Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEABES:2017:31

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
11-08-2017
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
EJ 34 van 2017
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Familiezaak. Het Gerecht acht het ontbreken van de mogelijkheid om via de rechter met het gezamenlijk gezag over een minderjarige te worden belast in strijd met het recht op ‘family life’. Het Gerecht gaat daarom over tot behandeling van het verzoek. Een verzoek dat ertoe strekt de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten, terwijl de andere ouder niet met het gezamenlijk gezag instemt wordt slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hier binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in zou komen, of indien afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. Het Gerecht is van oordeel dat niet is gebleken dat de minderjarige klem en verloren zal raken tussen haar ouders. Voorts is de communicatie tussen de ouders niet dusdanig slecht dat zij niet in staat moeten worden geacht in het belang van de minderjarige met elkaar te communiceren. Het Gerecht wijst het verzoek van de vader om hem gezamenlijk met de moeder te belasten met het gezag over de minderjarige toe. Ook stelt het Gerecht een omgangsregeling tussen de vader en de minderjarige vast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HET GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

Registratienummer : EJ 34 van 2017

Datum uitspraak : 11 augustus 2017

BESCHIKKING (artikelen 1:252 en 1:377a BW BES)

in de zaak van

[verzoeker],

wonend op Bonaire,

verzoeker,

hierna: de vader,

gemachtigde: mr. M.M.A. van Lieshout,

en

[verweerster],

wonend op Bonaire,

verweerster,

hierna: de moeder,

gemachtigde: mr. E.J. Winkel.

De procedure

1. Het Gerecht heeft kennis genomen van het verzoekschrift van de vader, met producties,

ingekomen ter griffie op 6 april 2017 en het verweerschrift van de moeder tevens zelfstandig tegenverzoek, met producties, ingekomen ter griffie op 3 mei 2017.

2. Tijdens de mondelinge behandeling van 3 mei 2017 is de zaak aangehouden tot de rolzitting van

28 juni 2017 teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zelf tot een regeling te komen.

3. Bij de mondelinge behandeling van 28 juni 2017 zijn partijen tezamen met hun gemachtigden

verschenen. Ook was een vertegenwoordiger van de Voogdijraad aanwezig.

4. Na de mondelinge behandeling van 28 juni 2017 hebben partijen nog e-mails gewisseld,

waarvan het Gerecht kennis heeft genomen.

5. De beschikking is bepaald op heden.

De vaststaande feiten

6. De volgende feiten staan tussen partijen vast:

  • -

    partijen hebben gedurende drie jaar een affectieve relatie met elkaar gehad;

  • -

    uit de relatie van partijen is op [geboortedatum] te [geboorteplaats] het thans nog minderjarige

kind [minderjarig kind] geboren;

  • -

    de vader heeft [minderjarig kind] erkend;

  • -

    de moeder is belast met het gezag over [minderjarig kind];

  • -

    [minderjarig kind] verblijft bij de moeder;

  • -

    op 25 oktober 2016 heeft de Voogdijraad en verzoek ingediend om de omgangsregeling tussen

partijen over [minderjarig kind] vast te stellen, bij het Gerecht geregistreerd onder nummer EJ 112 van 2016;

- bij beschikking van 26 oktober 2016 heeft dit Gerecht bepaald dat de vader maandelijks een

bedrag van $ 150,- aan alimentatie dient te betalen voor [minderjarig kind];

- op 7 december 2016 heeft dit Gerecht in de procedure EJ 112 van 2016 op het op 25 oktober

2016 ingediende verzoek een beschikking gewezen waarin het volgende is beslist:

“(…)

Het Gerecht:

Stelt als omgangsregeling tussen de vader en [minderjarig kind] vast, dat zij omgang zullen hebben in een frequentie en duur als partijen in onderling overleg afspreken, waarbij het de vader is toegestaan zonder toezicht van de moeder de omgang invulling te geven.

(…)”.

Het verzoek van de vader

7. De vader verzoekt, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, hem samen met de moeder te

belasten met het gezamenlijk gezag over [minderjarig kind], een omgangsregeling betreffende [minderjarig kind] te bepalen en een bedrag voor alimentatie vast te stellen waarbij rekening wordt gehouden met de omgangsregeling, met veroordeling van moeder in de kosten van dit geding.

8. Anders dan in het verzoekschrift vermeld was de communicatie tussen partijen ten tijde van de

mondelinge behandeling weer op gang gekomen Vader had toen omgang met [minderjarig kind]. Na de laatste mondelinge behandeling is dit contact, zo begrijpt het Gerecht, weer gestagneerd. Vader wil graag meebeslissen in het leven van [minderjarig kind] en een grotere invulling geven aan het vaderschap. Hij stelt in zijn verzoekschrift een omgangsregeling voor. Vader ziet geen enkele reden waarom de omgansgregeling niet kan worden hervat of uitgebreid zoals thans door hem wordt voorgesteld. Hij stelt zich op het standpunt dat [minderjarig kind] zich goed ontwikkelde op het moment dat er omgang was. Vader neemt zijn rol als opvoeder serieus en wil graag tijd met [minderjarig kind] doorbrengen. Hij volgt een cursus waarin wordt geleerd om te gaan met peuters. Vader is van mening dat de communicatie met moeder hersteld kan worden aangezien zij in het verleden wel met elkaar communiceerden. Ook stelt vader dat gezamenlijk gezag in het belang is van [minderjarig kind].

9. Vader heeft naar eigen zeggen maandelijks alimentatie voor [minderjarig kind] overgemaakt

naar moeder. Ook de extra bijdrage voor de crèche die moeder had verzocht heeft vader betaald. Bij vaststelling van het gewijzigde alimentatiebedrag moet rekening worden gehouden met zijn financiële verplichting als [minderjarig kind] bij hem verblijft. Vader heeft er geen bezwaar tegen een bijdrage te betalen voor de kosten van de crèche, maar is wel van mening dat partijen op zoek dienen te gaan naar een crèche die beter binnen hun budget past.

Het verweer van de moeder

10. De moeder heeft verweer gevoerd dat -kort gezegd- op het volgende neerkomt. Volgens

moeder is gezamenlijk gezag niet in het belang van [minderjarig kind], omdat ouders niet op één lijn zitten qua opvoeding, en hun communicatie nog te wensen overlaat. Volgens moeder bestaat daardoor een onaanvaardbaar risico dat [minderjarig kind] klem en verloren raakt tussen beide ouders, en is het niet te verwachten dat er binnen afzienbare tijd verbetering in deze situatie zal komen. Volgens moeder kan uit vaste jurisprudentie worden afgeleid dat in dit soort gevallen gerechtvaardigd is dat het ouderlijk gezag aan slechts één van de ouders toekomt. Ook hebben partijen sinds de de vijfde levensmaand van [minderjarig kind] niet meer samengewoond, waardoor zij nooit samen de verantwoordelijkheid voor de opvoeding hebben gedragen. Het is juist in het belang van [minderjarig kind] dat er geen gezamenlijk gezag is.

11. Moeder heeft geen bezwaar tegen een omgangsregeling tussen vader en [minderjarig kind],

maar zij heeft het vertrouwen in vader als mede opvoeder volledig verloren. Moeder heeft er bezwaar tegen dat er bij vader thuis geen regels zijn en dat [minderjarig kind] doet en laat waar ze zin in heeft. Voorts gaat [minderjarig kind] volgens moeder bij vader thuis te laat naar bed, wordt [minderjarig kind] bij vader thuis gepest door de zus van vader en treedt vader daar niet tegen op, spreekt de familie van vader vulgaire taal uit en wil de nieuwe vriendin van vader de moederrol innemen wat verwarring bij [minderjarig kind] veroorzaakt.

12. Ten aanzien van de alimentatie meent moeder dat er bij vaststelling van het bedrag is

vooruitgelopen op de feiten. Vader dient thans een bedrag van $ 150,- te betalen waarbij er vanuit is gegaan dat vader meer tijd krijgt met [minderjarig kind]. Volgens moeder dient het alimentatiebedrag te correleren met de omgangsregeling, waardoor de hoogte daarvan pas kan worden vastgesteld als de omgangsregeling is bepaald. Moeder heeft voorts een zelfstandig tegenverzoek ingediend dat er op neerkomt dat zij betaling vordert van de door vader onbetaald gebleven alimentatiebedragen over de maanden, januari tot en met april 2017 totaal een bedrag van $ 600,-. Ter zitting heeft moeder haar vordering gewijzigd naar $ 300,- zijnde onbetaald gebleven alimentatie over de maanden november 2016 en februari 2017.

De beoordeling

13. Op grond van artikel 1:252 eerste lid BW BES oefenen de ouders die niet met elkaar zijn

gehuwd noch met elkaar gehuwd zijn geweest en die nimmer het gezag over hun minderjarige kinderen gezamenlijk hebben uitgeoefend, dit gezamenlijk uit, indien zulks op hun beider verzoek in het in artikel 244 bedoelde register is aangetekend. De wet voorziet niet in de totstandkoming van het gezamenlijk gezag in bedoelde situatie door rechterlijke tussenkomst.

14. Het onthouden aan de vader van de mogelijkheid het gezamenlijk gezag via de rechter tot stand

te doen komen zou echter een niet door de uitzonderingen van artikel 8 tweede lid EVRM bestreken beperking inhouden van het gegarandeerde recht op respect op zijn gezinsleven “family life” als bepaald in in artikel 8 eerste lid EVRM. Daarom zal de vader worden ontvangen in zijn verzoek.

15. Een verzoek dat ertoe strekt de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten, terwijl de andere

ouder niet met het gezamenlijk gezag instemt wordt slechts afgewezen indien er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hier binnen afzienbare tijd voldoende verbetering in zou komen, of indien afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is. De moeder is van oordeel dat doordat de ouders qua opvoeding niet op één lijn zitten en hun communicatie te wensen overlaat [minderjarig kind] klem en verloren zal raken tussen hen. Vader heeft gesteld dat gezamenlijk gezag hem de mogelijkheid geeft een grotere invulling aan zijn vaderrol te geven, en hij graag over aangelegenheden die [minderjarig kind] betreffen wenst mee te beslissen.

16. Voor gezamenlijk gezag is vereist dat ouders in staat zijn tot een behoorlijke

gezagsuitoefening. Ouders moeten beslissingen van enig belang over hun kind in gezamenlijk overleg kunnen nemen. Zij moeten tenminste in staat zijn afspraken te maken over situaties die zich rond het kind (kunnen) voordoen, zodanig dat het kind niet klem en verloren zal raken tussen de ouders. Het ontbreken van (goede) communicatie tussen ouders, en het feit dat ouders qua opvoeding volgens moeder niet op één lijn zitten brengt niet zonder meer mee dat in het belang van het kind het gezamenlijk gezag niet kan worden uitgesproken. Ook zijn de problemen tussen ouders niet zodanig ernstig dat het risico dat het kind klem en verloren zal raken tussen ouders onaanvaardbaar is. Ten aanzien van het communicatieprobleem tussen ouders geldt dat het te verwachten is dat daar binnen afzienbare tijd verbetering in zal komen. Partijen hebben gedurende een bepaalde periode immers met elkaar gecommuniceerd over [minderjarig kind]. De te wensen overlatende communicatie tussen de ouders houdt sterk verband met de tussen hen spelende ex-partner problematiek.

17. Er is, anders dan de moeder vreest, geen aanwijzing dat de vader zijn gezag zal misbruiken. Hij

geeft juist de indruk betrokken te zijn bij zijn dochter. Vader volgt een cursus om beter te (kunnen) leren omgaan met peuters, en hij heeft aangegeven met moeder te willen meedenken over het vinden van een andere crèche die meer binnen het budget van partijen past. Partijen moeten in staat worden geacht om over de voor hun beide belangrijke punten in de opvoeding onderlinge afspraken te maken. Als een kind opgroeit met twee ouders die niet samen een huishouding voeren zullen er altijd verschillen bestaan in de opvoeding bij beide ouders. De Voogdijraad heeft ter zitting aangevoerd dat de verschillen in de opvoedstijlen van ouders geen problemen zullen opleveren voor de ontwikkeling van [minderjarig kind]. Het is van belang dat [minderjarig kind] door tijd bij vader door te brengen gewend kan raken aan deze verschillen. De verschillen tussen de opvoedstijlen van beide ouders staan de uitoefening van het gezamenlijk gezag niet in de weg. Het Gerecht volgt de opvatting van de Voogdijraad. Het verzoek van de vader hem samen met de moeder te belasten met het gezag over [minderjarig kind] kan worden toegewezen.

18. Op het verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling oordeelt het Gerecht als volgt. Op

grond van artikel 1:377a eerste en tweede lid BW BES hebben vader en [minderjarig kind] recht op omgang met elkaar en stelt het Gerecht een omgangsregeling vast. Moeder heeft aangegeven geen bezwaar te hebben tegen omgang, maar vader nog niet volledig te vertrouwen. Moeder kan alleen instemmen met omgang tussen vader en [minderjarig kind] bij haar thuis en onder haar toezicht. Voordat de communicatie spaak liep had vader een aantal uren omgang met [minderjarig kind], bij hem thuis, zonder toezicht van moeder.

19. De Voogdijraad heeft het belang van omgang zonder toezicht tussen vader en [minderjarig kind]

benadrukt. Omgang met toezicht zal ertoe leiden dat [minderjarig kind] het gevoel krijgt dat het alleen veilig is bij moeder. Omgang zonder toezicht is van belang zodat vader en [minderjarig kind] de kans krijgen een band op te bouwen, en ook zodat [minderjarig kind] kan wennen aan de situatie bij vader thuis. Het Gerecht is van oordeel dat de omgang tussen vader en [minderjarig kind] kan worden uitgebreid. Dat past ook bij de situatie waarin ouders gezamenlijk met het gezag over hun kind zijn belast. De omgangsregeling dient wel gefaseerd op gang te worden gebracht om [minderjarig kind] en de ouders de gelegenheid te geven aan de nieuwe regeling te wennen. Het Gerecht zal de omgangsregeling als volgt bepalen:
Eerste maand: [minderjarig kind] verblijft in de even weken op woensdagmiddag (of een andere doordeweekse middag) twee tot drie uur vanuit de crèche tot het begin van de avond, en in het weekend een volle dag, inclusief avondeten en (eventuele) middagslaap bij vader. In de oneven weken verblijft [minderjarig kind] twee keer per week (op een doordeweekse dag) twee tot drie uur vanuit de crèche tot begin van de avond bij vader.

Tweede maand: [minderjarig kind] verblijft in de even weken op woensdagmiddag (of een andere doordeweekse middag) twee tot drie uur vanuit de crèche tot het begin van de avond, en van zaterdagochtend tot zondagmiddag (dus inclusief overnachting) bij vader. In de oneven weken verblijft [minderjarig kind] twee keer per week (op een doordeweekse dag) twee tot drie uur vanuit de crèche tot begin van de avond bij vader.
Vanaf de derde maand: In de even weken verblijft [minderjarig kind] op woensdagmiddag (of een andere doordeweekse middag) twee tot drie uur in de middag vanuit de crèche tot begin van de avond en van vrijdagmiddag (vanuit de crèche) tot zondagavond (na het avondeten) bij vader. In de oneven weken verblijft [minderjarig kind] twee keer per week (op een doordeweekse dag) twee tot drie uur vanuit de crèche tot begin van de avond bij vader.

20. Vader heeft voorts verzocht hem ook gedurende de officiële vrije dagen en de vakanties

omgang met [minderjarig kind] toe te kennen. Het Gerecht is van oordeel dat opgemelde omgangsregeling ook in de vakanties tussen partijen kan worden voortgezet. Daarnaast acht het Gerecht partijen in staat om over afwijkingen gedurende de vakantieperiode met elkaar overeenstemming te bereiken. Dat laatste geldt ook ten aanzien van de officiële vrije dagen.

21. Vader heeft verzocht het alimentatiebedrag te wijzigen, waarbij rekening wordt gehouden

met de nieuwe omgangsregeling. Bij beschikking van 26 oktober 2016 is bepaald dat vader maandelijks een bedrag van $ 150,- aan moeder dient te betalen als bijdrage in de kosten voor de verzorging en opvoeding van [minderjarig kind]. Het Gerecht is van oordeel dat dit alimentatiebedrag redelijk is. De (nieuwe) omgansgregeling die zal worden bepaald maakt dit oordeel niet anders. Ter zitting is voorts niet gebleken dat vader niet beschikt over de draagkracht om dit bedrag maandelijks te betalen. Vader heeft zich immers bereid verklaard bovenop dit bedrag de door de moeder gevraagde bijdrage van $ 50,- per maand voor de kosten van de crèche te betalen. Het door vader aan moeder te betalen alimentatiebedrag bedraagt dan $ 200,- per maand. Dat bedrag staat gelijk aan de behoefte van een kind van de leeftijd van [minderjarig kind]. De tijd die [minderjarig kind] in gevolge de omgansregeling bij vader zal doorbrengen, rechtvaardigt geen verandering in dit bedrag. Vader dient het bedrag van $ 200,- per 1 juli 2017, de maand volgend op de maand waarin partijen de afspraak zijn overeengekomen, aan de moeder te betalen.

22. Op de tegenvordering van moeder hoeft het Gerecht niet meer te beslissen nu moeder al over

een titel beschikt voor de inning van de achterstallige alimentatie. Bovendien heeft vader na de

laatste mondelinge behandeling een betalingsbewijs overgelegd waaruit blijkt dat hij de openstaande alimentatiebedragen, totaal $ 300,-, heeft voldaan.

23. Het Gerecht merkt nog op dat partijen er verstandig aan doen zich te onthouden van het doen

van impulsieve uitlatingen via social media. Deze uitlatingen lokken gezien de gespannen verhoudingen negatieve reacties uit, en zijn geenszins in het belang van [minderjarig kind] om contact te hebben met beide ouders.

24. Gelet op de relatie tussen partijen, als voormalig partners, zal het Gerecht de proceskosten

tussen hen compenseren, aldus dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

Beslissing

Het Gerecht:

Belast de vader, [de vader], gezamenlijk met de moeder, [de moeder], met het gezag over [minderjarig kind], geboren op [geboortedatum] en wonend te [woonplaats].

Bepaalt de omgangsregeling tussen de vader [de vader], en [minderjarig kind] als volgt:

Eerste maand: [minderjarig kind] verblijft in de even weken op woensdagmiddag (of een andere doordeweekse middag) twee tot drie uur vanuit de crèche tot het begin van de avond, en in het weekend een volle dag, inclusief avondeten en (eventuele) middagslaap bij vader. In de oneven weken verblijft [minderjarig kind] twee keer per week (op een doordeweekse dag) twee tot drie uur vanuit de crèche tot begin van de avond bij vader.

Tweede maand: [minderjarig kind] verblijft in de even weken op woensdagmiddag (of een andere doordeweekse middag) twee tot drie uur vanuit de crèche tot het begin van de avond, en van zaterdagochtend tot zondagmiddag (dus inclusief overnachting) bij vader. In de oneven weken verblijft [minderjarig kind] twee keer per week (op een doordeweekse dag) twee tot drie uur vanuit de crèche tot begin van de avond bij vader.


Vanaf de derde maand: In de even weken verblijft [minderjarig kind] op woensdagmiddag (of een andere doordeweekse middag) twee tot drie uur in de middag vanuit de crèche tot begin van de avond en van vrijdagmiddag (vanuit de crèche) tot zondagavond (na het avondeten) bij vader. In de oneven weken verblijft [minderjarig kind] twee keer per week (op een doordeweekse dag) twee tot drie uur vanuit de crèche tot begin van de avond bij vader.

Bepaalt dat de vader, [de vader], met ingang van 1 juli 2017 een bedrag van $ 200,- per maand aan de moeder zal betalen als bijdrage in de kosten voor de verzorging en opvoeding van [minderjarig kind], telkens per vooruitbetaling te voldoen tot aan de dag dat [minderjarig kind] haar meerderjarigheid bereikt.

Compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, aldus dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.P.M. van den Dungen, rechter in voormeld Gerecht en uitgesproken op bovengenoemde datum in tegenwoordigheid van de griffier.