Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEABES:2017:5

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
27-03-2017
Datum publicatie
08-05-2017
Zaaknummer
AR 2016/21 (Saba)
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht. Kort geding. Ontslag op staande voet

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/2376
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 27 maart 2017

Zaaknummer: AR 2016/21 (Saba)

Vonnisnr.

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

ZITTINGSPLAATS SABA

Vonnis in kort geding

in de zaak van

[eiser],

wonende te Saba,

eiser,

gemachtigde: mr. D.C. Daal

tegen

de naamloze vennootschap [gedaagde],

wonende te Saba,

gedaagde,

gemachtigde: mr. L.G.J. Berman.

1 De procedure

1.1.

Het Gerecht heeft kennis genomen van de volgende processtukken:

  1. verzoekschrift met producties d.d. 20 december 2016,

  2. akte eisvermeerdering/eiswijziging,

  3. producties van gedaagde (brief mr. Berman d.d. 10 maart 2017),

  4. pleitnota van mr. Daal,

  5. pleitnota van mr. Berman.

1.2.

De behandeling heeft plaatsgevonden op 13 maart 2017 in aanwezigheid van partijen en met hun instemming op Sint Maarten. Partijen hebben de standpunten toegelicht. De griffier heeft van het verhandelde aantekening gehouden.

1.3.

Hierna is vonnis bepaald dat met instemming van partijen op Sint Maarten wordt uitgesproken.

2 De feiten

2.1.

Tussen eiser als werknemer en gedaagde als werkgever is een schriftelijke arbeidsovereenkomst tot stand gekomen. Eiser is met ingang van 1 juni 2016 werkzaam als chef-kok in het hotel van gedaagde tegen een bruto salaris van USD 2.007,90 (“Basic Salary”) per maand plus emolumenten, zoals een appartement om in te wonen en waarvan de internet aansluiting en elektriciteit door gedaagde worden betaald.

2.2.

Gedaagde heeft op 27 augustus 2016 aan eiser mondeling ontslag op staande voet aangezegd.

2.3.

Tegen dit ontslag op staande voet heeft eiser door middel van een brief van zijn advocaat d.d. 2 december 2016 geprotesteerd. In die brief heeft eiser gedaagde gesommeerd hem toe te laten tot de overeengekomen werkzaamheden.

2.4.

Bij brief van 6 december 2016 reageert gedaagde als volgt:

“Please be informed that on behalf of Burgerlijk Wetboek BES Boek 7 Artikel 1615p 2.4 & 2.7 we were within our legal rights to terminate the labor relationship with Mr. Jose Delgado.”

2.5.

De aanleiding van het ontslag op staande voet is de aanrijding die eiser in de avond van 26 augustus 2016 of in de zeer vroege uren van 27 augustus 2016 met een van de bedrijfsauto’s van gedaagde heeft veroorzaakt. Hij is toen bij het uitparkeren tegen een stilstaande auto aangereden en heeft geen bericht achtergelaten voor de bestuurder van deze auto.

3 Het geschil

3.1.

Eiser vordert, na eiswijziging, dat het Gerecht, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de volgende beslissingen zal nemen:

  1. “verzoeker admissie te verlenen kosteloos te mogen procederen;

  2. gedaagde, te veroordelen tot betaling van het basis loon ten bedrage van USD 6.023,70, inclusief alle emolumenten (ex artikel 6.2 van de arbeidsovereenkomst), van eiseres en wel vanaf 27 augustus 2016, te vermeerderen met de vertragingsrente ex artikel 7A:1614q BWNA en de wettelijke rente, te rekenen vanaf 2 december 201t6 tot de dag der algehele voldoening en, voorts;

  3. gedaagde te veroordelen in de kosten van deze procedure.”

3.2.

Gedaagde verzoekt het Gerecht, om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, de volgende beslissingen te nemen naar aanleiding van de vorderingen van eiser:

“Primair

De vorderingen van eiser af te wijzen en/of ongegrond te verklaren en/of eiser niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek.

Subsidiair

De loonvordering van [eiser] te matigen tot nihil, dan wel deze te matigen tot een bedrag gelijk aan het loon over de periode 2 december 2016 tot 20 december 2016, dan wel een in goede justitie te bepalen bedrag.

Primair en subsidiair

Eiser te veroordelen in de kosten van dit geding en de nakosten, alles vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van het in deze te wijzen vonnis.”

3.3.

Op de argumenten van partijen zal het Gerecht hierna ingaan, voor zover zij relevant blijken voor de uitkomst van de procedure.

4 De beoordeling

Inleiding

4.1.

De spoedeisendheid is met de aard van de vorderingen gegeven.

4.2.

Voor toewijzing van de vorderingen in dit kort geding is het noodzakelijk dat in dit kort geding kan worden geoordeeld dat het zeer waarschijnlijk is dat de bodemrechter de vorderingen van eiser geheel of gedeeltelijk zal toewijzen.

Beëindiging met wederzijds goedvinden?

4.3.

Door gedaagde wordt als primair verweer aangevoerd dat met eiser op 27 augustus 2016 is afgesproken dat het dienstverband met onderling goedvinden zou worden beëindigd. Net als het ontslag op staande voet is deze overeenstemming niet vastgelegd in een brief. Eiser betwist dat hij heeft ingestemd met beëindiging van het dienstverband. Aldus dient het Gerecht te onderzoeken of eiser duidelijk en ondubbelzinnig heeft ingestemd met de beëindiging van het dienstverband. Uit het dossier blijkt niet van een dergelijke instemming. Gedaagde stelt dat eiser op 27 augustus 2016 de enveloppe met het tot dan toe verschuldigde salaris heeft geaccepteerd en dat hij tot eind september 2016 in het appartement is blijven wonen. Het Gerecht is van oordeel dat dit geen duidelijke en ondubbelzinnige instemming is met de beëindiging van het dienstverband. Het salaris was volgens gedaagde sowieso verschuldigd en als eiser niet in het appartement mocht blijven wonen zou hij pardoes dakloos zijn geworden. Aldus gaat het primaire verweer niet op.

Dringende reden

4.4.

Allereerst moet het Gerecht nagaan welke dringende redenen aan het ontslag op staande voet ten grondslag zijn gelegd nu gedaagde deze niet schriftelijk heeft medegedeeld aan eiser.

4.3.

Blijkens de pleitnota van eiser ziet de aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde dringende reden erop dat gedaagde van mening is dat eiser in ernstige mate de bekwaamheid of geschiktheid blijkt te missen tot de overeengekomen arbeid. En dat eiser opzettelijk, of ondanks waarschuwing, roekeloos de bedrijfsauto heeft beschadigd.

4.4.

Uit de stellingen van gedaagde blijkt dat de dringende redenen een nuance anders liggen. De dringende redenen bestaan er uit dat eiser onder invloed van alcohol een ongeval met de bedrijfsauto heeft veroorzaakt waardoor deze is beschadigd. Ook geldt dat hij is doorgereden na dit “ongeval” terwijl de andere auto was beschadigd. Verder wordt als dringende reden genoemd dat eiser, ondanks andersluidende instructies, de bedrijfsauto privé heeft gebruikt, meer in het bijzonder voor het stappen.

4.5.

Het Gerecht overweegt dat duidelijk is dat de dringende reden is dat eiser onder invloed van alcohol de bedrijfsauto heeft bestuurd, daarmee een aanrijding heeft veroorzaakt door tegen een geparkeerde auto aan te rijden en vervolgens is weg gereden zonder bericht achter te laten op de geparkeerde auto (waar volgens gedaagde de bestuurder overigens in zat). Een en ander terwijl volgens gedaagde bedrijfsbeleid niet toestaat dat eiser de bedrijfsauto privé gebruikt.

Rechtsgeldigheid ontslag op staande voet

4.6.

Subsidiair wordt door gedaagde gesteld dat het ontslag op staande voet rechtsgeldig is gegeven. Daarover overweegt het Gerecht het volgende. Over de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het ontslag staat het volgende vast:

  1. eiser heeft de bedrijfsauto gebruikt om te gaan stappen,

  2. er is een filmpje van zijn barbezoek waarop hij zegt dat hij dronken is,

  3. na barbezoek is hij tegen een geparkeerd staande auto aangereden,

  4. zonder bericht achter te laten is hij vertrokken,

  5. beide auto’s hebben lichte schade opgelopen.

4.7.

Door het Gerecht kan in dit kort geding niet worden vastgesteld dat binnen de onderneming van gedaagde de strikte regel bestaat dat bedrijfsauto’s niet voor privé bezoek mogen worden gebruikt. Gedaagde brengt een aantal schriftelijke verklaringen daarover in het geding van (ex-)werknemers. Daaruit blijkt in elk geval dat gedaagde niet de moeite heeft genomen om dit beleid aan het papier toe te vertrouwen (arbeidsovereenkomst of reglement). Gelet op de gemotiveerde betwisting door eiser van het bestaan van deze regel kan het Gerecht niet ervan uitgaan dat deze regel bestaat, ondanks de schriftelijke verklaringen nu in dit kort geding het waarheidsgehalte van de verklaringen, afkomstig van (ex-)werknemers, niet kan worden onderzocht.

4.8.

De Hoge Raad heeft de volgende maatstaf ontwikkeld voor het beoordelen van de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet. Bij de beantwoording van de vraag of de aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegde redenen als dringend in de zin van art. 7A:1615o BW hebben te gelden, moeten mede de persoonlijke omstandigheden van de werknemer worden betrokken, zoals zijn leeftijd en de gevolgen die het ontslag voor hem zou hebben. Maar ook indien deze gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van deze persoonlijke omstandigheden tegen de aard en ernst van de dringende reden tot de slotsom leiden dat een onmiddellijke beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerechtvaardigd is (vgl. HR 21 januari 2000, LJN AA4436, NJ 2000, 190).

4.9.

Het Gerecht oordeelt dat de aanrijding een ernstig incident is die als dringende reden kan gelden. Het Gerecht gaat ervan uit, gelet op het filmpje, dat eiser onder invloed van alcohol was toen hij de bedrijfsauto bestuurde. Hij zegt dat daarop zelf immers terwijl hij allerminst een nuchtere indruk maakt. Dat is hem ernstig verwijtbaar, temeer nu hij een aanrijding heeft veroorzaakt met een stil staande auto, waardoor schade is ontstaan, en hij niet gelijk actie heeft ondernomen om zijn contactgegevens achter te laten op de geparkeerde auto.

4.10.

Eiser wijst er echter op, indachtig voormelde maatstaf van de Hoge Raad, dat zijn persoonlijke omstandigheden in de weg staan aan het ontslag op staande voet. Hij wijst erop dat hij naar Saba is vertrokken om een jaar als chefkok te gaan werken voor gedaagde met alle persoonlijke investeringen van dien, dat hij voor zijn woning en verblijf afhankelijk is van gedaagde, dat hij een goed salaris verdiende en dat het verdienen van een vergelijkbaar salaris op Saba lastig is. Verder stelt hij dat hij heeft aangeboden de schade te vergoeden, beterschap heeft beloofd en dat hij een onberispelijk dienstverband heeft met veel verricht overwerk. Een en ander wordt door gedaagde niet, dan wel onvoldoende, betwist.

4.11.

Het Gerecht overweegt dat het ontslag op staande voet een uiterste middel is. Daarvan dient een werkgever in het algemeen terughoudend gebruik te maken. In het algemeen geldt immers dat een ontslag op staande voet betekent dat de werknemer direct geen inkomsten meer heeft. In deze zaak zijn de gevolgen nog ingrijpender gebleken omdat eiser door het ontslag ook zijn woonruimte verloor. Verder geldt dat eiser zijn thuisland heeft verlaten om voor gedaagde te gaan werken.

4.12.

Als deze persoonlijke omstandigheden worden afgewogen tegen de feiten die aan het ontslag op staande voet ten grondslag liggen, is het voorlopig oordeel dat gedaagde had moeten volstaan met een schriftelijke waarschuwing in de zin van: “eens maar nooit weer” en eiser had de schade moeten vergoeden aan de beide auto’s, zoals hij ook had aangeboden. Het Gerecht is dan ook van oordeel dat het zeer waarschijnlijk is dat in de bodemprocedure de rechter zal besluiten tot nietigheid van het ontslag op staande voet.

Terbeschikkingstelling voor de overeengekomen werkzaamheden

4.13.

Gedaagde voert meer subsidiair aan dat eiser zich pas door de brief van 2 december 2016 beschikbaar heeft gehouden voor het werk zodat over de periode voordien het loon en de emolumenten niet kunnen worden toegewezen. Dit verweer treft doel omdat het niet is weersproken anders dan met de mededeling dat eiser in de periode na het ontslag zich heeft gemeld bij het Departement van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Dat heeft echter niet geleid tot enige communicatie van dit Departement of eiser richting gedaagde zodat hieruit geen eerdere terbeschikkingstelling kan worden afgeleid.

4.14.

Dit betekent dat de loonvordering pas toewijsbaar is over de periode na 2 december 2016. Ter zitting is duidelijk geworden dat eiser gemiddeld circa USD 1.300,00 per maand weet te verdienen bij een andere werkgever op Saba. Dit bedrag strekt dus in mindering op de loonvordering. Het gebruik van het appartement en de energiekosten die tussen partijen zijn overeengekomen bedragen circa USD 900,00. Dat bedrag is dus eveneens toewijsbaar vanaf 2 december 2016.

4.15.

Het Gerecht zal de gevorderde wettelijke verhogingen en rente niet toewijzen. Partijen dienen in onderling overleg of in de bodemprocedure uit te zoeken welke bedragen door gedaagde precies verschuldigd zijn geworden zodat daarover de wettelijke verhogingen en rente kunnen worden uitgerekend.

4.16.

Op de toe te wijzen bedragen strekt in mindering USD 581,80. Dat is de schade aan de beide auto’s, blijkende uit offertes die door eiser niet worden weersproken. De schadevergoeding ten behoeve van de eigenaar van de geparkeerde auto dient door gedaagde aan hem te worden betaald, voor zover dat nog niet is gebeurd.

4.17.

Als overwegend in het ongelijk gestelde partij dient gedaagde in de proceskosten te worden veroordeeld.

5 De beslissing

Het Gerecht in Eerste Aanleg:

rechtdoende in kort geding:

verleent gratis admissie aan eiser,

veroordeelt gedaagde om aan eiser te betalen het overeengekomen loon van USD 2.007,90 bruto per maand plus USD 900,00 per maand aan woon- en energiekosten, waarop in mindering strekt USD 1.300,00 bruto per maand, ingaande 3 december 2016 tot de dag dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, waarop eveneens in mindering strekt USD 581,80 wegens door eiser aan gedaagde verschuldigde schadevergoeding,

veroordeelt gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van eiser begroot op nihil aan griffierechten, NAf 229,50 aan verschotten en op NAf 1.000,00 aan salaris gemachtigde,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken op 27 maart 2017 in aanwezigheid van de griffier.