Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEABES:2016:10

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Datum uitspraak
06-04-2016
Datum publicatie
28-04-2016
Zaaknummer
BBZ nrs. 62591, 62592 van 2013 en 76417 van 2015
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende is gevestigd op Bonaire en koopt in 2005 een perceel grond. In de jaren daarna bouwt zij appartementen, die bedoeld zijn voor de verkoop. Nadat de bouw voltooid is worden de appartementen verkocht. Naar het oordeel van het Gerecht heeft belanghebbende geen recht op een tax-holidayfaciliteit omdat geen sprake is van exploitatie van appartementen. Bovendien is niet voldaan aan de voorwaarde dat aan tenminste 5 Antilliaanse personen blijvend werk wordt verschaft.

Het Gerecht laat in het midden of de Minister van Economische Zaken de tax-holidayfaciliteit heeft toegezegd. Een eventuele toezegging kan belanghebbende immers niet baten nu die Minister daartoe niet bevoegd was en belanghebbende dat ook redelijkerwijs heeft kunnen weten. Tenslotte heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 6 april 2016

BBZ nrs. 62591, 62592 van 2013 en 76417 van 2015

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE

Enkelvoudige Belastingkamer

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van

hoofdstuk VIII, titel acht, afdeling drie van de Belastingwet BES van:

X B.V., gevestigd op Bonaire,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Bonaire,

de Inspecteur,

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende zijn met dagtekening 29 juni 2010 en 30 maart 2012 naheffingsaanslagen winstbelasting over de jaren 2008 en 2009 en tegelijkertijd verzuimboetes opgelegd.

1.2.

Belanghebbende is op respectievelijk 23 augustus 2010 (voor 2008) en 8 september 2012 (voor 2009) tegen bovengenoemde aanslagen in bezwaar gekomen.

1.3

Met dagtekening 15 februari 2013 heeft de Inspecteur voor beide jaren uitspraak op bezwaar gedaan. Daarbij zijn de aanslagen gehandhaafd en de boetes vernietigd.

1.4

Op 21 mei 2013 is belanghebbende in beroep gekomen tegen de uitspraken op bezwaar.

1.5.

Belanghebbende heeft op 23 mei 2007 en 13 november 2007 een verzoek gedaan tot toepassing van de belastingfaciliteiten op grond van de Landsverordening ter bevordering van bedrijfsvestiging en hotelbouw (hierna: verzoek tax-holiday). Op 9 oktober 2014 heeft de inspecteur afwijzend op dit verzoek beschikt. Onderaan deze afwijzing is het volgende vermeld:

‘Indien U bezwaar heeft tegen deze beschikking dan kunt U binnen 2 maanden na dagtekening daarvan een bezwaarschrift indienen bij de Belastingdienst/ Caribisch Nederland.

(....)’

1.6

Belanghebbende heeft hiertegen op 8 december 2014 bezwaar aangetekend. Bij uitspraak op bezwaar van 7 september 2015 heeft de Inspecteur uitspraak gedaan en het bezwaar afgewezen.

1.7

Met dagtekening 15 oktober 2015, bij het Gerecht binnengekomen op 22 oktober 2015, is belanghebbende in beroep gekomen tegen de uitspraak op bezwaar.

1.8

Op 20 november 2015 heeft de Inspecteur verweerschriften ingediend.

1.9

Ter zitting van 7 januari 2016 te Kralendijk zijn namens belanghebbende verschenen de directeur R en de gemachtigden S, verbonden aan T en U, verbonden aan V en W. Namens de Inspecteur zijn verschenen Y en Z. Belanghebbende en de Inspecteur hebben ter zitting pleitnota’s voorgedragen en overgelegd aan het Gerecht en de wederpartij. Ter zitting is de door belanghebbende meegebrachte A als getuige gehoord.

2 FEITEN

Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende tegengesproken.

2.1

Belanghebbende is een in Bonaire gevestigde vennootschap die onder meer als doel heeft het ontwikkelen en exploiteren van onroerende zaken en goederen, hotels, bars, restaurants en appartementencomplexen.

2.2

Belanghebbende heeft in 2005 te B een perceel grond gekocht met een oppervlakte van 1.548 m2. In de periode 2006-2008 heeft zij daarop voor een bedrag van Naf 5.899.394 ($ 3.280.021) een appartementencomplex gebouwd, bestaande uit 9 appartementen en 1 penthouse (bekend onder de naam “project C”). Belanghebbende heeft ten behoeve van het project een bedrag van Naf 148.288

($ 82.382) aan personeelskosten gemaakt. Met de verkoop van het project heeft belanghebbende een positief resultaat behaald van Naf 1.046.472 ($ 581.373). Belanghebbende heeft na de ontwikkeling van het project en de verkoop van de appartementen geen nieuwe activiteiten meer ontplooid. Vanaf 2009 heeft belanghebbende geen aangifte loonbelasting meer gedaan.

2.3

Volgens het verzoek tax-holiday van 23 mei 2007 worden door middel van het project tussen 6 en 9 werkplaatsen aan Antilianen verschaft. In het verzoek van 13 november 2007 wordt een aantal genoemd van 10 werkplaatsen. In werkelijkheid heeft belanghebbende geen enkele Antiliaan in dienst genomen.

2.4

In 2007 heeft belanghebbende tevens een verzoek gedaan tot toepassing van de Landsverordening ter bevordering van de grondontwikkeling. Op 29 maart 2010 heeft de Gouverneur dit verzoek afgewezen met als motivering dat geen sprake was van een ‘groot perceel braakliggende grond’. Belanghebbende heeft daartegen geen bezwaar of beroep aangetekend.

2.5

Tot de stukken van het geding behoort een schriftelijke verklaring van A van 8 oktober 2015 met daarin opgenomen, voor zover hier van belang, de volgende tekst:

“Ten tijde van de aanvraag van de “tax-holiday” bekleedde ik de functie van minister van economische zaken en daarna als gedeputeerde van economische zaken van het eilandgebied Bonaire. Destijds heb ik en andere bestuurders met de heer M, zijnde de directeur van X B.V., meerdere besprekingen gehad in zake het toekennen van de “tax-holiday” aan X B.V. Aan hem is destijds door mij, uit hoofde van de functies die ik bekleedde, verklaard dat de “tax-holiday” zou worden afgegeven, omdat de activiteiten van X B.V. een bijdrage in het algemeen zouden leveren aan de economie van Bonaire en een toegevoegde waarde inhielden voor zowel de geprojecteerde duurzame economische ontwikkeling van Bonaire alsmede de arbeidsmarkt.

Uiteraard werd deze toezegging niet uitgesproken zonder een daartoe geëigende navraag te hebben gedaan bij de toemalige relevante bestuursfuctionarissen en een analyse te hebben gemaakt van de technische aspecten van de aanvraag.

Voorts verklaar ik dat tijdens de besprekingen die met Nederland zijn gevoerd ten tijde van de “ontmanteling” van de (voormalige) Nederlandse Antillen werd bevestigd, zijdens Nederland, dat de nog niet afgehandelde “tax holiday” aanvragen gerespecteerd zouden worden en positief afgehandeld, behoudens zeer uitzonderlijke en duidelijke gevallen van voldoende objectieve redenen tot weigering van de tax holiday.

(...)

Ik verklaar hierbij dat aan X B.V., gezien alle ontwikkelingen op staatkundige structuur nivo en de bijzondere kenmerken van het project, de ondubbelzinnige toezegging is gedaan dat aan haar de “tax-holiday” zou worden verleend.”

Ter zitting heeft A deze verklaring, in het kader van het getuigenverhoor, met woorden van dezelfde strekking herhaald.

2.6

Tot de stukken van het geding behoren tevens schriftelijke verklaringen van O en P over de wijze waarop tax-holidayverzoeken ambtelijk werden behandeld.

3 GESCHIL

Tussen partijen is in geschil of de Inspecteur het verzoek tax-holiday terecht heeft afgewezen. Tevens is in geschil of bij het vaststellen van de naheffingsaanslagen winstbelasting 2008 en 2009 terecht het normale tarief is gehanteerd of dat uitgegaan dient te worden van het tax-holidaytarief van 2%. Met betrekking tot de naheffingsaanslagen winstbelasting 2008 en 2009 is daarnaast in geschil of het beroep ontvankelijk is.

4 STANDPUNTEN PARTIJEN

4.1

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat het beroep met betrekking tot de aanslagen winstbelasting 2008 en 2009 niet ontvankelijk is omdat het niet binnen de termijn van 2 maanden is ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is.

Volgens belanghebbende is de termijnoverschrijding wel verschoonbaar omdat hij pas voor het eerst op 17 april 2013 heeft kennisgenomen van de uitspraak van bezwaar en vervolgens binnen 2 maanden erna beroep heeft aangetekend. De Inspecteur heeft daarnaast aangevoerd dat het bezwaar tegen de naheffingsaanslag winstbelasting 2009 te laat is ingediend en daarom niet ontvankelijk is.

4.2

Verder is belanghebbende van mening dat zij aangemerkt dient te worden als tax-holidayvennootschap omdat zij aan de voorwaarden daarvoor heeft voldaan. Bovendien heeft A aan belanghebbende de ondubbelzinnige toezegging gedaan dat aan haar de tax-holidayfaciliteit zou worden verleend. Als Minister van Economische zaken was A ook bevoegd om een dergelijke toezegging te doen aldus belanghebbende. Belanghebbende meent dan ook dat sprake is van in rechte te honoreren opgewekt vertrouwen. Daarnaast stelt belanghebbende dat andere ondernemingen die in dezelfde situatie verkeren wel de tax-holidayfaciliteit hebben gekregen. Op grond van het gelijkheidsbeginsel dient belanghebbende dan hetzelfde behandeld te worden. Voorts acht belanghebbende het onacceptabel dat pas na 7,5 jaar een beschikking op het in 2007 ingediende verzoek is afgegeven. Hierdoor is sprake van schending van het rechtszekerheidsbeginsel en bestaat recht op schadevergoeding. Tenslotte verwijt belanghebbende de Inspecteur onrechtmatig handelen nu deze in strijd heeft gehandeld met de afspraken die zijn gemaakt ten tijde van de ontmanteling van de Nederlandse Antillen.

4.3

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende geen recht heeft op toepassing van de tax-holidayfaciliteit omdat zij niet aan de daarvoor geldende voorwaarden voldoet. De inspecteur bestrijdt verder dat A een toezegging heeft gedaan en dat hij daartoe bevoegd was. Van handelen in strijd met het vertrouwensbeginsel is volgens de Inspecteur dan ook geen sprake. De Inspecteur is voorts van mening dat het gelijkheidsbeginsel niet geschonden is nu de door belanghebbende opgevoerde gevallen niet gelijk zijn aan het voorliggende geval en die gevallen bovendien, anders dan het voorliggende geval, door de ministerraad van de Nederlandse Antillen zijn afgedaan.

5 BEOORDELING VAN HET GESCHIL

Wettelijk kader

5.1

Het land Nederlandse Antillen, waartoe Bonaire behoorde, is op 10 oktober 2010 opgehouden te bestaan. Het tot die tijd geldende fiscale stelsel was vervat in Nederlands-Antilliaanse landsverordeningen. Die landsverordeningen hebben, behoudens bijzondere regels, na opheffing van het land, automatisch hun rechtskracht verloren. Die bijzondere regels zijn neergelegd in de Wet geldstelsel BES.

Artikel 13b, lid 1 en lid 4 Wet geldstelsel BES zorgen ervoor dat ook na 1 januari 2011 nog winstbelasting geheven en geïnd kan worden over de belastingjaren vóór 2011 en dat ook de belastingfaciliteiten die vervat zijn in onder meer de Landsverordening ter bevordering van bedrijfsvestiging en hotelbouw (hierna: LV Hotel) in die jaren blijven gelden. Voor die jaren blijft ingevolge artikel 13b, lid 2 Wet geldstelsel, ook de Algemene Landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL) van toepassing. De Landsverordening op het beroep in belastingzaken is niet genoemd in voornoemd artikel 13b, lid 2, zodat die, ook voor de jaren vóór 2011, haar belang verloren heeft. Daarvoor in de plaats gelden artikel 8.101 en verder van de Belastingwet BES (hierna: BwB).

5.2

Ontvankelijkheid beroep winstbelasting 2008 en 2009

5.2.1

Ingevolge artikel 31, lid 1 van de ALL en artikel 8.101, lid 2 BwB (tekst 2013) kon degene die bezwaar heeft tegen een uitspraak op bezwaar van de Inspecteur binnen 2 maanden na de dagtekening van die uitspraak in beroep komen bij de Raad van Beroep voor Belastingzaken. Nu de onderhavige uitspraken van de Inspecteur zijn gedagtekend 15 februari 2013 en belanghebbende daartegen eerst op 21 mei 2013 in beroep is gekomen, zijn de beroepen te laat ingediend.

5.2.2

In artikel 8.103, lid 5 BwB is bepaald dat de niet-ontvankelijkverklaring van een beroep op grond van termijnoverschrijding achterwege behoort te blijven indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroep in verzuim is geweest.

5.2.3

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de gebleken termijnoverschrijding verschoonbaar is, omdat zij eerst op 17 april 2013 kennis heeft genomen van de uitspraken op bezwaar en dat zij daarom met de indiening van de beroepschriften op 21 mei 2013 niet in verzuim is geweest. De Inspecteur heeft de vertraagde ontvangst betwist door te stellen dat uit de gevoerde correspondentie en het adres van de aanslag niet valt af te leiden dat belanghebbende de uitspraken op bezwaar niet op of rond de dagtekening ervan heeft ontvangen. Met deze enkele stelling heeft de Inspecteur, op wie de bewijslast rust, tegenover de geloofwaardige verklaring van belanghebbende, niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende de uitspraken op bezwaar eerder dan 17 april 2013 heeft ontvangen. Het Gerecht gaat daarom van de juistheid van de stelling van belanghebbende uit. Alsdan moet worden beoordeeld of belanghebbende de beroepschriften alsnog zo spoedig mogelijk heeft ingediend.

5.2.4

Het Gerecht overweegt dat van de omstandigheden van het geval afhangt welke tijdspanne bij overschrijding van de beroepstermijn nog kan gelden als “alsnog zo spoedig mogelijk indienen” van het beroepschrift. Naar het oordeel van het Gerecht kan in dit verband in beginsel een termijn van een maand als tijdig worden aangemerkt (Raad van beroep voor Belastingzaken 23 juli 2012 ECLI:NL:ORBBNAA:2012:BX4934). Het Gerecht ziet geen reden om hiervan in dit geval af te wijken. In het voorliggende geval bedraagt de termijn 1 maand en 4 dagen, dus langer dan een maand. Gelet hierop is belanghebbende met de indiening van het beroep in verzuim geweest en dient het beroep niet ontvankelijk te worden verklaard.

5.3

Ontvankelijkheid beroep tax-holiday

5.3.1

In artikel 4 en 5 van de Lv Hotel is bepaald dat de Gouverneur bij landsbesluit beslist op verzoeken tot het verkrijgen van een tax-holiday. Met ingang van 10 oktober 2010 is er echter geen Gouverneur meer die over deze verzoeken kan beslissen. Bij Besluit van 18 december 2013 tot wijziging enige uitvoeringsbesluiten op het gebied van belastingen en toeslagen (Stbl. 2013, 569) is dit opgelost middels de invoering van artikel 7a Uitvoeringsbesluit Belastingwet BES. Hierin staat dat de taken en bevoegdheden van de Gouverneur per 10 oktober 2010 overgaan op de Directeur-generaal Belastingdienst. Ter zitting heeft de Inspecteur verklaard dat de Directeur-generaal de uitvoering van deze taken heeft gemandateerd aan de Inspecteur Caribisch Nederland.

5.3.2

Ingevolge artikel 13a van de Lv Hotel staat tegen een beschikking genomen krachtens deze Landsverordening binnen 6 weken nadat deze is gegeven beroep open bij de Raad van Beroep voor Belastingzaken (inmiddels Gerecht). De afwijzende beschikking van de Inspecteur is gedagtekend 9 oktober 2014, belanghebbende heeft daartegen op 8 december 2014 bij de Inspecteur bezwaar aangetekend en vervolgens tegen de uitspraak op bezwaar op 15 oktober 2015 beroep aangetekend. Dat is buiten voornoemde termijn van 6 weken. Gelet op de rechtsmiddelenverwijzing onderaan de beschikking van de Inspecteur, inhoudende dat binnen 2 maanden bezwaar ingediend kon worden bij de Inspecteur (zie 1.5), acht het Gerecht de termijnoverschrijding verschoonbaar en is het beroep ontvankelijk. Het Gerecht merkt daarbij op dat zij het schrijven van 8 december 2014 als een op die datum binnengekomen beroepschrift aanmerkt en het schrijven van 15 oktober 2015 als nadere motivering daarvan.

5.4

Materieel

5.4.1

Belanghebbende heeft recht op de tax-holidayfaciliteit als zij als een bedrijf in de zin van de Lv Hotel aangemerkt kan worden. Van een bedrijf in die zin is sprake indien het een onderneming betreft ‘tot exploitatie van een hotel of een andere gelegenheid tot verblijf en ontspanning’ (hierna: ‘hotel’) en verder nog aan een aantal in artikel 1, lid 1, letter b Lv Hotel genoemde voorwaarden voldoet. Indien geen sprake is van een ‘hotel’ dan bestaat recht op de faciliteit als de onderneming aan tenminste vijf in de Nederlandse Antillen geboren Nederlanders blijvend werk zal verschaffen en overigens nog aan een aantal voorwaarden voldoet (artikel 1, lid 1, letter a Lv Hotel).

5.4.2

Uit de feiten en omstandigheden blijkt dat belanghebbende het appartementencomplex heeft gebouwd met de bedoeling om het na de bouw met winst te verkopen, dat de bouw in de periode 2006 – 2008 heeft plaatsgevonden en dat vervolgens het complex ook daadwerkelijk verkocht is, zonder dat het verhuurd is geweest. Naar het oordeel van het Gerecht vormen de appartementen wel gelegenheden tot verblijf en ontspanning, maar kan er in dit geval niet gezegd worden dat belanghebbende in het appartementencomplex heeft geïnvesteerd om ze als zodanige gelegenheden te gaan exploiteren. Dat betekent dat het geen onderneming is ‘tot exploitatie van een hotel of een andere gelegenheid tot verblijf en ontspanning’. In dat geval kan belanghebbende alleen als tax-holiday aangemerkt worden indien zij voldoet aan de voorwaarden van artikel 1, lid 1, letter a Lv Hotel, waaronder de voorwaarde dat belanghebbende aan tenminste vijf in de Nederlandse Antillen geboren Nederlanders (hierna: Antillianen) blijvend werk zal verschaffen. De Inspecteur heeft onweersproken gesteld dat belanghebbende geen enkele Antilliaan in dienst heeft genomen en dat zij vanaf 2009 geen loonbelasting aangifte meer deed. Belanghebbende, op wie de bewijslast rust, heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt dat ze door middel van de bouw van het appartementencomplex aan minstens 5 Antillianen blijvend werk heeft verschaft. Gelet hierop heeft belanghebbende niet voldaan aan de eisen van een tax-holiday.

5.5

Opgewekt vertrouwen

5.5.1

Volgens belanghebbende heeft de toenmalige Minister van Economische Zaken (hierna: de Minister) in 2007 ondubbelzinnig toegezegd dat aan haar de tax-holidayfaciliteit verleend zou worden en was die Minister ook bevoegd om die toezegging te doen. Hiermee is volgens belanghebbende vertrouwen gewekt dat gehonoreerd moet worden.

5.5.2

Het Gerecht zal het antwoord op de vraag of de Minister een ondubbelzinnige toezegging heeft gedaan in het midden laten. Naar het oordeel van het Gerecht was de Minister namelijk niet bevoegd om hieromtrent toezeggingen te doen. In artikel 4 en 5 Lv Hotel is immers opgenomen dat in die periode de bevoegdheid tot het verlenen van de tax-holidayfaciliteit toekwam aan de Gouverneur. Ter zitting heeft A verklaard dat in feite de Minister President en de Ministers van Financiën en Economische Zaken de eindbevoegdheid hadden in dit soort zaken. Het Gerecht begrijpt dit aldus dat volgens A weliswaar de formele bevoegdheid bij de Gouverneur berustte, maar dat in feite de drie ministers gezamenlijk beslisten op het verzoek. Het Gerecht acht dat aannemelijk nu in de door belanghebbende bij haar pleitnota gevoegde Landsbesluiten staat dat de Gouverneur deze heeft uitgevaardigd ‘op voordracht van de Minister-President, de Minister van Financiën en de Minister van Economische Zaken’. Ook hieruit blijkt dat A als Minister van Economische Zaken niet zelfstandig bevoegd was om een toezegging te doen. Dat kon dan alleen in samenspraak met en mede namens de twee overige ministers. Dat dit gebeurd is, is gesteld noch gebleken. Nu noch uit de wet, noch uit andere voor het publiek toegankelijke stukken blijkt dat de Minister zelfstandig bevoegd was om te beslissen op het verzoek van belanghebbende, mocht belanghebbende niet vertrouwen op de vermeende toezegging van de Minister.

5.5.3

Het Gerecht voegt hieraan toe dat A ter zitting heeft verklaard dat hij de vermeende toezegging in of omstreeks maart 2007 heeft gedaan. Tijdens de uitvoering van het project is gebleken dat, anders dan in de verzoeken is aangegeven, aan geen enkele Antilliaan blijvend werk is verschaft. Dat betekent dat aan een van de voorwaarden voor verlening van de tax-holidayfaciliteit niet voldaan is, terwijl ten tijde van de vermeende toezegging aangegeven was dat daar wel aan voldaan zou worden. Aan een eventuele vooraf gedane toezegging mocht belanghebbende in deze situatie geen vertrouwen ontlenen.

Het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel faalt.

5.6

Onrechtmatig handelen

Tegenover de betwisting van de Inspecteur heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat er door Nederland toegezegd is dat in gevallen als die van belanghebbende de tax holiday verleend zou worden. De enkele verklaring van A daarover (zie 2.5), zonder nadere bewijsstukken, is daarvoor onvoldoende. Van onrechtmatig handelen is in zoverre geen sprake.

5.7

Strijd met het gelijkheidsbeginsel

5.7.1

Belanghebbende heeft aangevoerd dat de Inspecteur het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden. Zij heeft in haar conclusie van repliek en in haar pleitnota in totaal zeven belastingplichtigen genoemd, die in dezelfde periode als belanghebbende geïnvesteerd hebben en die als tax-holidayvennootschappen zijn aangemerkt. De Inspecteur heeft gesteld dat de betreffende verzoeken om tax-holidays zijn afgedaan door een bestuursorgaan van de Nederlandse Antillen terwijl in het geval van belanghebbende de Inspecteur (namens de directeur-generaal) heeft beslist op het verzoek. Nu de zeven genoemde gevallen beslist is door een ander bestuursorgaan kan volgens de Inspecteur een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slagen. Het Gerecht verwerpt deze stelling. De enkele omstandigheid dat het verzoek van belanghebbende nog niet was afgedaan op het moment dat de Nederlandse Antillen ophielden te bestaan mag er niet toe leiden dat belanghebbende met betrekking tot de afdoening in een slechtere positie komt dan de belastingplichtigen met eerder afgewerkte verzoeken.

5.7.2

Een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan alleen slagen als gelijke gevallen ongelijk worden behandeld. De Inspecteur heeft gesteld dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de genoemde gevallen gelijk zijn aan dat van belanghebbende zodat het gelijkheidsbeginsel niet is geschonden. Het Gerecht stelt voorop dat het aan belanghebbende is om aannemelijk te maken dat sprake is van gelijke gevallen. Belanghebbende heeft daartoe drie Landsbesluiten overgelegd waarin tax-holidays zijn toegekend. Hiermee heeft zij naar het oordeel van het Gerecht niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van gelijke gevallen. Weliswaar betreft het vennootschappen die, net zoals belanghebbende, investeren in toeristische appartementencomplexen, maar uit de Landsbesluiten kan niet afgeleid worden dat die complexen volledig bestemd waren voor de verkoop en dat ze ook daadwerkelijk verkocht zijn zonder dat er exploitatie heeft plaatsgevonden. In zoverre wijken ze op een essentieel punt af van belanghebbende.

Verder heeft belanghebbende met betrekking tot drie andere met name genoemde belastingplichtigen gesteld dat bij hen geen sprake was van verhuur, terwijl toch de tax-holidayfaciliteit is toegekend. Tegenover de betwisting van de Inspecteur heeft belanghebbende naar het oordeel van het Gerecht niet aannemelijk gemaakt dat het hier gelijke situaties betreft als die bij belanghebbende. Belanghebbende heeft verder immers helemaal geen gegevens verstrekt over deze belastingplichtigen, zodat voor het Gerecht niet controleerbaar is of sprake is van gelijke gevallen. Gelet op het voorgaande wordt het beroep op het gelijkheidsbeginsel verworpen.

5.8

Verzoek om schadevergoeding

5.8.1

Belanghebbende verzoekt onder verwijzing naar Hoge Raad, 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO5087, om een schadevergoeding vanwege de lange behandelduur van het tax-holidayverzoek. Het Gerecht overweegt hierover als volgt. In het vermelde arrest heeft de Hoge Raad overwogen dat belastinggeschillen op grond van het rechtszekerheidsbeginsel binnen een redelijke termijn dienen te worden beslecht. Bij overschrijding van de redelijke termijn moet, behoudens bijzondere omstandigheden, spanning en frustratie als grond voor vergoeding van immateriële schade worden verondersteld. Daarbij acht de Hoge Raad de redelijke termijn overschreden indien, behoudens bijzondere omstandigheden, niet binnen twee jaar na indiening op een bezwaarschrift is beslist.

5.8.2

Naar het oordeel van het Gerecht is hier sprake van een belastinggeschil en heeft het rechtszekerheidsbeginsel op Bonaire evenzeer te gelden als in Nederland. Dat betekent dat ook hier recht bestaat op een schadevergoeding indien de redelijke termijn overschreden wordt. Of die redelijke termijn op Bonaire net zoals in Nederland 2 jaar dient te bedragen of een langere periode vanwege bijzondere omstandigheden laat het Gerecht in het midden. Nu belanghebbende op 8 december 2014 bezwaar heeft aangetekend tegen de afwijzing van het tax-holidayverzoek en deze uitspraak dateert van 4 april 2016 is de redelijke termijn in ieder geval niet overschreden en bestaat geen recht op schadevergoeding. De omstandigheid dat het Bestuursorgaan pas na 7,5 jaar heeft beslist op het tax-holidayverzoek doet, hoezeer dat ook te betreuren is, hier niet aan af, omdat gesteld noch gebleken is dat belanghebbende hierdoor schade geleden heeft die voor vergoeding in aanmerking komt. Bovendien kan een verzoek om schadevergoeding, anders dan die welke is gebaseerd op het in 5.8.1 vermelde arrest, niet slagen omdat het beroep niet gegrond wordt verklaard (zie artikel 8.115b, lid 1 BwB).

5.9

Gelet op al het voorgaande is het beroep met betrekking tot de winstbelasting 2008 en 2009 niet ontvankelijk en met betrekking tot de afwijzing van het tax-holidayverzoek ongegrond.

6 BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

  • -

    verklaart het beroep met betrekking tot de winstbelasting 2008 en 2009 niet ontvankelijk;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.M. de Werd, rechter in dit gerecht, en werden uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 april 2016, in tegenwoordigheid van de griffier, M.M.M. Faro MSc.

De griffier, De rechter,

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Hof (art. 8.116a, lid 1 Belastingwet BES).

Het hoger beroep kan worden ingesteld binnen twee maanden na de dag van de toezending van de uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg overeenkomstig artikel 8.116 Belastingwet BES.