Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEABES:2018:2

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
03-04-2018
Datum publicatie
09-04-2018
Zaaknummer
2018-2 EUX201800002
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Eiser bekleedde op grond van een tijdelijke aanstelling de functie van Eilandsecretaris op Sint Eustatius, bedoeld in artikel 126 Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (Wolbes). De tijdelijke benoeming ging gepaard met het sluiten van een tijdelijke arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Aansluitend aan de aanstelling voor bepaalde tijd benoemt het Bestuurscollege van Sint Eustatius eiser in die functie voor onbepaalde tijd. De Rijksvertegenwoordiger op Sint Eustatius onthoudt zijn goedkeuring aan het benoemingsbesluit omdat de benoeming in strijd zou zijn met de wet en het geldende beleid. Eisers vorderingen tot wedertewerkstelling en doorbetaling loon worden door de kort gedingrechter afgewezen. Door het onthouden van de wettelijk vereiste goedkeuring door de Rijksvertegenwoordiger is het benoemingsbesluit niet in werking getreden. Aan de arbeidsovereenkomst komt - voor zover die al op grond van artikel 7A 1615f BW zou kunnen zijn voortgezet - onder de omstandigheden van dit geval geen zelfstandige betekenis toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 3 april 2018

Zaaknummer: 2018-2 EUX201800002

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT EUSTATIUS

Vonnis in kort geding

in de zaak van

[eiser],

wonende te Sint Eustatius,

domicilie kiezende ten kantore van zijn gemachtigde mr C.M. Marica,

eiser,

tegen

HET OPENBAAR LICHAAM SINT EUSTATIUS,

gevestigd te Sint Eustatius,

gemachtigde: mr T. Breugom,

gedaagde.

1 De procedure

Het inleidend verzoekschrift is ingediend op 15 februari 2018. Het verzoek is besproken ter zitting van 20 maart 2018. Eiser is verschenen en heeft zijn eis vermeerderd. De gemachtigden van partijen hebben elk het woord gevoerd aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen. De datum voor uitspraak is bepaald op vandaag.

2 De eis

2.1

Eiser stelt op 1 augustus 2016 op basis van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht als Eilandsecretaris in dienst van het Openbaar Lichaam te zijn getreden en wel voor bepaalde tijd tot 1 augustus 2017. Het volgens eiser daartoe bevoegde bestuurscollege van Sint Eustatius heeft bij besluit van 3 mei 2017 besloten om eiser met ingang van 1 augustus 2017, aansluitend op voormelde arbeidsovereenkomst, te benoemen in de functie van Eilandsecretaris en wel voor onbepaalde tijd.

2.2

De waarnemend Gezaghebber was het volgens eiser niet eens met deze benoeming, onder meer omdat deze in strijd zou zijn met het geldende wervingsbeleid, en heeft geweigerd het benoemingsbesluit te ondertekenen. De Rijksvertegenwoordiger heeft zijn goedkeuring eveneens niet verleend omdat de benoeming in strijd zou zijn met de wet en geldend beleid.

2.3

Eiser voert aan dat de goedkeuring van de Rijksvertegenwoordiger niet vereist was, omdat het benoemingsbesluit d.d. 3 mei 2017 voortborduurde op een reeds bestaande, eerder door de Rijksvertegenwoordiger goedgekeurde arbeidsovereenkomst, die uit hoofde van artikel 7A:1615f Burgerlijk Wetboek is voortgezet. Daar komt bij dat de Gezaghebber en de Rijksvertegenwoordiger het benoemingsbesluit niet tijdig, dat wil zeggen binnen twee dagen nadat het te zijner kennis is gekomen, hebben voorgedragen voor vernietiging (artikel 222 Wet openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba; verder: Wolbes). Het benoemingsbesluit is daarmee in rechte onaantastbaar geworden.

2.4

De waarnemend Gezaghebber heeft eiser op 31 juli 2017 bericht dat eiser per 1 augustus 2017 niet langer werkzaam is voor het openbaar lichaam. Eiser werd opgedragen geen werkzaamheden meer uit te oefenen en niet langer op kantoor te verschijnen. Eiser voldeed hier niet aan nu de waarnemend gezaghebber niet het bevoegde gezag is, doch werd door de sterke arm verwijderd uit het bestuurskantoor.

2.5

Los van het voorgaande stelt eiser zich op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst rechtens is voortgezet, nu hij na 1 augustus 2017 door het bevoegde gezag is doorbetaald en in beperkte mate op een andere locatie werkt. Er bestaat een voortgezet contract naar burgerlijk recht en dat moet worden nagekomen.

2.6

Eiser stelt imagoschade te lijden door de huidige situatie, die in de pers breed is uitgemeten. Naar gelang de tijd verstrijkt, wordt de terugkeer moeilijker. Hij wenst weer normaal aan het werk te kunnen. Tevens mist hij zijn salaris, nu dit niet meer wordt doorbetaald.

2.7

Eiser vordert dat gedaagde, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld om binnen 24 uur na dit vonnis hem toe te laten op zijn werkplek en hem niet te belemmeren om zijn werkzaamheden als Eilandsecretaris te verrichten, op straffe van een dwangsom van US$ 1.000,-- voor elke dag dat gedaagde daarmee in gebreke mocht blijven. Tevens vordert eiser doorbetaling van loon, met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding.

3 Het verweer

3.1

Gedaagde voert gemotiveerd verweer, strekkende tot afwijzing van de vordering. Hij voert daartoe aan dat het benoemingsbesluit van 3 mei 2017 op grond van de artikelen 126, derde lid, 168 en 204, eerste lid, sub 1, van de Wolbes, de goedkeuring behoeft van de Rijksvertegenwoordiger. De wet kent geen uitzondering voor een opvolgende benoeming. Deze heeft die goedkeuring bij besluit van 31 juli 2017 onthouden. Daarmee heeft het benoemingsbesluit ingevolge het van overeenkomstige toepassing zijnde artikel 10:25 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geen rechtskracht gekregen. Nu eiser tegen de onthouding een bestuursrechtelijke procedure had kunnen aanspannen, is hij in dit kort geding niet-ontvankelijk. Het argument van eiser dat de regeringsvertegenwoordiger het besluit voor vernietiging had moeten voordragen, snijdt geen hout. Artikel 10:38, eerste lid, Awb bepaalt dat een besluit dat nog goedkeuring behoeft, niet kan worden vernietigd.

3.2

Ten principale voert gedaagde aan dat de benoeming tot Eilandsecretaris afhangt van de geldigheid van een daartoe genomen besluit, niet van het sluiten van een privaatrechtelijke overeenkomst. Zonder een zodanig besluit kan eiser geen Eilandsecretaris zijn. Zijn eis tot weder tewerkstelling moet dan ook worden afgewezen. Aan die privaatrechtelijke overeenkomst kan hij in deze situatie bovendien geen rechten ontlenen.

3.3

Wat betreft de gevorderde doorbetaling van salaris voert gedaagde aan dat er sprake is van een van het benoemingsbesluit afgeleide civielrechtelijke overeenkomst, die slechts een aanvullend karakter heeft. Dat het salaris abusievelijk nog een tijdje is doorbetaald, maakt dat niet anders.

4 De beoordeling

4.1

De kort gedingrechter acht eiser in dit kort geding ontvankelijk, nu hij zijn vorderingen baseert op een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.

4.2

Het eerste benoemingsbesluit d.d. 24 mei 2016 bepaalt dat de benoeming van eiser tot Eilandsecretaris loopt tot 1 augustus 2017. Het tweede benoemingsbesluit d.d. 3 mei 2017 beoogt eiser aansluitend in die functie te benoemen en wel voor onbepaalde tijd. In geschil is, of dit tweede besluit – net als het eerste besluit - de goedkeuring behoeft van de Rijksvertegenwoordiger. Artikel 126 Wolbes bepaalt dat het bestuurscollege de Eilandsecretaris benoemt. Lid 2 van dat artikel luidt:

“Een besluit houdende de benoeming, bevordering, schorsing of ontslag van de eilandsecretaris behoeft de goedkeuring van de Rijksvertegenwoordiger.”

De wettekst noch de memorie van toelichting geeft aanknoping voor de stelling dat deze bepaling niet geldt voor een herbenoeming.

4.3

Het besluit d.d. 10 juni 2016 waarmee de Rijksvertegenwoordiger goedkeuring geeft aan het benoemingsbesluit d.d. 24 mei 2016 bepaalt nadrukkelijk dat de benoeming “loopt tot en met 31 juli 2017”. De goedkeuring geldt dus niet voor een latere (her)benoeming.

4.4

Niet betwist is dat de Rijksvertegenwoordiger zijn goedkeuring aan het benoemingsbesluit van 3 mei 2017 heeft onthouden. Evenmin is betwist dat tegen dat onthoudingsbesluit geen bestuursrechtelijke procedure loopt. Voor dit kort geding moet er dus vanuit worden gegaan dat het onthoudingsbesluit in rechte is komen vast te staan.

4.5

Gedaagde wijst - naar het voorlopig oordeel van de kort geding rechter op goede grond - op artikel 10:25 Awb, dat op grond van artikel 217, tweede lid, Wolbes op deze kwestie van overeenkomstige toepassing is. Hieruit blijkt dat een besluit dat op grond van de wet aan de goedkeuring van een ander bestuursorgaan is onderworpen, pas in werking treedt als het is goedgekeurd. Nu deze goedkeuring onthouden is, moet dus worden aangenomen dat het besluit van 3 mei 2017 niet in werking is getreden.

4.6

In dit kort geding moet dus eveneens worden aangenomen dat eiser per 1 augustus 2017 niet is benoemd tot Eilandsecretaris en dus niet bevoegd is die in artikel 126 Wolbes en verder beschreven functie en taken rechtmatig uit te oefenen. De volgens eiser bestaande, voortgezette arbeidsovereenkomst levert los van het benoemingsbesluit geen grondslag op de publiekrechtelijke functie van Eilandsecretaris uit te oefenen. Eisers vordering tot wedertewerkstelling dient dan ook te worden afgewezen.

4.7

Hetzelfde lot treft de vordering tot doorbetaling van loon. Die vordering kan niet worden gebaseerd op het besluit van 3 mei 2017, nu dit niet in werking is getreden. Het kan evenmin worden gebaseerd op een arbeidsovereenkomst. De arbeidsovereenkomst d.d. 1 augustus 2016 bepaalt in artikel 8, eerste lid, dat de overeenkomst niet tot stand komt anders dan door goedkeuring van de Rijksvertegenwoordiger uit hoofde van artikel 168, derde lid. Wolbes. Indien zou worden aangenomen dat deze overeenkomst uit hoofde van artikel 1615f van Boek 7A BW is voortgezet, geldt op grond van dat artikel dat de arbeidsovereenkomst geacht wordt “op de vroegere voorwaarden” te zijn aangegaan, dus met inbegrip van het voorbehoud van goedkeuring van de Rijksvertegenwoordiger.

4.8

Voorts overweegt de kort gedingrechter dat eiser – gelet op zijn bekendheid met de benoemingsprocedure, het voorbehoud in zijn arbeidsovereenkomst en met de Wolbes – niet gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen dat zijn arbeidsovereenkomst, ondanks het ontbreken van de goedkeuring, zonder voorbehoud zou zijn voortgezet.

4.9

Uit het voorgaande blijkt dat de vorderingen van eiser – vooralsnog oordelend – in rechte geen stand zullen houden en dus in dit kort geding afgewezen dienen te worden. Eiser zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding aan de zijde van gedaagde.

5 De beslissing

Het Gerecht in Eerste Aanleg, rechtdoende in kort geding:

Wijst de vorderingen af.

Veroordeelt eiser in de kosten van het geding aan de zijde van gedaagde, begroot op $ 840,-- aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.A.H. Lemaire, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken op 3 april 2018 in aanwezigheid van de griffier.