Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEABES:2016:18

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
AR 83 van 2016
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Geen verplichting tot betaling facturen voor opstellen jaarrekeningen, omdat de voormalig bestuurder niet bevoegd was de opdracht tot het vaststellen van de jaarrekeningen te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

zittingsplaats Bonaire

Burgerlijke zaken over 2017

Registratienummer: AR 83 van 2016

Datum uitspraak: 28 juni 2017

VONNIS

in de zaak van

de eenmanszaak Coselca Accounting – Tax & General Services

gevestigd en kantoorhoudend te Curaçao,

eiseres,

hierna te noemen: Coselca,

gemachtigde: mr. H.S. Johannes,

tegen

de besloten vennootschap Beer Transport & Rentals B.V.

gevestigd en kantoorhoudend te Bonaire,

gedaagde,

hierna te noemen: Beer,

gemachtigde: mr. A.T.C. Nicolaas.

Het procesverloop

1. Het procesverloop blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift van 14 november 2016 van Coselca;

  • -

    de conclusie van antwoord van 21 december 2016 van Beer;

  • -

    de schriftelijke pleitnota van 24 mei 2017 van Coselca;

  • -

    de schriftelijke pleitnota van 24 mei 2017 van Beer.

2. Daarna is vonnis bepaald, waarvan de uitspraak is bepaald op heden.

De vaststaande feiten

3. De volgende feiten staan tussen partijen vast:

- Coselca heeft van [voormalig bestuurder] opdracht gekregen tot het opstellen

van de jaarrekeningen voor Beer over de periode 2009 tot en met 2012;

- [ [voormalig bestuurder] is bij besluit van de algemene vergadering van

aandeelhouders van Beer op 11 december 2013 ontslagen uit zijn toenmalige functie als bestuurder van Beer;

- Een uittreksel uit het Handelsregister Bonaire toont aan dat op 16 december

2013 [tijdelijk bestuurder] als (tijdelijk) bestuurder van Beer stond ingeschreven in het Handelsregister.

De standpunten van partijen

4. Coselca vordert Beer, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen

om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Coselca te betalen het bedrag van

$ 8.500,- vermeerderd met 15% incassokosten, zijnde een bedrag van $ 1.275,-, en

vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 maart 2014, zijnde de datum waarop

Beer voor het eerst door Coselca werd aangemaand, met veroordeling van Beer in de

kosten van het geding. Ter onderbouwing van haar vordering heeft Coselca door haar

aan Beer verstuurde facturen overgelegd.

5. Beer heeft verweer gevoerd, met conclusie tot afwijzing van de vordering van

Coselca. Beer voert aan dat Coselca de opdracht tot het opstellen van de

jaarrekeningen niet van een rechtsgeldige vertegenwoordiger van Beer heeft

gekregen, omdat [voormalig bestuurder] toen al was uitgeschreven als

bestuurder/directeur van Beer. Coselca had dat kunnen weten als zij het

Handelsregister had geraadpleegd. Beer was in het geheel niet op de hoogte van de

verstrekte opdracht. Zij raakte daarmee pas bekend door het beslagrekest. Beer heeft geen exemplaar van de jaarrekeningen ontvangen of gezien. Beer had aan een andere accountant, [accountant], opdracht gegeven tot het opstellen van de jaarrekeningen. De facturen van Coselca waren Beer onbekend. Beer voert voorts aan dat er in het onderhavige geval geen sprake is van schijn van volmachtverlening. Zij meent dat uit hetgeen Coselca heeft gesteld niet kan worden afgeleid dat Beer bij Coselca het vertrouwen heeft gewekt dat aan [voormalig bestuurder] een toereikende volmacht was verleend. Het kan zijn dat [voormalig bestuurder] ten behoeve van het opstellen van de jaarrekeningen over de periode 2009 tot en met 2012 aan Coselca bedrijfsgegevens heeft verschaft, maar dat Beer daarin de hand heeft gehad blijkt niet. Hierdoor is niet voldaan aan het “toedoenvereiste”. Tot slot voert Beer aan dat de 15% incassokosten niet kunnen worden toegewezen, omdat afgezien van een eenvoudige ingebrekestelling door Coselca zelf opgesteld geen verdere kosten zijn gemaakt.

6. Coselca heeft vervolgens -kort gezegd- aangevoerd dat zij de

jaarrekeningen bij de Belastingdienst heeft ingediend als zijnde de jaarrekeningen van Beer. Het feit dat [tijdelijk bestuurder] op 11 december 2013 als tijdelijk bestuurder werd benoemd doet er volgens Coselca niet toe, omdat de jaarrekeningen betrekking hebben op de periode 2009 tot en met 2012 en toen was [voormalig bestuurder] wel bestuurder van Beer. [voormalig bestuurder] had Coselca omstreeks oktober 2013 opdracht gegeven de jaarrekeningen op te stellen. Toen was [voormalig bestuurder] nog bestuurder van Coselca. De opdracht is door Coselca vervolgens pas in februari 2014 uitgevoerd. Coselca voert aan dat Beer nalatig is geweest door niet op de facturen te reageren. Het behouden van de jaarrekeningen zonder daarop te reageren getuigt niet van een handeling die een goede ondernemer betaamt. Een mondelinge afspraak is ook bindend; in de statuten staat niet bepaald dat een opdracht voor het opstellen van de jaarrekening schriftelijk dient te geschieden. Dat Beer niet op de hoogte was van de opdracht is niet aan Conselca te wijten. Beer had moeten zorgdragen voor een juiste overdracht c.q. overname bij de bestuurswijziging. Uit de notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders blijkt dat [voormalig bestuurder] nooit rekening en verantwoording heeft afgelegd, maar Coselca kan hiervan niet het kind van de rekening worden. Het is ongeloofwaardig dat Beer [accountant] als accountant heeft aangesteld om de jaarrekeningen op te stellen, omdat Beer geen bewijs heeft overgelegd van de door [accountant] opgestelde jaarrekeningen.

7. Beer heeft nog gesteld dat op de facturen van Coselca uit 2014 wordt verwezen

naar “onze e-mail van 25 februari jl.” en “onze vergadering van 26 februari jl.”, en dat [voormalig bestuurder] op die data geen bestuurder meer was van Beer. Er is volgens Beer in het onderhavige geval geen sprake van een toereikende volmacht, omdat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 3:66 BW BES.

De beoordeling van het geschil

8. Het Gerecht leidt uit de in het geding gebrachte stukken af dat [voormalig

bestuurder] tot 11 december 2013 bestuurder was van Beer en in die hoedanigheid bevoegd was om namens Beer op te treden. Na zijn ontslag op 11 december 2013 en de gelijktijdige benoeming van [tijdelijk bestuurder] tot tijdelijk bestuurder had [voormalig bestuurder] die bevoegheid niet meer. De wijziging bestuurder is daarna aangetekend in het Handelsregister, en was dus te raadplegen voor derden waaronder ook Coselca.

9. Coselca heeft aangevoerd dat de bevoegdheid van [voormalig bestuurder] tot het

geven van de opdracht aan Coselca om de jaarrekeningen over de periode 2009 tot en met 2012 op te stellen voortvloeit uit de omstandigheid dat [voormalig bestuurder] in de genoemde periode bevoegd bestuurder was van Beer. Voorts heeft Coselca aangevoerd dat [voormalig bestuurder] de opdracht voor het opstellen van de jaarrekeningen van Beer omstreeks oktober 2013 aan haar heeft verstrekt. Het Gerecht volgt deze stellingen van Coselca niet. Beslissend voor de vraag of [voormalig bestuurder] bevoegd was is niet de periode waarop de opdracht betrekking heeft, maar het moment waarop de opdracht tot het opstellen van de jaarrekeningen aan Coselca is verstrekt. Uit de overgelegde stukken blijkt niet dat de opdracht al in oktober 2013 aan Coselca is verstrekt. In de door Coselca overgelegde brieven wordt immers verwezen naar een e-mail van 25 februari 2014 en een vergadering van 26 februari 2014. Het Gerecht vindt dat Coselca hiermee tegenover het verweer van Beer haar stelling dat de opdracht door [voormalig bestuurder] aan haar is verstrekt in de periode dat [voormalig bestuurder] nog bestuurder was van Beer en in die hoedanigheid bevoegd was de opdracht te verstrekken onvoldoende heeft onderbouwd. Daarom zal zij niet tot bewijslevering kunnen worden toegelaten, nog daargelaten dat zij geen bewijsaanbod heeft gedaan.

10. Beer heeft tevens aangevoerd dat er in het onderhavige geval geen sprake

is van een schijn van volmachtverlening die ertoe zou leiden dat zij aan de

rechtshandeling van [voormalig bestuurder] kan worden gehouden. Het Gerecht volgt

Beer in deze redenering. Uit hetgeen Coselca heeft gesteld kan niet worden afgeleid

dat Beer bij haar het vertrouwen heeft gewekt dat aan [voormalig bestuurder] een

toereikende volmacht was verleend. Het zou kunnen dat [voormalig bestuurder] ten

behoeve van het opstellen van de jaarrekeningen over de periode 2009 tot en met

2012 bedrijfsgegevens aan Coselca heeft verschaft, maar dat Beer daarin de hand

heeft gehad is gesteld noch gebleken. Uit de overige door Coselca aangevoerde

omstandigheden blijkt evenmin dat Beer de schijn heeft gewekt dat [voormalig

bestuurder] haar vertegenwoordigde. Hierdoor is niet voldaan aan het

“toedoenvereiste”. Coselca heeft voorts niet gesteld dat Beer de jaarrekeningen bij de

Belastingdienst heeft ingediend.

11. Het bovenstaande leidt tot het oordeel dat Coselca onvoldoende heeft gesteld

dat [voormalig bestuurder] bevoegd was de opdracht voor het opstellen van de jaarrekeningen van Beer voor de periode 2009 tot en met 2012 te verstrekken, waardoor Beer zou zijn gehouden de openstaande facturen aan Coselca te vergoeden. De vordering van Coselca is dan ook niet toewijsbaar.

12. Als de in het ongelijk gestelde partij zal Coselca in de kosten van dit geding

worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Beer worden begroot op:

- salaris advocaat (2 punten ad $ 559,-) $ 1.118,-

Beslissing

Het Gerecht:

Wijst de vordering van Coselca af.

Veroordeelt Coselca in de proceskosten aan de zijde van Beer tot op heden begroot op $ 1.118,-.

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P.M. van den Dungen, rechter in voormeld Gerecht en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 28 juni 2017 in tegenwoordigheid van de griffier.