van de inbeslaggenomen cocaïne, omdat ingevolge artikel 11, lid 6 van de Opiumwet ook dit middel van rechtswege in eigendom aan het openbaar lichaam Bonaire komt te vervallen.

Het geld

Op grond van artikel 35 lid 1 onder a zijn vatbaar voor verbeurdverklaring voorwerpen die door middel van het strafbare feit zijn verkregen. Naar het oordeel van het Gerecht is op grond van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet komen vast te staan dat het inbeslaggenomen geld door middel van de strafbare feiten is verkregen. Dit betekent dat er geen plaats is voor verbeurdverklaring. Het inbeslaggenomen bedrag van $ 3.262,00 dient aan de verdachte terug te worden gegeven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op het reeds aangehaalde wettelijk voorschrift, gegrond op de artikelen 17a, 17b, 17c, 31, en 49 van het Wetboek van Strafrecht BES en artikel 11 van de Opiumwet 1960 BES, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van dertig (30) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot tien (10) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde voor het einde van de op drie (3) jaren bepaalde proeftijd zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd:

als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens Reclassering Caribisch Nederland, zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt, ok als dat inhoudt dat de verdachte zich onder behandeling van MHC (Mental Health Care) stelt;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

gelast de teruggave van $ 3.262,00 aan de verdachte.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. G. Edelenbos, bijgestaan door

mr. M.D.M. Connor, zittingsgriffier, en op 13 september 2018 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op Bonaire.

uitspraakgriffier: