Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEABES:2016:11

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
22-04-2016
Datum publicatie
28-07-2016
Zaaknummer
400.00239/15, BES.263/15/B
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

doodslag, wegmaken lijk, diefstal, geen noodweerexes

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA

ZITTINGSPLAATS BONAIRE

S T R A F V O N N I S

in de zaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [datum] 1994 te Venezuela,

wonende in Venezuela,

thans alhier gedetineerd in de JICN te Bonaire.

1 Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 4 februari 2016 en

7 april 2016. De verdachte is steeds verschenen, bijgestaan door de raadslieden mr. M.M.A. Domingo-van Lieshout (occuperend voor mr. D.G. Illes op 4 februari 2016) en mr. D.G. Illes (op 7 april 2016).

De officier van justitie, mr. H.J. Starrenburg, heeft ter terechtzitting gevorderd de verdachte ter zake van feit 1 primair vrij te spreken en ter zake van feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3 te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien jaren, met aftrek van voorarrest. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot algehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partijen [BP 1] en [BP 2 en tot gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [BP 3], een en ander vermeerderd met de wettelijke rente.

De raadsman heeft verweer gevoerd.

De benadeelde partijen [BP 1 en 2] hebben ter terechtzitting een vordering tot schadevergoeding ingediend met betrekking tot het onder feit 1 tenlastegelegde. De benadeelde partij [BP 3] heeft ter terechtzitting een vordering tot schadevergoeding ingediend met betrekking tot het onder feit 2 tenlastegelegde. De benadeelde partijen zijn ter terechtzitting bijgestaan door hun gemachtigde M. Djamin-Madiksan.

2 Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd:

Feit 1

Primair

dat hij in of omstreeks de periode 30 november tot en met 1 december 2015,

op het eiland Bonaire,

opzettelijk en met voorbedachten rade, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, meermalen, althans eenmaal met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam en/of hoofd van die , [slachtoffer] gestoken en/of gesneden, ten gevolge waarvan voornoemde , [slachtoffer] is overleden;

(artikel 302 Wetboek van Strafrecht BES).

althans, indien het voorgaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden,

subsidiair:

dat hij in of omstreeks de periode 30 november tot en met 1 december 2015,

op het eiland Bonaire,

opzettelijk, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd,

immers heeft verdachte met dat opzet, meermalen, althans eenmaal met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp, in het lichaam en/of hoofd van die , [slachtoffer] gestoken en/of gesneden, ten gevolge waarvan voornoemde , [slachtoffer] is overleden;

(artikel 300 Wetboek van Strafrecht BES)

Feit 2

dat hij in of omstreeks de periode 30 november tot en met 1 december 2015,

op het eiland Bonaire,

het lijk van [slachtoffer] heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt, met het oogmerk om het feit en/of oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhullen door met dat oogmerk het lichaam/stoffelijk overschot van [slachtoffer] in te pakken in vuilniszakken en/of (vervolgens) met behulp van een afval/vuilniscontainer (kliko) in een (bedrijfs)auto/busje te vervoeren en/of (vervolgens) van de (helling van de) Seru Largu te rollen/gooien/dumpen;

(artikel 157 Wetboek van Strafrecht BES);

Feit 3

dat hij in of omstreeks de periode 30 november tot en met 1 december 2015,

op het eiland Bonaire,

met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (1310 USD) en/of (een) siera(a)d(en) (een schakelketting), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer] en/of [naam] Farms en/of [ander] a en/of [BP 3], in elk geval geheel of ten dele toebehorende aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte;

(artikel 323 Wetboek van Strafrecht BES);

3 Voorvragen

Het Gerecht heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Bewijsbeslissingen

4A. Vrijspraak ten aanzien van feit 1 primair (moord)

Met de officier van justitie en de raadsman is het Gerecht van oordeel dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de tenlastegelegde moord. Het dossier bevat onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen vaststellen dat sprake was van “voorbedachten rade”. De verdachte zal van het onder feit 1 primair tenlastegelegde dan ook, zonder nadere motivering, worden vrijgesproken.

4B. Bewijsmiddelen

Het Gerecht komt tot bewezenverklaring van de onder feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde feiten op grond van de feiten en omstandigheden die in de navolgende wettige bewijsmiddelen zijn vervat1.

met betrekking tot feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3

1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 7 april 2016, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik heb in de nacht van 30 november op 1 december 2015 op Bonaire [slachtoffer] meermalen in zijn lichaam gestoken met een mes van ongeveer 30 cm lang. Toen hij niets meer deed, ben ik in de woonkamer gaan zitten totdat ik hem niet meer hoorde rochelen. Ik wist toen dat hij dood was. Ik heb zijn lijk in vuilniszakken gedaan en vervolgens heb ik hem in een kliko geduwd. Deze kliko heb ik in een busje gezet en daarmee ben ik naar Seru Largu gereden, waar ik het lichaam van [slachtoffer]heb gedumpt. De kliko heb ik daar ergens laten staan. Ik heb dat allemaal gedaan om mijn sporen uit te wissen voor de politie. Ik wilde niet dat ze erachter zouden komen dat ik [slachtoffer]had gedood. In de loop van de volgende dag, 1 december, heb ik, voordat ik naar Venezuela zou terugvliegen, een stapel bankbiljetten (US dollars) van [slachtoffer]meegenomen. Hij had dat geld die avond ervoor zitten tellen. Later die dag heb ik ook nog een halsketting van [slachtoffer]gepakt. Ik heb de ketting en het geld in mijn koffer gestopt.

2. Een proces-verbaal van bevinding plaatsaanwijzing met de verdachte J.J. Marco Solis, map 2, proces-verbaal 34, voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant [verbalisant], hoofdagent bij het Korps Politie Caribisch Nederland, zakelijk weergegeven:

Op 2 december 2015 zijn wij op aanwijzing van de verdachte [vde] gereden richting Seru Largu gelegen te Bonaire. Aangekomen bij de weg naar Seru Largu heeft de verdachte ons verteld hoe wij moesten rijden. Wij volgden zijn aanwijzingen. Op een gegeven moment zagen wij een vuilcontainer langs de kant van de weg. De verdachte verklaarde spontaan dat hij het lijk van [slachtoffer] in die vuilcontainer had gedaan en het lijk verderop had gedumpt. We zijn op zijn aanwijzingen verder gereden en bij een zijpad aangekomen. Daar zijn wij uitgestapt en bergafwaarts gelopen. Bij een ravijntje aangekomen zagen wij dat er een lijk enkele meters verderop op de grond lag. Wij zagen dat er een zwarte zak over het bovenlichaam van het lijk zat en verder lagen er nog twee plastic zakken op de grond ter hoogte van het lijk.

3. Een proces-verbaal van bevinding lijkherkenning, map 2, proces-verbaal 28, voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisant [verbalisant], brigadier bij het Korps Politie Caribisch Nederland, zakelijk weergegeven:

Op Seru Largu werd op aanwijzing van de verdachte [vde] een stoffelijk overschot aangetroffen. Op 2 december 2015 werd een lijkherkenning gedaan met familieleden van het slachtoffer. De moeder en de vader van het slachtoffer, respectievelijk [moeder] e/v [vader], de broer van het slachtoffer, [broer], en de vriendin van de broer, [vriendin], herkenden het aan hen getoonde lijk als zijnde de man [slachtoffer].

4. Een geschrift van het Nederlands Forensisch Instituut, map 5, te weten een door patholoog A. Maes opgemaakt verslag d.d. 6 december 2015, met voorlopige bevindingen naar aanleiding van de sectie op het lichaam van [slachtoffer], voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Bij sectie waren er over het lichaam verspreid in totaal circa 31 steek- en snijverwondingen. In de hals was een steekkanaal met een lengte van circa 8 cm. In dit steekkanaal was er perforatie van het strottenhoofd en de linker halsslagader. Voor aan de borst was een steekkanaal van circa 15 cm. Er was daarbij perforatie van de 3e rib rechts vóór, de rechterlong in de boven- en onderkwab en er was perforatie van de tussenribruimte tussen de 6e en 7e rib rechtsachter. De steek- en snijverwondingen zijn het gevolg van steken en snijden met één of meer snijdende voorwerpen en passen bij steken en snijden met één of meerdere messen. Het overlijden is het gevolg van massaal bloedverlies van alle steekletsels gezamenlijk in combinatie met functieverlies van de rechterlong. Voorlopige conclusie: [slachtoffer] is overleden als gevolg van verwikkelingen van meermalen bij leven opgelopen uitwendig inwerkend scherprandig perforerend geweld (steken en snijden) op het lichaam.

5. Een proces-verbaal van bevindingen onderzoek kliko, proces-verbaalnummer 20151202-001, los stuk, voor zover inhoudende als verklaring van [verbalisant], brigadier bij het Korps Politie Aruba en gedetacheerd bij het Korps Politie Caribisch Nederland, zakelijk weergegeven:

Naar aanleiding van het aantreffen van een lijk op Seru Largu op 2 december 2015 is forensisch technisch sporenonderzoek verricht aan een kliko. Er is bloed op de kliko aangetroffen en veiliggesteld voor verder onderzoek. Het bloed op de onderzijde van het handvat is voorzien van sinnummer AAGO9540NL. Het bloed aan de binnenzijde van de kliko is voorzien van sinnummer AAGO9541NL.

6. Een geschrift, te weten een rapport onderzoek naar biologische sporen en DNA-onderzoek naar aanleiding van het aantreffen van het stoffelijk overschot van [slachtoffer] op Bonaire op 2 december 2015 van het Nederlands Forensisch Instituut, los stuk, opgemaakt door dr. S. van Soest, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Resultaat, interpretatie en conclusie vergelijkend DNA-onderzoek: het onderzoeksmateriaal AAGO9540NL#01 (bemonstering met bloed onder het handvat van de kliko) en het onderzoeksmateriaal AAGO9541NL#01 (bemonstering met bloed binnenzijde kliko) kan afkomstig zijn van [slachtoffer]. De matchkans DNA-profiel is kleiner dan 1 op 1 miljard.

met betrekking tot feit 3

7. Een proces-verbaal van bevinding doodslag, map 2, proces-verbaal 1, voor zover inhoudende als verklaring van de verbalisanten […], allen werkzaam bij het Korps Politie Caribisch Nederland, zakelijk weergegeven:

Op het politiebureau vroegen wij op 2 december 2015 aan [verdachte] of hij ons toestemming gaf om in zijn koffer te kijken. Hij ging hiermee akkoord. In de koffer vonden wij een broek. In de broekzak zat een plastic zakje met daarin

USD 1.310,00.

8. Een proces-verbaal van verhoor getuige, map 3, proces-verbaal 2, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [BP 3], zakelijk weergegeven:

[slachtoffer] werkte bij ons. Op 30 november 2015 heeft hij eieren en kippen bezorgd voor ons bedrijf [ naam] Farm N.V. Hij had dus een hoop geld op zak van ons, ongeveer USD 1.286,80. Ik ben naar de politie gegaan omdat ik mijn geld wilde.

9. Een geschrift, te weten een kennisgeving van inbeslagneming, beslagdossier, opgemaakt door J[verbalisant], brigadier van politie, werkzaam bij het recherche samenwerkingsteam, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

In de zwarte koffer van de verdachte [verdachte] is een goud- en zilverkleurige schakelhalsketting aangetroffen. De ketting heeft dezelfde schakel als de armband die slachtoffer [slachtoffer] droeg.

10. Een geschrift, te weten een bewijs van ontvangst (algemeen), beslagdossier, voor zover inhoudende als verklaring van [naam] (familie van [BP 1]), zakelijk weergegeven:

Ik heb op 17 december 2015 uit handen van de politie een zilverkleurige schakelarmband van [BP 1] ontvangen. Ik heb ook een goud- en zilverkleurige schakelhalsketting ontvangen, voorzien van dezelfde schakel als de armband.

4C.Bewijsoverweging

Opzet

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte niet de bedoeling had het slachtoffer te doden. Het voor doodslag vereiste opzet kan dus niet bewezen worden, aldus de verdediging.

Het Gerecht verwerpt dit verweer. De gedragingen van de verdachte, het met een groot mes over het gehele lichaam toebrengen van ongeveer eenendertig steek- en snijverwondingen met steekkanalen tot circa 15 cm diep, brengen naar de uiterlijke verschijningsvorm mee dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte het intreden van de dood heeft gewild. Opzet op de dood kan dus worden bewezen.

4D. Bewezenverklaring

Het Gerecht heeft uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair, feit 2 en feit 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat het bewezen acht:

feit 1 subsidiair:

dat hij in de periode 30 november tot en met 1 december 2015, op Bonaire, opzettelijk, [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, meermalen, met een mes, in het lichaam van die [slachtoffer] gestoken en gesneden, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

feit 2

dat hij in de periode 30 november tot en met 1 december 2015, op Bonaire, het lijk van [slachtoffer] heeft weggevoerd met het oogmerk om de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer] te verhullen door met dat oogmerk het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in te pakken in vuilniszakken en (vervolgens) in een kliko in een busje te vervoeren en (vervolgens) bij Seru Largu te dumpen;

feit 3

dat hij op 1 december 2015, op Bonaire, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een geldbedrag (1310 USD) en (een) sieraad (een schakelketting), toebehorende aan [slachtoffer] en/of [naam] Farms N.V. en/of [BP 3].

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn in de bewezenverklaring cursief weergegeven verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, zoals doorgestreept in de tekst, is niet bewezen, zodat de verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

5 Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 subsidiair:

doodslag;

feit 2:

een lijk wegvoeren met het oogmerk om de oorzaak van het overlijden te verhelen;

feit 3:

diefstal, meermalen gepleegd.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit. De feiten zijn derhalve strafbaar.

6 Strafbaarheid van de verdachte

Beroep op noodweerexces

Door de verdediging is betoogd dat de verdachte een beroep op noodweerexces toekomt nu hij als gevolg van een hevige gemoedsbeweging, door een wederrechtelijke aanranding veroorzaakt, de grenzen van een noodzakelijke verdediging heeft overschreden. Reden waarom hij van alle rechtsvervolging dient te worden ontslagen, aldus de verdediging.

Het Gerecht stelt op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vast. Daarbij tekent het Gerecht aan, dat over hetgeen zich in de woning van het slachtoffer heeft voorgedaan slechts verklaringen zijn afgelegd door de verdachte. Deze verklaringen zijn consistent te noemen. Er zijn het Gerecht geen feiten of omstandigheden gebleken op grond waarvan deze verklaringen als onaannemelijk terzijde geschoven kunnen worden. Om die reden zal het Gerecht bij de beoordeling van het verweer, deze verklaringen van de verdachte tot uitgangspunt nemen.

De verdachte en het slachtoffer hadden een prille liefdesrelatie. Zij kregen in de avond van 30 november op 1 december 2015 een woordenwisseling in het appartement van het slachtoffer, waar de verdachte sinds enkele weken verbleef. Het appartement is klein en bestaat uit een woonkamer met een open keuken(blok), een slaapkamer, een bergkamer en een badkamer. De woordenwisseling vond plaats in de slaapkamer. De verdachte lag op het bed en werd op een zeker moment bij zijn bovenarm vastgepakt door het slachtoffer dat boos op hem was. Hij rukte zich los. Hierop is het slachtoffer naar de keuken gegaan en heeft daar een keukenmes gepakt. Met dat mes is hij teruggekeerd naar de slaapkamer. De verdachte was inmiddels opgestaan. Het slachtoffer is met het mes op de verdachte afgelopen en heeft daarbij gezegd dat hij hem nu zal vermoorden. De verdachte is via (een sprong op) het bed de slaapkamer uitgerend, waarna hij in de keuken een groter keukenmes heeft gepakt en is teruggegaan naar de slaapkamer. In de slaapkamer kwam het slachtoffer op de verdachte aflopen met het mes nog steeds in zijn hand. Hij zei opnieuw dat hij de verdachte nu echt zou vermoorden. Hij maakte een beweging alsof hij de verdachte wilde aanvallen. Hierop heeft de verdachte het slachtoffer meermalen met het mes gestoken. Op een zeker moment gedurende dit steken is het slachtoffer gevallen en heeft hij zijn mes losgelaten. De verdachte is doorgegaan met steken, totdat het slachtoffer niets meer deed. Daarna is de verdachte in de woonkamer gaan zitten. Het slachtoffer is ongeveer eenendertig keer met het mes geraakt en bleef in de slaapkamer achter met steekkanalen tot circa 15 cm diep. Toen de verdachte het slachtoffer na enige tijd niet meer hoorde rochelen, is hij naar hem toegelopen en heeft hij geconstateerd dat hij dood was. Daarna heeft hij de ramen afgeplakt en gedurende een aantal uren het appartement grondig schoongemaakt. Vervolgens heeft zijn kleding en het beddengoed gewassen, het slachtoffer in vuilniszakken verpakt en in een kliko geduwd en is hij met een bus naar Seru Largu gereden alwaar hij het lichaam van het slachtoffer heeft gedumpt door het van een helling te gooien.

De door het slachtoffer geïnitieerde handelingen in de slaapkamer zijn aan te merken als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van het lijf van de verdachte, waartegen een verdediging gerechtvaardigd was. Die aanranding eindigde niet op het moment waarop de verdachte de slaapkamer verliet; een ander oordeel zou de feitelijke situatie op dat moment miskennen. De verdachte bevond zich immers in een heel klein appartement - waarin slaapkamer en keuken slechts enkele voetstappen uit elkaar gelegen zijn - in aanwezigheid van het slachtoffer dat hem kort daarvoor met een mes had bedreigd. De verdachte wist niet of het slachtoffer, dat nog steeds in het bezit van het mes was, zijn eerder geuite doodsbedreiging waar zou maken.

Het Gerecht is van oordeel dat de door de verdachte gekozen verdediging niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. Van de verdachte had in redelijkheid mogen worden gevergd dat hij zich met het mes in de hand op een minder ingrijpende wijze tegen de hierboven beschreven aanranding zou hebben verdedigd. Door het slachtoffer met het mes tot circa eenendertig maal toe te blijven steken en snijden tot de dood daarop volgde, is hij ver buiten de grenzen van een noodzakelijke verdediging getreden.

Beoordeeld moet worden of sprake is van een verontschuldigbare overschrijding van de grenzen van een noodzakelijke verdediging. Hiervan kan slechts sprake zijn indien deze overschrijding het onmiddellijk gevolg is geweest van een hevige gemoedsbeweging, door de aanranding veroorzaakt. Bij de beantwoording van de vraag of in een concreet geval van een dergelijk "onmiddellijk gevolg" sprake is geweest, kan gewicht toekomen aan de mate waarin de grenzen van de noodzakelijke verdediging zijn overschreden alsmede aan de aard en de intensiteit van de hevige gemoedsbeweging (vgl. HR 8 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4459 en herhaald in HR 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:456).

De verdachte heeft over zijn gemoedstoestand vlak voorafgaand aan het steken tegenover de politie, ten overstaan van de rechter-commissaris en tijdens het onderzoek ter terechtzitting niet veel verklaard. Hij heeft verklaard dat hij ging kijken wat er ging gebeuren; hij dacht dat hij in paniek was, bang; hij wilde laten zien dat hij gelijkwaardig bewapend was; hij zou wel zien wat er zou gebeuren; hij dacht niet veel.

Op grond van vorenstaande uitlatingen stelt het Gerecht vast dat bij de verdachte als gevolg van de aanranding weliswaar een gemoedsbeweging is teweeggebracht, maar dat deze niet als hevig valt aan te merken. Reeds daarom faalt het beroep op noodweerexces. Voorts overweegt het Gerecht dat - ook als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat wel sprake was van een hevige gemoedsbeweging - het beroep op noodweerexces evenmin slaagt, aangezien gelet op de beperkte intensiteit van deze veronderstelde hevige gemoedsbeweging en op de verregaande mate waarin de verdachte de grenzen van de noodzakelijke verdediging heeft overschreden, het niet aannemelijk geacht wordt dat die gemoedsbeweging voor de gedragingen van de verdachte - het tot eenendertig maal toe steken en snijden van het slachtoffer - van doorslaggevend belang is geweest. Het beroep op noodweerexces wordt derhalve verworpen.

Het - subsidiair gedane - beroep op putatief noodweerexces behoeft geen bespreking, aangezien het Gerecht reeds heeft aangenomen dat van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding sprake is geweest.

Nu het beroep op noodweerexces faalt en ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten, is de verdachte strafbaar.

7 Strafmotivering

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van één en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht het Gerecht na te noemen beslissing passend. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft in de nacht van 30 november op 1 december 2015 een einde aan het leven gemaakt van [slachtoffer]a, de man op wiens uitnodiging hij enkele weken eerder naar Bonaire was gekomen en met wie hij een prille liefdesrelatie had. Hij heeft hem in zijn eigen woning met ongeveer eenendertig messteken om het leven gebracht en heeft hem daarmee zijn meest fundamentele recht, het recht op leven, ontnomen. De verdachte is daarbij op een gruwelijke en bijzonder gewelddadige manier te werk gegaan. Het slachtoffer, dat zich blijkens het dossier nog getracht heeft te verweren tegen de vele messteken, was volkomen kansloos tegenover de agressie van de verdachte. De laatste momenten van zijn leven heeft het slachtoffer alleen en volkomen aan zijn lot overgelaten, moeten doormaken. Na de doodslag heeft de verdachte geen enkele verantwoordelijkheid genomen voor zijn daad. Integendeel, hij heeft in de woning getracht al zijn sporen te wissen, het lichaam van het slachtoffer verpakt in vuilniszakken en gedumpt in een afgrond bij Seru Largu en de politie in eerste instantie met een valse verklaring getracht op het verkeerde been te zetten. Al zijn handelingen waren slechts gericht op het zo snel mogelijk vertrekken naar Venezuela. Deze doodslag en de wijze waarop het lichaam van het slachtoffer is weggevoerd en is achtergelaten hebben de rechtsorde van Bonaire ernstig geschokt. Daarnaast is aan de nabestaanden en andere naasten van het slachtoffer een verschrikkelijk en onherstelbaar leed toegebracht. Zij zullen het verlies van hun zoon, broer en vriend die slechts 22 jaar was en nog een heel leven voor zich had, elke dag moeten dragen. Het feit dat de verdachte na de dood van het slachtoffer nog een halsketting en een geldbedrag bij hem heeft weggenomen, getuigt van het ontbreken van iedere vorm van respect voor het slachtoffer en diens nabestaanden.

Het Gerecht rekent de verdachte zijn handelen zwaar aan en is op grond van de aard en de ernst daarvan van oordeel dat slechts een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt, als passende straf in aanmerking komt.

Bij het vaststellen van de duur van de op te leggen straf houdt het Gerecht in het voordeel van de verdachte rekening met zijn jeugdige leeftijd en het feit dat hij niet eerder voor strafbare feiten is veroordeeld. In zijn nadeel weegt het Gerecht echter mee dat de verdachte er ter terechtzitting blijk van heeft gegeven geen enkel inzicht te (willen) hebben in het laakbare van zijn handelen. Ook heeft hij geen enkele compassie of berouw getoond. Voorts heeft het Gerecht acht geslagen op de door de psychiater en psycholoog over de verdachte opgemaakte rapportages, waaruit volgt dat de verdachte volledig toerekeningsvatbaar is te achten. Tenslotte houdt het Gerecht rekening met de hoogte van de straffen die in andere soortgelijke zaken door het Gerecht zijn opgelegd.

Alles afwegende is het Gerecht van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is.

8 De vordering van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

Benadeelde partijen feit 1

De benadeelde partijen [BP 1 en 2] hebben gezamenlijk een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte wegens de schade die zij als gevolg van het onder feit 1 tenlastegelegde zouden hebben geleden. Zij vorderen een schadevergoeding van $ 2.292,00 aan materiële schade, bestaande uit kledingkosten

($ 2.186,00) en een krans ($ 106,00) voor de begrafenis, alsook een schadevergoeding van $ 25.641,00 voor geleden immateriële schade voor het leed dat hen is aangedaan door het verlies van hun zoon.

De gevorderde materiële schade bestaat uit kosten die in verband met lijkbezorging zijn gemaakt. Deze kosten komen op grond van artikel 6:108 lid 2 Burgerlijk Wetboek BES voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten staan in rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde feit en de verdachte is daarvoor aansprakelijk. Het Gerecht acht vergoeding van het gevorderde bedrag redelijk en billijk. Deze vordering zal derhalve

worden toegewezen. Nu de wettelijke rente niet door of namens de benadeelde partijen is geëist, maar slechts door de officier van justitie is gevorderd, kan deze niet worden toegewezen.

Voor wat betreft de gevorderde immateriële schade overweegt het Gerecht dat affectieschade op grond van de wet niet voor vergoeding in aanmerking komt. Dit is anders als het shockschade betreft. Aangezien hiervan niet onmiddellijk blijkt uit de onderbouwing van de vordering, leent de vordering zich niet voor een beslissing in de strafzaak. Gelet hierop zullen de benadeelde partijen in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Desgewenst kunnen zij dit gedeelte van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

De verdachte dient voorts te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen hebben gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken.

Het Gerecht ziet tevens aanleiding ter zake van de toegewezen vordering de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Benadeelde partij feit 2

De benadeelde partij [BP 3] heeft een vordering tot schadevergoeding ingediend tegen de verdachte wegens de schade die zij als gevolg van het onder feit 2 tenlastegelegde zou hebben geleden. Zij vordert een schadevergoeding van $ 735,31 aan materiële schade, bestaande uit reparatiekosten voor de buitenspiegel van de bedrijfsauto en de kosten van een huurauto voor de periode dat de bedrijfsauto door de politie in beslag was genomen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is onvoldoende komen vast te staan dat de schade aan de spiegel van de bedrijfsauto is veroorzaakt door handelen van de verdachte. Voor het resterende deel van de vordering geldt dat deze kosten niet zijn aan te merken als schade die rechtsreeks voortvloeit uit het bewezenverklaarde feit. Derhalve zal het Gerecht de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 31, 38f, 59, 157, 300 en 323 van het Wetboek van Strafrecht BES.

10 Beslissing

Het Gerecht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair tenlastegelegde zoals in rubriek 4A omschreven heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde zoals in rubriek 4D omschreven, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart dat de bewezenverklaarde feiten de in rubriek 5 genoemde strafbare feiten opleveren;

verklaart de verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte wegens deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) jaren;

bepaalt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partijen [BP 1 en 2] ten aanzien van feit 1 geleden materiële schade toe tot het bedrag van $ 2.292,00 (zegge: tweeduizendtweehonderd en tweeënnegentig US dollar) en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag aan [BP 1 en 2], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partijen [BP 1 en 2] voornoemd gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

verklaart de benadeelde partijen [BP 1 en 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [BP 1 en 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van $ 2.292,00, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 32 (tweeëndertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partijen in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partijen;

verklaart de benadeelde partij [BP 3] niet-ontvankelijk in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. M.C.B. Hubben en uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op 22 april 2016, in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier is buiten staat het vonnis te ondertekenen.

1 De door het Gerecht als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen. Bij onderstaande bewijsmiddelen wordt, tenzij anders vermeld, verwezen naar het einddossier inzake het onderzoek “Familia”.