Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEABES:2016:13

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
28-06-2016
Datum publicatie
13-02-2017
Zaaknummer
BBZ nr.75856 van 2015
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft recht op integrale proceskostenvergoeding. Ingevolge artikel 8.115b Belastingwet BES kan het Gerecht het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van schade. Geen schadevergoeding wegens vermogenschade. Ook het verzoek om immateriële schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke behandelduur van de zaak, wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 28 juni 2016

BBZ nr.75856 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE

Enkelvoudige Belastingkamer

op het beroep in de zin van

hoofdstuk VIII, titel acht, afdeling drie van de Belastingwet BES van:

X, wonende te Bonaire,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Bonaire,

de Inspecteur,

1 PROCESVERLOOP

1.1

Op 12 december 2014 heeft belanghebbende voor de invoer van goederen algemene bestedingsbelasting (ABB) betaald ten bedrage van USD.169,40. Belanghebbende heeft op 24 december 2014 een verzoek om teruggaaf gedaan, welk verzoek op 27 januari 2015 is afgewezen. Hiertegen is bezwaar aangetekend op 26 maart 2015.

1.2

De Inspecteur heeft het bezwaar op 28 juli 2015 afgewezen. Belanghebbende is tegen de uitspraak op bezwaar op 25 september 2015 in beroep gekomen. Ter zake van de indiening van het beroepschrift heeft belanghebbende een bedrag van $30 aan griffierecht voldaan.

1.3

De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Nadien heeft zij op 9 mei 2016 nadere stukken ingediend.

1.4

Belanghebbende is bij brief van 1 april 2016 uitgenodigd voor de mondelinge behandeling van de zaak. De brief is gestuurd naar het adres van de gemachtigde van belanghebbende. Op 16 mei 2016 heeft het Gerecht telefonisch bericht gekregen van het kantoor van de gemachtigde dat zij heeft gedesisteerd. Op de zittingsdag, 17 mei 2016 stuurt belanghebbende een e-mailbericht naar het Gerecht met een brief als bijlage (dagtekening 16 mei 2016) waarin hij verzoekt om de zitting uit te stellen. Het verzoek is niet gehonoreerd omdat het te laat is ingediend en belanghebbende bovendien geen geldige reden voor uitstel heeft gegeven.

1.5

Ter zitting van 17 mei 2016 te Kralendijk zijn namens de Inspecteur verschenen mrs. A en drs. B. Namens belanghebbende is niemand verschenen.

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende is op 10 december 2014 in Bonaire aangekomen en is op 19 december 2014 weer vertrokken. Belanghebbende is ingeschreven in het bevolkingsregister van Bonaire en heeft daar een (tweede) woning. De ex-echtgenote en de minderjarige zoon van belanghebbende wonen in Bonaire. Belanghebbende werkt in het buitenland.

2.2

Belanghebbende had bij aankomst bij de luchthaven in Bonaire een nieuwe I-phone en een MAC Laptop computer bij zich. Voor deze goederen heeft belanghebbende op instructies van de Douane een aangiftedocument laten opmaken en algemene bestedingsbelasting betaald. Deze goederen heeft hij bij zijn vertrek weer meegenomen.

2.3

Tot de gedingstukken behoort een verslag van de bevindingen van douanemedewerker (C) die belanghebbende bij de luchthaven heeft gecontroleerd. In het verslag staat - voor zover van belang- het volgende:

“Tijdens de controle van de meegevoerde bagage zijn de volgende goederen gevonden:

  • -

    Een I-Mac

  • -

    Een I-phone

Voorafgaand en tijdens de controle zijn de volgende vragen gesteld:

Heeft u iets aan te geven?

Waar bent u woon achtend?

Zijn de goederen voor persoonlijk gebruik?

Bent u bekend met de douaneformaliteiten en weet u wat de reizigersvrijstelling is?

Meneer X heeft aangegeven dat hij niets heeft aan te geven. Hij woont in Bonaire. De goederen zijn voor persoonlijk gebruik en hij is bekend met de vrijstelling.

Volgens het getoonde factuur zijn de bedragen van de twee goederen boven de reizigersbagagevrijstelling en heb ik meneer X invoerrechten laten betalen over de goederen.

Later tijdens de controle vertelde hij dat de goederen waren voor tijdelijke invoer, maar meneer kon geen document aan ons overleggen. En hij heeft hier voor ook geen aangifte gedaan.”

2.4

In zijn verzoek om teruggaaf heeft belanghebbende voor zover van belang het volgende vermeld:

“I write following a recent issue associated with the temporary import/transit of person goods and effects into Bonaire, when and whereby the said goods were “confiscated” bij Douane (Customs), until I paid import tax and/or ABB.

The facts are, the goods arrived with me, on Wednesday 10th December, 2014. I explain to the Douane (Customs) officials the Items would be leaving a few days later.

Goods left with me on Friday 19th December, 2014; witnessed by another customs official, and who also called Mr. D at the time.”

2.5

In de beroepsfase heeft de Inspecteur erkend dat belanghebbende voor de goederen recht had op vrijstelling ingevolge artikel 3.130 in samenhang met artikel 3.132 van de Douane- en Accijnswet BES (DABES).

2.6

In zijn brief van 16 mei 2016 heeft belanghebbende verzocht om vergoeding van additionele kosten. In zijn brief staat voor zover van belang het volgende vermeld:

“After several months (almost one year), Belastingdienst agreed ABB should NOT have been applied.

Belastingdienst, agreed to return incorrectly applied ABB, but refused to fully compensate incurred and paid legal costs, which currently stand around US$1,500

Additionally, Belastingdienst are refusing to comment on the additional costs and expenses incurred by myself, namely but not limited to:

  • -

    Change of ticket fee

  • -

    Extended period on Bonaire (lost income)

  • -

    Cost of tickets and time to return to Bonaire

  • -

    Etc.

(…)

The issue still being discussed is the amount of legal costs, and compensation for actual costs incurred resulting from the erroneous and negligent actions of Belastingdienst employee(s) on 10-Dec-2014, AND the prolonged period to reach the correct decision in this case.”

2.7

Het bezwaarschrift en het beroepschrift zijn verzorgd door een professionele gemachtigde, R van Advocatenkantoor R NV.

3 GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN

3.1

Tussen partijen is in geschil of (i) belanghebbende recht heeft op proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase en de beroepsfase en of (ii) belanghebbende recht heeft op vergoeding van aanvullende kosten.

3.2

Belanghebbende stelt naar het Gerecht begrijpt dat

  • -

    i) hij recht heeft op een kostenvergoeding voor beroepsmatige bijstand voor een bedrag van USD 1.500;

  • -

    ii) hij recht heeft op een compensatie van aanvullende kosten alsmede een compensatie wegens de lange behandelingsduur van de zaak.

3.3

De Inspecteur voert aan dat belanghebbende ingevolge de regeling niet in aanmerking komt voor vergoeding van proceskosten in bezwaarfase, maar dat nu het beroep gegrond is, bij wijze van tegemoetkoming een forfaitaire proceskostenvergoeding naar het gewicht van een gemiddelde zaak kan worden toegekend. Voor de vergoeding van andere kosten is volgens de Inspecteur geen plaats.

4 BEOORDELING VAN HET BEROEP

4.1

De Inspecteur is in de beroepsfase tegemoet gekomen aan de bezwaren van belanghebbende en heeft te kennen gegeven dat teruggaaf van de betaalde ABB zal worden verleend. In zoverre is het beroep gegrond.

Proceskostenvergoeding

4.2

Ingevolge de artikelen 8:95 en 8:115 Belastingwet BES (hierna: Belw) in verbinding met het Uitvoeringsbesluit Belastingwet BES (hierna: Besluit) komen uitsluitend de proceskosten vermeld in artikel 5.1 van het Besluit voor vergoeding in aanmerking.

4.3

In artikel 8:95 tweede lid wordt bepaald dat de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend worden vergoed op verzoek van de belanghebbende, voor zover de belastingaanslag of de voor bezwaar vatbare beschikking wordt herroepen wegens aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid.

4.4

Ten aanzien van de proceskosten voor de bezwaarfase oordeelt het Gerecht als volgt. De Inspecteur heeft onzorgvuldig gehandeld door in zijn besluit om ABB te heffen te volharden en het verzoek om teruggaaf af te wijzen. In het verzoek om teruggaaf heeft belanghebbende immers vermeld dat de goederen op 10 december 2014 tijdelijk zijn ingevoerd en een aantal dagen later, op 19 december 2014 met kennisgeving aan de Douane het eiland weer hebben verlaten. Vorenstaande leidt het Gerecht tot de conclusie dat het verzoek om teruggaaf is afgewezen wegens aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid en dat belanghebbende recht heeft op vergoeding van de kosten die hij in bezwaarfase redelijkerwijs heeft moeten maken. Het Gerecht acht ook termen aanwezig om de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in de beroepsfase.

4.5

Belanghebbende kan ingevolge de hiervoor vermelde bepalingen enkel in aanmerking komen voor vergoeding van een door een derde verleende beroepsmatige bijstand. De proceskosten worden ingevolge artikel 5.2, eerste lid van het Besluit op forfaitaire wijze berekend. In bijzondere omstandigheden kan ingevolge het derde lid hiervan worden afgeweken. Belanghebbende stelt dat hij in aanmerking komt voor een (integrale) kostenvergoeding voor een bedrag van USD 1.500. De feiten en omstandigheden bieden naar het oordeel van het Gerecht aanknopingspunten voor het oordeel dat zich bijzondere omstandigheden hebben voorgedaan die nopen tot een integrale vergoeding. Hierbij neemt het Gerecht in aanmerking dat belanghebbende reeds bij de controle op de luchthaven, weliswaar in een laat stadium, heeft verklaard dat de goederen tijdelijk worden ingevoerd. Deze verklaring heeft hij daarna in zijn verzoek om teruggaaf en in het bezwaarschrift herhaald. De Inspecteur was naar het oordeel van het Gerecht gehouden om de juistheid van deze verklaring te onderzoeken alvorens het verzoek om teruggaaf en het bezwaar af te wijzen. Dat belanghebbende ook heeft verklaard dat hij ingezetene is van Bonaire doet hieraan niet af. Gelet op het voorgaande stelt het Gerecht de proceskostenvergoeding voor de bezwaar- en de beroepsfase tezamen vast op USD 1.500.

Vergoeding andere kosten: materiële schadevergoeding

4.6

Belanghebbende verzoekt in zijn brief van 16 mei 2016 om een compensatie voor andere opgelopen kosten alsmede een compensatie wegens de lange behandelingsduur van de zaak. Ingevolge artikel 8.115b Belw kan het Gerecht indien het beroep gegrond wordt verklaard, op verzoek van een partij en indien daarvoor gronden zijn, het bestuursorgaan veroordelen tot vergoeding van schade die die partij lijdt.

4.7

Voor de beantwoording van de vraag of en in welke omvang belanghebbende schade lijdt die voor vergoeding komt, moet het Gerecht zoveel mogelijk aansluiting zoeken bij het civiele schadevergoedingsrecht. Daarbij dient vooropgesteld te worden dat indien een bestuursorgaan een beschikking neemt en handhaaft die naderhand wordt herroepen, het jegens de door die beschikking getroffene, een onrechtmatige daad begaat. Voorts geldt dat deze onrechtmatige daad in beginsel voor rekening komt van het bestuursorgaan. Gelet op het vorenstaande, heeft de Inspecteur door haar besluit om ABB te heffen bij het binnenbrengen van de goederen, het verzoek om teruggaaf alsmede het bezwaar af te wijzen en eerst nadat daartegen beroep was ingesteld teruggaaf toe te kennen, een onrechtmatige daad begaan en is haar schuld daarmee een gegeven.

4.8

Belanghebbende stelt vermogenschade te hebben opgelopen maar heeft deze stelling niet met feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt. Ook de grootte van de geleden schade heeft belanghebbende niet nader gespecificeerd. Bovendien kan vermogenschade alleen voor vergoeding in aanmerking komen indien blijkt dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het onrechtmatig handelen van de Inspecteur. Dat hiervan sprake is, is gesteld noch gebleken. Het verzoek om schadevergoeding wordt derhalve verworpen.

immateriële schadevergoeding

4.9

Ten aanzien van het verzoek van belanghebbende om vergoeding van kosten in verband met de lange behandelingsduur van de zaak oordeelt het Gerecht als volgt. De Hoge Raad, heeft in het arrest van 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5087 beslist dat belastinggeschillen op grond van het rechtszekerheidsbeginsel binnen een redelijke termijn dienen te worden beslecht. Bij overschrijding van de redelijke termijn moet, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld. Daarbij acht de Hoge Raad de redelijke termijn overschreden indien, behoudens bijzondere omstandigheden, niet binnen twee jaar na indiening op een bezwaarschrift is beslist. Naar het oordeel van het Gerecht heeft het rechtszekerheidsbeginsel op Bonaire evenzeer te gelden als in Nederland. Dat betekent dat ook hier recht bestaat op een schadevergoeding indien de redelijke termijn overschreden wordt. Of die redelijke termijn op Bonaire net zoals in Nederland 2 jaar dient te bedragen of een langere periode vanwege bijzondere omstandigheden laat het Gerecht in het midden. Nu belanghebbende op 26 maart 2015 bezwaar heeft aangetekend en deze uitspraak dateert van 28 juni 2016 is in ieder geval de termijn van 2 jaar niet overschreden en bestaat geen recht op schadevergoeding.

Het vorenstaande leidt ertoe dat als volgt moet worden beslist.

5 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

  • -

    verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak op bezwaar en de beslissing op het verzoek om teruggaaf;

  • -

    stelt het bedrag van de teruggaaf vast op USD 169,40

  • -

    veroordeelt de Inspecteur tot de vergoeding van proceskosten van het bezwaar en beroep vastgesteld op USD 1.500; en

  • -

    gelast dat de Inspecteur het door belanghebbende betaalde griffierecht van

$ 30 aan deze vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, rechter in dit gerecht, en werden uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juni 2016, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 8.116a, lid 1 Belastingwet BES).

Het hoger beroep kan worden ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg overeenkomstig artikel 8.116 Belastingwet BES.