Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEABES:2017:47

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
02-06-2017
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
KG 15 van 2017
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Afwijzing vorderingen tot opheffing beslagen en voorschot misgelopen winst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

Burgerlijke zaken over 2017

Registratienummer: KG 15 van 2017

Datum uitspraak: 2 juni 2017

VONNIS

inzake

[eiseres],

wonende te Bonaire,

eiseres,

gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas,

tegen

de vennootschap naar het recht van Anguilla Den Laman,

te dezer zake domicilie gekozen hebbende te Bonaire,

gedaagde,

hierna te noemen: Den Laman,

gemachtigde: mr. C.A. Peterson,

en

[gedaagde sub 2],

wonende te Bonaire,

gedaagde,

hierna te noemen: gedaagde sub 2,

gemachtigde: mr. C.A. Peterson.

De procedure

Voor het procesverloop wordt verwezen naar de volgende stukken:

- het inleidend verzoekschrift van 11 april 2017 met producties;

- de door mr. Peterson op voorhand toegezonden producties;

- de pleitnota van mr. Nicolaas, respectievelijk de pleitnotities van mr. Peterson, overgelegd bij de behandeling van het kort geding.

Die behandeling heeft plaatsgevonden ter zitting van 19 mei 2017.

Vonnis is bepaald op heden.

De vordering en het verweer

De vordering van [eiseres] strekt ertoe dat Den Laman en [gedaagde sub 2] zal worden gelast de executoriale en conservatoire beslagen op de onroerende zaak, in het verzoekschrift aangeduid als “Kaminda Lagoen”, op te heffen, op straffe van een dwangsom bij niet voldoening daaraan, alsmede dat Den Laman zal worden veroordeeld bij wijze van voorschot een bedrag van

US$ 187.000,- aan [eiseres] te betalen ten titel van misgelopen winst op de verkoop van Kaminda Lagoen, alles met veroordeling van Den Laman en [gedaagde sub 2] in de proceskosten.

Den Laman en [gedaagde sub 2] hebben verweer gevoerd, waarop zo nodig in de volgende rechtsoverwegingen wordt ingegaan.

De beoordeling van de vorderingen

1. Voor toewijzing van een vordering in kort geding is vereist dat met een voldoende mate van zekerheid kan worden geoordeeld, dat de vordering bij beoordeling in een bodemgeschil/ hoofdzaak kan worden toegewezen. Dat [eiseres], zoals zij heeft gesteld (punt 43 verzoekschrift), “een gerede kans” heeft in een bodemprocedure is op zichzelf onvoldoende.

2. De kern van de vordering is dat het beslag op Kaminda Lagoen moet worden opgeheven omdat Den Laman (de internationale investeringsmaatschappij van [gedaagde sub 2]) en [gedaagde sub 2] het beslag met misbruik van recht niet willen opheffen. [Eiseres] heeft gesteld dat er voor de vorderingen die Den Laman en [gedaagde sub 2] mogelijk nog op haar zouden hebben voldoende zekerheid overblijft doordat ook andere beslagen zijn gelegd, met name op de onroerende zaak Kaya Berillo. Daarom is volgens [eiseres] handhaving van het beslag op Kaya Lagoen jegens haar onrechtmatig.

3. Dat laatste gaat in elk geval niet op voor zover aan het beslag inmiddels executoriaal is geworden, hetgeen onweersproken het geval is voor de vordering van US$ 36.617,-.

4. Voor het overige moet getoetst worden, daarover zijn partijen het eens, aan de in artikel 705 Rv opgenomen norm: “indien summierlijk van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag blijkt, of, zo het beslag is gelegd voor een geldvordering, indien voor deze vordering voldoende zekerheid wordt gesteld”.

5. In punt 34 van haar verzoekschrift erkent [eiseres] dat de opeisbare vorderingen van [gedaagde sub 2] op haar een totaal van (US$ 100.000,- + US$ 165.000,- + US$ 37.617,- =) US$ 302.617,- belopen. Het zijn door haar voormalige echtgenoot aan [gedaagde sub 2] gecedeerde vorderingen uit hoofde van de verdeling van de gemeenschap die tussen [eiseres] en [voormalige echtgenoot] heeft bestaan.

6. Het geschil spitst zich erop toe, of daarnaast nog een vordering van [gedaagde sub 2] en/of Den Laman op [eiseres] bestaat uit hoofde van de zakelijke samenwerking die tussen [gedaagde sub 2]/Den Laman, [voormalige echtgenoot] en [eiseres] heeft bestaan in entiteiten als Yachtclub Apartments N.V., Oljabak N.V. en Tropical Motors Bonaire N.V. heeft bestaan. De stelling van [eiseres] is dat het haar destijds vrijstond het op alleen haar naam staande recht op het perceel waarop Tropical Motors Bonaire N.V. was gevestigd te vervreemden. [Gedaagde sub 2] en Den Laman stellen daar tegenover dat zij uit hoofde van het verbreken van de zakelijke samenwerking nog een omvangrijke vordering op [eiseres] hebben, die aan de orde is in de procedure AR 59 van 2016. In die procedure zal op de rol van 24 mei 2016 voor repliek/antwoord worden geconcludeerd (en voegt het Gerecht daar aan toe: staat de zaak inmiddels voor dupliek/repliek op de rol van 28 juni 2017).

7. In punt 31 van haar verzoekschrift heeft [eiseres] aangehaald dat sprake is van een verstrengeling van zakelijke en privéverhoudingen tussen [eiseres], [voormalige echtgenoot] en [gedaagde sub 2] en de aan hen gelieerde vennootschappen. Dat komt juist voor. Die omstandigheid maakt het duidelijk dat thans niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden geoordeeld, dat de gelegde beslagen vexatoir of anderszins onrechtmatig zijn gelegd. Het is te voorzien dat nader feitenonderzoek nodig is vooraleer de door [eiseres] bepleite standpunten eventueel komen vast te staan en het Gerecht oordeelt dat dit kort geding zich daarvoor niet leent. In elk geval kan niet worden staande gehouden dat het verweer van [gedaagde sub 2] en Den Laman van iedere grond is ontbloot, nu [eiseres] zich focust op de vrijheid die zij had en het voormelde perceel te gelde te maken en de opbrengst voor zichzelf te houden, terwijl [gedaagde sub 2] en Den Laman zich beroepen op de noodzaak van een ontrafeling van de zakelijke samenwerking, waarvan de complexiteit door [eiseres] wordt bevestigd, en verdere onderlinge afrekening. De conclusie is duidelijk: aan de in rechtsoverweging 4 vermelde norm wordt niet voldaan. Het eerste deel van de vordering moet worden afgewezen.

8. Het tweede deel van de vordering, de vergoeding van de misgelopen winst bij verkoop, moet ook worden afgewezen, al was het alleen maar omdat de door [eiseres] gestelde overeenkomsten compleet onvoldoende zijn toegelicht. De ter terechtzitting in kort geding aanwezige dochter van [eiseres] heeft, op verzoek van [eiseres] zelf, onder meer toegelicht dat Kaminda Lagoen een groot perceel van 23.000 m2 met omvangrijke opstallen betreft. Het komt op voorhand totaal onwaarschijnlijk voor, dat de thans genoemde verkoopprijs van US$ 150.000,- inclusief die opstallen een weerspiegeling vormt van de waarde van het perceel in het economisch verkeer. Daarmee wordt ieder schadebedrag speculatief.

9. Tenslotte scoort ook het spoedeisend karakter van de zaak niet hoog, omdat, als aangehaald, de bodemzaak al aanhangig is en de conclusiewisseling al tot de dupliek/repliek is gevorderd. In die zaak is [eiseres] aan zet, zodat zij de voortgang van die procedure, en daarmee het verkrijgen van een uitspraak in het bodemgeschil, thans vooral in eigen hand heeft.

10. De afwijzing van de vorderingen brengt mee dat [eiseres] is de kosten van het geding zal worden veroordeeld. Met toepassing van artikel 230 Rv zal die kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

De beslissing

Het Gerecht, recht doende in kort geding:

Wijst de vorderingen van [eiseres] af;

Veroordeelt [eiseres] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van [gedaagde sub 2] en Den Laman begroot op US$ 2.795,-;

Verklaart dit vonnis met betrekking tot de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P.M. van den Dungen, rechter in voormeld Gerecht en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 2 juni 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.