Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEABES:2016:6

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
07-03-2016
Datum publicatie
17-03-2016
Zaaknummer
BBZ nr. 68543 van 2015
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De omstandigheid dat ter zak van de verhuur van auto ’s verhuurautobelasting geheven wordt leidt er niet toe dat ter zake van de omzet verkregen met de verhuur van auto ’s geen algemene bestedingsbelasting geheven kan worden. Het beroep van belanghebbende op het gelijkheidsbeginsel faalt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 7 maart 2016

BBZ nr. 68543 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE

Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van

hoofdstuk VIII, titel acht, afdeling drie van de Belastingwet BES van:

X N.V., gevestigd te Bonaire ,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Bonaire,

de Inspecteur,

1 PROCESVERLOOP

1.1

Belanghebbende heeft op 15 april 2013 aangifte gedaan van verschuldigde Algemene Bestedingsbelasting (ABB) over de periode januari-maart 2013 tot een bedrag van $ 29.662 en dat bedrag op 12 april 2013 voldaan.

1.2.

Belanghebbende heeft hiertegen op 18 april 2013 bezwaar aangetekend.

1.3

Met dagtekening 24 maart 2014 heeft de Inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar afgewezen.

1.4

Bij brief met dagtekening 2 mei 2014, bij het Gerecht binnengekomen op 6 mei 2014, heeft belanghebbende beroep aangetekend tegen de uitspraak op bezwaar. Zij heeft daarvoor $ 30 aan griffierecht voldaan. De Inspecteur heeft op 9 januari 2015 een verweerschrift ingediend.

1.5

De zitting bij de Raad van Beroep voor Belastingzaken (hierna: de Raad van Beroep) heeft plaatsgevonden op 30 maart 2015 te Kralendijk. Aldaar zijn verschenen namens belanghebbende de directeur, A en de gemachtigde, mr. B, verbonden aan Baker Tilly Bonaire en namens de Inspecteur C en D. Aan het einde van de zitting heeft de Raad van Beroep aan belanghebbende verzocht nadere gegevens te verstrekken en is de zitting verdaagd. Belanghebbende heeft op 28 april 2015 nadere gegevens en een nadere toelichting verstrekt, waarop de Inspecteur bij brief van 22 mei 2015 heeft gereageerd. Vervolgens heeft de zitting bij het Gerecht in eerste aanleg Bonaire plaatsgevonden op 8 januari 2016. Aldaar zijn verschenen namens belanghebbende, A en namens de Inspecteur mrs. E en drs. F.

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende exploiteert een autoverhuurbedrijf op Bonaire. Vrijwel de gehele omzet bestaat uit opbrengsten uit de verhuur van auto’s aan toeristen. Ter zake van de omzet heeft belanghebbende over het tijdvak januari-maart 2013 een bedrag van $ 29.662 aan ABB voldaan. DE ABB is een rijksbelasting.

2.2

Ter zake van de verhuur van auto’s heeft belanghebbende over dezelfde periode ingevolge de Eilandsverordening van 14 december 1992, nr. 1 regelende de heffing en invordering van een verhuurautobelasting (hierna: de eilandsverordening) een bedrag aan verhuurautobelasting (hierna: VAB) voldaan van $ 4 per dag per verhuurde auto. Dit betreft een lokale belasting die geheven wordt door het Openbaar Lichaam Bonaire.

2.3

Belanghebbende heeft ook bezwaar en beroep ingesteld tegen de (betaling op) aangifte VAB over de periode april-juni 2013. Deze zaak is gelijktijdig behandeld met de onderhavige procedure.

3 GESCHIL

In geschil is de vraag of terecht ABB is geheven van belanghebbende. Belanghebbende meent van niet en de Inspecteur heeft de tegenovergestelde mening.

4 STANDPUNTEN PARTIJEN

4.1

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de ABB en de VAB dezelfde dienst belasten zodat zowel in economische als in materiële zin sprake is van dubbele belastingheffing. Een deugdelijke wetgever zal in de ogen van belanghebbende zoveel mogelijk dubbele heffing vermijden en dat is ook opgenomen in artikel 6.11, lid 2 van de Belastingwet BES (hierna: BwB). Daarnaast is belanghebbende van mening dat zij ongelijk wordt behandeld ten opzichte van hotels. Immers, belanghebbende opereert ook in de toeristenbranche en bij hotels wordt dubbele heffing wel voorkomen nu zij vrijstelling krijgen van ABB indien zij toeristenbelasting verschuldigd zijn (artikel 6.11, lid 1, letter k BwB). Op deze wijze worden twee verschillende branches die aan dezelfde doelgroep diensten verlenen, ongelijk behandeld. Tenslotte stelt belanghebbende zich op het standpunt dat het gelijkheidsbeginsel geschonden is omdat de meerderheid van autoverhuurbedrijven geen ABB en/of verhuurautobelasting zou betalen. Door al jarenlang oogluikend toe te staan dat een aantal bedrijven de verschuldigde belasting niet afdraagt, heeft de overheid haar taak ernstig veronachtzaamd.

4.2

Volgens de Inspecteur staat een heffing van VAB niet aan de heffing van ABB in de weg. De VAB is een eilandelijke heffing met een andere maatstaf en ook is sprake van verschillende diensten. Bovendien, al zou sprake zijn van één dienst, het komt wel vaker voor dat over een dienst meerdere belastingen verschuldigd zijn. De Inspecteur stelt zich voor wat betreft het gelijkheidsbeginsel op het standpunt dat in de meerderheid van de gevallen wel ABB geheven wordt. Dat mogelijk in een aantal gevallen geen VAB geheven wordt leidt er volgens de Inspecteur niet toe dat belanghebbende geen ABB verschuldigd zou zijn.

5 BEOORDELING VAN HET GESCHIL

5.1

Het Gerecht stelt voorop dat het in zijn algemeenheid de wetgever vrijstaat om een dienst op twee verschillende wijzen te belasten. Er bestaat geen algemene regel die dat verbiedt. In het voorliggende geval geldt dat eens temeer nu sprake is van verschillende heffingen naar verschillende maatstaven en geheven door verschillende takken van de overheid. Belanghebbende brengt hiertegenin dat het in dit geval de opdracht van de wetgever is dat dubbele heffing zoveel mogelijk moet worden voorkomen en verwijst in dat kader naar artikel 6.11, lid 2 BwB. Deze bepaling luidt:

‘Om dubbele heffing van de belasting of om concurrentieverstoring te voorkomen kunnen bij ministeriële regeling, onder daarbij te stellen voorwaarden en beperkingen, andere dan de in het eerste lid genoemde leveringen en diensten van de belasting worden vrijgesteld.’

Het Gerecht is van oordeel dat deze bepaling een bevoegdheid, doch geen verplichting, inhoudt om bij ministeriële regeling bepaalde leveringen en diensten uit concurrentieoverwegingen of ter voorkoming van dubbele belasting vrij te stellen van de heffing van ABB. Het is immers een ‘kan’-bepaling. Die bevoegdheid tot nadere invulling behoort volgens de wettelijke bepaling tot het domein van de Minister, waar de rechter buiten dient te blijven. De rechter kan alleen, in situaties waarin van die bevoegdheid gebruik is gemaakt, toetsen of dat volgens de regels van de wettelijke bepaling is gebeurd. Nu de Minister in gevallen als het onderhavige, geen gebruik heeft gemaakt van artikel 6.11, lid 2 BwB, kan er alleen daarom al geen beroep op worden gedaan.

5.2

De omstandigheid dat ingevolge artikel 6.11, lid 1, letter k BwB de verhuur van hotelkamers is vrijgesteld van ABB indien ter zake van die verhuur toeristenbelasting is verschuldigd kan er niet toe leiden dat belanghebbende ter zake van de verhuur van auto’s geen ABB verschuldigd is. Het is de vrijheid van de wetgever om voor bepaalde gevallen vrijstellingen in de wet op te nemen en voor andere gevallen niet. Alleen wanneer sprake is van identieke gevallen die verschillend behandeld worden, kan de wetgever gecorrigeerd worden. De wetgever heeft daarbij een zeer ruime beoordelingsmarge. Naar het oordeel van het Gerecht is de wetgever, door ervan uit te gaan dat de verhuur van hotelkamers in combinatie met de toeristenbelasting niet gelijk is aan de onderhavige situatie, binnen die marge gebleven.

5.3

Belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel dient eveneens te worden verworpen. Van schending van het gelijkheidsbeginsel kan sprake zijn indien (a) de inspecteur een begunstigend beleid voert, (b) ten aanzien van een (groep) belastingplichtige(n) sprake is van een oogmerk tot begunstiging of (c) de zogenoemde meerderheidsregel wordt geschonden. Belanghebbende heeft wel gesteld dat sprake is van begunstigend beleid of oogmerk tot begunstiging bij de Inspecteur maar heeft die stelling niet dan wel onvoldoende onderbouwd. De enkele stelling dat in de meerderheid van de gevallen geen ABB afgedragen zou zijn, is in dat verband onvoldoende. Een beroep op de meerderheidsregel slaagt slechts indien belanghebbende gegevens verstrekt waarmee aannemelijk wordt gemaakt dat de Inspecteur bij de meerderheid van autoverhuurbedrijven bewust geen ABB geheven heeft. Belanghebbende is niet in die bewijslast geslaagd. De Inspecteur daarentegen heeft in haar schrijven van 22 mei 2015 aannemelijk gemaakt dat in nagenoeg alle bij haar bekende autoverhuurbedrijven ABB wordt geheven. Het gelijk is aan de Inspecteur.

5.4

Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.


6. BESLISSING

De rechter in dit gerecht verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, rechter in dit gerecht, en werden uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 maart 2016, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 8.116a, lid 1 Belastingwet BES).

Het hoger beroep kan worden ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg overeenkomstig artikel 8.116 Belastingwet BES.