Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEABES:2018:16

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
11-07-2018
Datum publicatie
07-08-2018
Zaaknummer
BBZ nr. BON201600009
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij levering van een onroerende zaak is Algemene bestedingsbelasting (ABB) verschuldigd. Het Gerecht is van oordeel dat van levering van een onroerende zaak sprake is indien de ene partij de onroerende zaak juridisch, dat wil zeggen bij notariële akte, overdraagt aan de andere partij. Belanghebbende heeft aannemelijk gemaakt dat reeds voor het verlijden van een notariële akte een mondeling overeenkomst is opgesteld. Nu geen zakelijke prijs is overeengekomen dient de ABB berekent worden over de waarde in het economische verkeer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 11 juli 2018

BBZ nr. BON201600009

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

Zittingsplaats Bonaire

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van

hoofdstuk VIII, titel acht, afdeling drie van de Belastingwet BES van:

[ X ] B.V., gevestigd te Bonaire ,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Bonaire,

de Inspecteur.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is op 10 juli 2016 over het tijdvak januari tot en met december 2011 een naheffingsaanslag Algemene Bestedingsbelasting (ABB) opgelegd van USD 120.000 met een vergrijpboete van USD 30.000.

1.2.

Belanghebbende heeft tegen bovengenoemde naheffingsaanslag en vergrijpboete op 24 juni 2016 bezwaar aangetekend.

1.3

Met dagtekening 12 augustus 2016 heeft de Inspecteur uitspraken op bezwaar gedaan en daarbij de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd tot USD 20.000.

1.4

Belanghebbende heeft op 22 augustus 2016 beroep aangetekend tegen de uitspraken op bezwaar. Zij heeft daarvoor USD 30 aan griffierecht voldaan. De Inspecteur heeft op 14 juni 2017 een verweerschrift ingediend.

1.5

Belanghebbende heeft op 25 september 2017 een conclusie van repliek ingediend.

1.6

De zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2017 te Kralendijk. Aldaar zijn verschenen namens belanghebbende de gemachtigden, [ A ] en [ B ], verbonden aan Caribbean Netherlands Consultants en namens de Inspecteur [ C ] en [ D ]. Belanghebbende heeft aldaar een pleitnota voorgedragen en overgelegd. Na de zitting is het onderzoek niet gesloten.

1.7

Belanghebbende heeft op 17 november 2017 nadere stukken ingediend.

1.8

De Inspecteur heeft hierop met dagtekening 11 december 2017 gereageerd.

1.9

Partijen hebben vervolgens desgevraagd aangegeven geen behoefte te hebben aan een nadere zitting. Vervolgens heeft het Gerecht het onderzoek gesloten.

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende is op 1 november 2007 opgericht. Directeur en enig aandeelhouder van belanghebbende is [ Z ] (hierna: [ Z ]).

2.2

Belanghebbende heeft op 12 mei 2009 het perceel [ 0000 ] te [ straat 00 ], groot 1.579 m2 met daarop appartementen in aanbouw (hierna: de onroerende zaak) van derden gekocht voor een bedrag van Naf. 320.075. Omdat het niet mogelijk was om op de appartementen in aanbouw een tweede verdieping te plaatsen zijn deze in de periode 2009-2011 afgebroken en heeft nieuwbouw plaatsgevonden.

2.3

Op 25 februari 2011 heeft taxateur [ F ] in opdracht van [ Z ] de onroerende zaak getaxeerd. De onroerende zaak bestond op dat moment volgens het taxatierapport uit het perceel grond van 1.579 m2, met daarop 12 appartementen in aanbouw. De marktwaarde per 25 februari 2011 wordt door de taxateur geraamd op Naf. 565.000 ofwel ca. USD 315.640.

2.4

Tot de stukken van het geding behoort een “Volmacht aankoop/verkoop” (hierna: volmacht) van 21 maart 2011. Hierin geeft [ Z ] in privé (koper) en optredend namens belanghebbende (verkoper) volmacht aan het notariskantoor [ M ] om een overdrachtsakte te verlijden en te tekenen, waarbij de onroerende zaak voor USD 315.640 overgedragen wordt van belanghebbende aan [ Z ] in privé.

2.5

Op 29 december 2011 vindt via de waarnemer van notaris [ M ] de juridische eigendomsoverdracht plaats van de onroerende zaak. In de akte van eigendomsoverdracht staat vermeld dat verkoper (belanghebbende) blijkens een met koper ([ Z ]) aangegane koopovereenkomst aan laatstgenoemde de onroerende zaak heeft verkocht voor USD 315.640. In de akte wordt verwezen naar de volmacht. In de akte is opgenomen dat wegens de levering van het verkochte algemene bestedingsgbelasting verschuldigd is.

2.6

Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde van de onroerende zaak per 1 januari 2012 USD 1.500.000 bedraagt.

2.7

Met dagtekening 17 maart 2016 is per e-mail door de Inspecteur aan belanghebbende medegedeeld dat over de overdracht van de onroerende zaak nooit ABB is voldaan.

2.8

Bij brief van 20 april 2016 heeft de Inspecteur aan belanghebbende aangekondigd dat hij voornemens is een naheffingsaanslag ABB en een vergrijpboete op te leggen. Op 28 april 2016 heeft de Inspecteur ook de gemachtigde van belanghebbende op de hoogte gesteld van zijn voornemen.

2.9

Op 29 april 2016 heeft belanghebbende een bedrag voldaan van 8% van USD 315.640, ofwel USD 25.251,20 met als omschrijving ‘ABB overdracht perceel 4-E-3292’.

2.10

De Inspecteur heeft op 10 juli 2016 een naheffingsaanslag ABB opgelegd van 8% van USD 1.500.000 ofwel USD 120.000 en tevens een vergrijpboete van USD 30.000. In de uitspraken op bezwaar is de boete verminderd tot USD 20.000 en de naheffingsaanslag gehandhaafd.

3 GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN

3.1

In geschil is de omvang van de naheffingsaanslag ABB en de vergrijpboete.

3.2

Belanghebbende stelt dat de (op)levering van de onroerende zaak heeft plaatsgevonden in of rond februari 2011. Op dat moment bedroeg de waarde van de onroerende zaak volgens belanghebbende USD 315.640. Belanghebbende vindt dat haar geen verwijt kan worden gemaakt. Indien het Gerecht oordeelt dat sprake is van verwijtbaarheid, dan stelt belanghebbende dat het verwijt enkel het te laat betaalde bedrag aan ABB kan betreffen.

3.3

De Inspecteur stelt dat pas op 29 december 2011 de wilsovereenstemming en daarmee de juridische levering voor de ABB heeft plaatsgevonden. Op die datum heeft de overdracht plaatsgevonden. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat reeds in februari 2011 wilsovereenstemming zou zijn bereikt. De levering heeft plaatsgevonden voor USD 1.500.000, zoals overeengekomen door partijen. De Inspecteur is van mening dat belanghebbende grove schuld kan worden verweten zodat de boete terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd.

4 BEOORDELING VAN HET GESCHIL

Vooraf: ontvankelijkheid bezwaar

4.1

In artikel 8.92, lid 1 van de Belastingwet BES (hierna: BBES) is geregeld dat degene die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde belastingaanslag binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet een gemotiveerd bezwaarschrift kan indienen bij de Inspecteur. De dagtekening van de naheffingsaanslag ABB en de boetebeschikking is 10 juli 2016. De bezwaren zijn ingediend op 24 juni 2016, dus vóór de dagtekening van de aanslag en de boetebeschikking. In dit geval zijn de bezwaren ontvankelijk omdat belanghebbende de naheffingsaanslag en de boetebeschikking al vóór 24 juni 2016 heeft ontvangen.

Materieel

4.2

Ingevolge artikel 6.2, letter a BBES wordt, kort gezegd, ABB geheven ter zake van de leveringen van door producenten voortgebrachte goederen. Tussen partijen is niet in geschil dat ter zake van de levering van de onroerende zaak door belanghebbende aan [ Z ] ABB verschuldigd is.

4.3

In artikel 6.4, lid1 BBES is bepaald dat levering van goederen is de overdracht van goederen ingevolge een overeenkomst (letter a) dan wel de oplevering van een als onroerende zaak aan te merken nieuw (gedeelte van een) gebouw of werk door degene die dat gebouw of werk heeft vervaardigd (letter d). Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de onroerende zaak ten tijde van de volmachtverlening (op)geleverd is. Het Gerecht verwerpt dit standpunt. Van oplevering is sprake indien de aannemer van een werk dit werk als klaar bestempelt en dan overdraagt aan de opdrachtgever. Deze situatie doet zich ten tijde van de volmachtverlening niet voor. Van levering van een onroerende zaak is sprake indien de ene partij de onroerende zaak juridisch, dat wil zeggen bij notariële akte, overdraagt aan de andere partij. De juridische overdracht heeft in het onderhavige geval plaatsgevonden op 29 december 2011. Het moment van levering in de zin van artikel 6.4 BBES is aldus 29 december 2011.

4.4

Ingevolge artikel 6.9, lid 1 BBES wordt de belasting berekend over de vergoeding. In het tweede lid van artikel 6.9 BBES is, voor zover hier van belang, bepaald dat vergoeding bestaat uit de tegenprestatie (eerste volzin). Als echter de vergoeding minder bedraagt dan de waarde in het economisch verkeer van de verrichte prestatie dan wordt de vergoeding gesteld op de waarde in het economisch verkeer (derde volzin). De vergoeding bedraagt USD 315.640.

4.5

De Inspecteur heeft betoogd dat de waarde in het economisch verkeer hoger is dan de vergoeding. Partijen zijn het er immers over eens dat de waarde op het moment van levering (29 december 2011) USD 1.500.000 bedraagt. Volgens de Inspecteur heeft die waarde te gelden als vergoeding, waarover de ABB berekend dient te worden. Belanghebbende heeft daartegen ingebracht dat reeds begin 2011 een koopovereenkomst is gesloten, waarbij de onroerende zaak tegen de destijds geldende waarde in het economische verkeer is verkocht. Die waarde is vastgesteld door een onafhankelijke taxateur en bedroeg USD 315.640, aldus belanghebbende. Het Gerecht overweegt hierover als volgt.

4.6

De titel van de overdracht van een onroerende zaak is veelal een eerdere (koop)overeenkomst. Ook in dit geval wordt in de notariële overdrachtsakte verwezen naar een eerdere koopovereenkomst en eveneens wordt melding gemaakt van de eerdere volmachtverlening tot het verlijden van een akte van overdracht van de onroerende zaak. Belanghebbende heeft geen schriftelijke koopovereenkomst overgelegd. Echter, het Gerecht is met belanghebbende van oordeel dat belanghebbende en de koper begin 2011 een overeenkomst hebben gesloten tot verkoop van de onroerende zaak. Uit de volmacht die door beide partijen is verleend leidt het Gerecht af dat partijen vóór de datum van de volmacht wilsovereenstemming over de verkoop hebben bereikt. Dat blijkt tevens uit de uiteindelijke akte van overdracht, die aansluit bij de volmachtverlening. Dat partijen gelieerd zijn doet aan het voorgaande niet af. Gelet hierop is het risico van waardeveranderingen reeds begin 2011 overgegaan van belanghebbende op [ Z ]. De omstandigheid dat blijkbaar belanghebbende na februari 2011 het merendeel van de facturen heeft betaald leidt het Gerecht niet tot een ander oordeel. Het gebeurt immers regelmatig dat een vennootschap bepaalde kosten van een onroerende zaak van de aandeelhouder betaalt. Dat betekent niet dat dan ook het risico voor waardeveranderingen van die onroerende zaak bij die vennootschap berust. Het kan op zijn hoogst leiden tot het vaststellen van een uitdeling.

4.7

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient de vergoeding die begin 2011 is overeengekomen (USD 315.640) tot uitgangspunt voor de heffing van ABB. Dit is slechts anders indien op dat moment de waarde in het economische verkeer hoger was dan de vergoeding. Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de vergoeding de waarde in het economisch verkeer op dat moment vertegenwoordigde. Ter onderbouwing heeft zij verwezen naar het door [ F ] opgestelde taxatierapport van 25 februari 2011 en naar het rapport van taxateur [ S ], die de door [ F ] getaxeerde waarde geloofwaardig acht.

4.8

Het Gerecht verwerpt het standpunt van belanghebbende. De Inspecteur heeft gesteld dat tot de datum van het taxatierapport USD 575.202 aan betalingen zijn verricht ten behoeve van de onroerende zaak (inclusief de grond). Daarbij zijn de kosten van de afgebroken eerdere aanbouw niet meegeteld. Dit bedrag is afkomstig van een door belanghebbende aan de Inspecteur verstrekt overzicht en is door belanghebbende niet betwist. De stand van het bouwdepot was op dat moment nog USD 519.821. Het Gerecht gaat er van uit dat deze gelden tot eind december 2011 geheel besteed zijn aan de bouw. Dat er daarnaast nog andere betalingen verricht zijn is gesteld noch gebleken. Ultimo 2011 is de waarde van de onroerende zaak, naar tussen partijen vaststaat, USD 1.500.000. Nu meer dan de helft van de kosten van de onroerende zaak gemaakt zijn vóór het tijdstip van de taxatie, acht het Gerecht het niet aannemelijk dat de waarde op dat moment slechts 315.640/1.500.000 = ca. 21% zou bedragen van de uiteindelijke waarde. Dit geldt temeer nu ten tijde van de taxatie de (ruw)bouw van de appartementen reeds was gevorderd tot en met het dakbeschot.

4.9

Op grond van de hiervoor vermelde becijferingen heeft de Inspecteur een waarde verdedigd van USD 575.202. Het Gerecht acht die waarde, gelet op hetgeen in 4.8 is overwogen, niet te hoog. De verschuldigde ABB bedraagt dan 0,08 maal USD 575.202 = USD 46.016. Omdat belanghebbende voordat de naheffingsaanslag is opgelegd reeds een bedrag van USD 25.251 heeft betaald dient de naheffingsaanslag beperkt te blijven tot USD 46.016 -/- USD 25.251 = USD 20.765.

5 BOETE

5.1

De levering van de onroerende zaak heeft plaatsgevonden op 29 december 2011. Op dat moment is de belaste prestatie verricht. In de notariële akte van die dag is opgenomen dat wegens de levering van de onroerende zaak ABB verschuldigd is. Belanghebbende kon dus redelijkerwijs op de hoogte zijn van de verschuldigdheid van ABB. Belanghebbende is dan ook ernstig nalatig geweest door de verschuldigde ABB niet of te laat te betalen. Dit geldt ook voor het gedeelte dat niet is betaald omdat van een te lage waarde van de onroerende zaak is uitgegaan. Gelet op hetgeen in 4.8 is overwogen moest belanghebbende beseffen dat de door de taxateur geschatte waarde te laag was. Het is aan grove schuld van belanghebbende te wijten dat de ABB niet (tijdig) is betaald.

5.2

Ingevolge artikel 8.26, lid 2 BBES en artikel 7, lid 2 van het Besluit Bestuurlijke Boeten BES kan de Inspecteur bij grove schuld een boete opleggen van 25% van het niet of niet tijdig betaalde bedrag. In dit geval is dat 25% over USD 46.016 = USD 11.504. Het Gerecht acht die boete passend en geboden.

6 PROCESKOSTENVERGOEDING EN GRIFFIERECHT

6.1

Het Gerecht vindt aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroepschrift redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten kunnen worden berekend op USD 782 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting, waarde per punt USD 391, wegingsfactor 1). Het Gerecht ziet geen aanleiding voor een integrale proceskostenvergoeding nu de Inspecteur in de procedure pleitbare standpunten heeft ingenomen.

6.2

Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 8:104, lid 4, BBES het betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

7 BESLISSING

De rechter in dit gerecht

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vermindert de naheffingsaanslag ABB tot USD 20.765;

- vermindert de boete tot USD 11.504;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van USD 782; en

- gelast de Inspecteur tot vergoeding aan belanghebbende van het in verband met het beroep betaalde griffierecht van USD 30.

Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. M.M de Werd, rechter in dit gerecht, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juli 2018, in tegenwoordigheid van de griffier N.N. Noël - van der Biezen BSc.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………….. aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

Wilhelminaplein 4

Willemstad

Curaçao

Partijen hebben ook de mogelijkheid hun beroepschrift in te dienen bij de griffie van het Gerecht dat deze uitspraak heeft gedaan:

Het Gerecht in eerste aanleg

Plasa Reina Wilhelmina (Fort Oranje)

Kralendijk

Bonaire

De datum van binnenkomst bij de griffie van het Gerecht in eerste aanleg is in dat geval bepalend voor de vraag of het beroep tijdig is ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is griffierecht ten bedrage van USD 60 verschuldigd. In het beroepschrift kan aan het Gemeenschappelijk Hof van Justitie worden verzocht om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.