Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2021:79

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
12-03-2021
Datum publicatie
16-03-2021
Zaaknummer
AUA202003169
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort Geding. Het gerecht is van oordeel dat de besproken incidenten, wanneer zij in hun onderlinge samenhang worden bezien, voorshands voldoende aannemelijk maken dat de werknemer zich bij herhaling schuldig maakt aan gedrag jegens collega’s dat als bedreigend en agressief kan worden ervaren. Dit hoeft door de werkgever die als werkgever verantwoordelijk is jegens haar werknemers om een veilige werksfeer te creëren, niet te worden geaccepteerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 12 maart 2020

Behorend bij AUA202003169

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[De werknemer],

te Aruba,

EISER,

hierna ook te noemen: [de werknemer],

gemachtigden: de advocaat mrs. A.A. Ruiz en M.R.M. Reinkemeyer,

tegen:

de naamloze vennootschap

BOULEVARD HOTEL N.V. h.o.d.n. Renaissance Aruba Resort & Casino,

te Aruba,

GEDAAGDE,

hierna ook te noemen: Renaissance,

gemachtigde: de advocaat mr. A.E. Barrios.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift d.d. 7 december 2020;

- de brief d.d. 14 januari 2021 van [de werknemer] met producties;

- de brief d.d. 14 januari 2021 van Renaissance met producties;

- de mondelinge behandeling d.d. 15 januari 2021, waar partijen onder overlegging van pleitnota’s hun standpunten hebben toegelicht en op elkaars stellingen hebben gereageerd;

- de mededeling van partijen op de rolzitting van 27 januari 2021 dat partijen geen regeling hebben bereikt.

1.2

Vonnis is vervolgens bepaald op heden.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Renaissance exploiteert een hotel met casino aan de boulevard in Oranjestad te Aruba. [de werknemer] is op grond van een schriftelijke arbeidsovereenkomst (Renaissance, prod. 1) met ingang van 1 oktober 2007 bij Renaissance in dienst getreden in de functie van dealer.

2.2

Op 29 september 2020 heeft zich een incident voorgedaan tussen [de werknemer] en zijn collega [collega] (hierna: [collega A]). Aanleiding daarvoor was het feit dat [collega A] een door [de werknemer] van huis meegenomen maaltijd uit de koelkast, die zich bevond in de gemeenschappelijke ruimte voor de dealers (hierna: de dealerrroom), had gepakt.

2.3

Per brief van 7 oktober 2020 (verzoekschrift, prod. 2) is [de werknemer], na een schorsing met behoud van loon, wegens een dringende reden op staande voet ontslagen. Als dringende reden voor het ontslag op staande voet noemt Renaissance in de ontslagbrief (i) het incident van 29 september 2020 met [collega A], (ii) vier andere gedragsgerelateerde incidenten met collega’s in de periode 2015 – 2020 alsmede (iii) zeven overtredingen van de bedrijfsregels in de periode 2017 – 2020.

2.4

Bij brief van 26 oktober 2020 van (de gemachtigde van) [de werknemer] aan Renaissance heeft [de werknemer] de nietigheid van het ontslag ingeroepen (verzoekschrift, prod. 3).

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [

de werknemer] vordert dat het gerecht bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

- Renaissance veroordeelt om [de werknemer] binnen 48 uur na het wijzen van dit vonnis toe te laten tot het werk om zijn bedongen werkzaamheden uit te voeren, zulks op straffe van een dwangsom van Afl. 1.000,00 per dag en om aan [de werknemer] het hem toekomende loon met emolumenten uit te betalen op de gebruikelijke betaaldagen, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7A:1614q BW in geval van niet tijdige betaling, sedert de dag van het ontslag totdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd,

- kosten rechtens.

3.2

Aan zijn vordering legt [de werknemer] ten grondslag dat het ontslag niet onverwijld is gegeven en dat [de werknemer] de hem verweten gedragingen met betrekking tot het incident op 29 september 2020 niet heeft begaan, zodat deze ook geen dringende reden voor een ontslag op staande voet kunnen opleveren.

3.3

Renaissance voert hiertegen verweer. Zij stelt dat het gedrag van [de werknemer] op 29 september 2020, bezien in samenhang met eerdere gedragingen van [de werknemer] waarvoor hij disciplinair is gestraft, een dringende reden opleveren voor ontslag op staande voet.

3.4

Op de grondslagen van de vordering en het daartegen gevoerde verweer zal hierna, bij de beoordeling van de vordering worden ingegaan.

4 DE BEOORDELING

4.1

Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de ingestelde vorderingen.

4.2

In deze procedure moet aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten, zonder nader onderzoek en met inachtneming van de beperkingen van de procedure in kortgeding, worden beoordeeld of de vordering in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat vooruitlopend daarop toewijzing van de gevraagde voorziening gerechtvaardigd is.

4.3

Gezien het verweer van Renaissance ligt de vraag ter beantwoording voor of er sprake is van een dringende reden die een ontslag op staande voet kan rechtvaardigen. Als dringende redenen worden volgens artikel 7A:1615o lid 1 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (BW) beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen. Tot deze omstandigheden behoren onder meer de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals diens leeftijd, de aard en duur van het dienstverband en de gevolgen van het ontslag op staande voet. Van belang is verder dat het de werkgever is die moet stellen en bewijzen dat sprake is van een dringende reden.

4.4

Ter onderbouwing van haar verweer dat zij [de werknemer] terecht op staande voet heeft ontslagen, heeft Renaissance het volgende aangevoerd.

Op 29 september 2020 heeft [collega A] per ongeluk in plaats van haar eigen eten het eten van [de werknemer] uit de koelkast in de dealerroom meegenomen. Toen zij haar vergissing bemerkte, heeft ze een collega gevraagd het eten terug in de koelkast te leggen. [de werknemer] had echter inmiddels bemerkt dat zijn eten uit de koelkast was weggenomen en had vernomen dat dit waarschijnlijk door [collega A] was gedaan. Hij maakte haar daarop uit voor dief. Na werktijd heeft [de werknemer] op de parkeerplaats tegenover het casino [collega A] opnieuw agressief benaderd, zowel in woord als gedrag. Toen [collega A] zich daarover ging beklagen bij de leidinggevende, M. Tromp, is [de werknemer] eveneens naar de leidinggevende gegaan. Daar heeft hij zich wederom agressief jegens [collega A] gedragen. In de periode 2015 – 2020 zijn al vier keer eerder disciplinaire maatregelen getroffen jegens Renaissance wegens onheus gedrag jegens collega’s en zijn er nog eens zeven keer disciplinaire maatregelen getroffen wegens overtreding van de interne regels van Renaissance. Het incident van 29 september 2020 levert op zichzelf, maar zeker ook in samenhang met alle eerdere gedragingen van [de werknemer] waarvoor disciplinaire maatregelen zijn genomen, een dringende reden op voor ontslag op staande voet. Dit ontslag is onverwijld gegeven. Renaissance heeft namelijk na 29 september 2020 [de werknemer] direct geschorst en heeft toen als eerste de toedracht naar het incident onderzocht en wat de rol van [de werknemer] daarin was geweest. Vervolgens, toen zij had geconcludeerd dat [de werknemer] ernstig verwijtbaar had gehandeld jegens [collega A], heeft zij aan de hand van het personeelsdossier en in overleg met haar juridisch adviseur bepaald wat een gepaste reactie was op dit gedrag van [de werknemer]. Zij is met dit alles zorgvuldig, maar zeker ook voortvarend te werk gegaan.

De dringende reden

4.5

Naar het oordeel van het gerecht vormen het incident van 29 september 2020 en de door [de werknemer] in de periode 2015 - 2020 begane onheuse gedragingen jegens collega’s, wanneer deze in hun onderlinge samenhang worden beschouwd, een dringende reden op voor ontslag op staande voet. Daartoe geldt het volgende.

- de incidenten met collega’s in de periode 2015 - 2019

4.6 [

de werknemer] heeft ten aanzien van de incidenten die ten grondslag lagen aan de disciplinaire maatregelen van 11 april 2015, 29 juni 2019 en 1 oktober 2019 gesteld dat deze vanwege het tijdsverloop moeten worden gepasseerd en dat die maatregelen bovendien op onjuiste gronden zijn genomen. [de werknemer] betwist dat hij zich aan de gestelde gedragingen heeft schuldig gemaakt.

4.7

Tussen partijen staat vast dat op genoemde data disciplinaire maatregelen zijn getroffen en dat deze op schrift in een rapport zijn vastgelegd (prod. 10 tot en met 13 van Renaissance). Uit de door Renaissance opgestelde rapporten volgt dat de maatregelen zijn opgelegd wegens wangedrag van [de werknemer] jegens collega’s en dat de jegens [de werknemer] genomen maatregelen hebben bestaan uit respectievelijk (i) een schorsing van drie dagen, (ii) een waarschuwing en (iii) een schorsing van een dag. In de opgemaakte rapporten is telkens het aan [de werknemer] verweten gedrag concreet omschreven, waarna de verklaringen mede zijn ondertekend door een getuige dan wel slachtoffer van het voorval. Naar het voorshands oordeel van het gerecht zijn de rapportages zorgvuldig tot stand gekomen. Dat [de werknemer] geweigerd heeft om de rapporten voor ontvangst te ondertekenen, doet aan dit oordeel niet af.

4.8

De door [de werknemer] thans in deze procedure als productie 5 overgelegde verklaring, waarin hij ontkent dat hij de hem in 2015 en 2019 verweten gedragingen heeft verricht, zonder dat hij die verklaring nader onderbouwt en zonder dat hij concretiseert wat er tijdens die incidenten volgens hem wel is voorgevallen, is een onvoldoende betwisting van de juistheid van de destijds opgestelde rapporten. Daarmee is voorshands voldoende aannemelijk geworden dat [de werknemer] zich in 2015 en 2019 aan het in de rapporten genoemde wangedrag jegens collega’s heeft schuldig gemaakt. Dit gedrag betreft achtereenvolgens onbeschoft gedrag jegens zijn manager en supervisor in aanwezigheid van gasten, respectloos gedrag jegens een collega en het zwaar beledigen van een collega op de werkvloer in het bijzijn van gasten.

- het incident d.d. 17 september 2020

4.9

Ten aanzien van het incident dat is voorgevallen op 17 september 2020 heeft Renaissance het volgende gesteld. Op die dag heeft [de werknemer] in de dealerroom opzettelijk een telefoongesprek afgeluisterd van een vrouwelijke collega, waarin deze vertelde dat door een onverwachte menstruatie haar broek was bevuild. Toen deze vrouwelijke collega even later uit de toiletruimte kwam, heeft [de werknemer] een foto gemaakt met zijn telefoon van de bevuilde broek die de collega op dat moment nog droeg. Deze foto heeft hij laten zien aan diverse collega’s, waarbij hij de vrouwelijke collega aanduidde als een ‘koe’.

4.10 [

de werknemer] heeft omtrent dit incident gesteld dat hij in de dealerroom zijn vrouwelijke collega toevallig aan de schoonmaakster hoorde vertellen dat zij een ‘ongelukje’ had gehad en haar broek had bevuild. Toen de collega wegliep heeft hij inderdaad geprobeerd om een foto te maken, omdat hij uit nieuwsgierigheid wilde controleren of er een vlek in de broek zat. De foto is mislukt, zodat hij deze ook niet heeft kunnen tonen aan collega’s. Er was geen reden dat de collega zich geïntimideerd voelde.

4.11

Ook indien veronderstellenderwijs uitgegaan wordt van de juistheid van de door [de werknemer] beschreven gang van zaken, dan miskent [de werknemer] naar het oordeel van het gerecht dat alleen al het enkele feit dat hij heeft geprobeerd een foto te maken van de bevuilde broek van zijn vrouwelijke collega, gezien de omstandigheden waaronder deze bevuild was geraakt, een grove inbreuk oplevert van de persoonlijke levenssfeer van zijn collega. Een foto, indien deze lukt, brengt immers het risico met zich dat deze via sociale media wordt gedeeld en dat de vrouwelijke collega aldus gedurende lange (onbepaalde) tijd met het incident zou kunnen worden geconfronteerd. De vrouwelijke collega had dus alle reden om zich door [de werknemer] onheus bejegend en geïntimideerd te voelen, terwijl [de werknemer] geen enkel belang had bij het maken van de foto. Het gerecht is dan ook van oordeel dat [de werknemer] zich door zijn handelwijze schuldig heeft gemaakt aan ernstig wangedrag jegens zijn collega.

- het incident d.d. 29 september 2020

4.12

Ten aanzien van het incident van 29 september 2020 verwijt Renaissance het (samengevat) aan [de werknemer] dat:

- [ de werknemer] zijn collega [collega A] voor dief had uitgemaakt nadat zij per vergissing de maaltijd van [de werknemer] uit de koelkast in de dealerroom had meegenomen;

- [ de werknemer] vervolgens [collega A] na de dienst op de parkeerplaats op verbaal agressieve wijze heeft bejegend en

- dat [de werknemer] vervolgens in het casino ten overstaan van de manager opnieuw bedreigende taal heeft geuit jegens [collega A].

4.13 [

de werknemer] heeft alle onderdelen van de hem verweten gedragingen betwist. Hij heeft [collega A] niet voor dief uitgemaakt en volgens hem was het juist [collega A] die hem agressief benaderde op de parkeerplaats en zijn de door hem in het casino ten overstaan van de manager gebruikte bewoordingen verdraaid, omdat hij ten overstaan van de manager niet [collega A] bedreigde, maar jegens de manager slechts de bewoordingen heeft herhaald die [collega A] op de parkeerplaats jegens hem had geuit.

4.14

Het gerecht oordeelt hieromtrent als volgt. Renaissance heeft een verklaring overgelegd van werkneemster [collega B] (hierna: [collega B]) die stelt dat [de werknemer] tijdens een telefoongesprek in de dealerroom heeft gezegd dat [collega A] moest stoppen met stelen (Renaissance, prod. 3). Volgens [de werknemer] waren er op de parkeerplaats twee werknemers die als getuigen hebben waargenomen wat er op de parkeerplaats tussen [de werknemer] en [collega A] is voorgevallen, te weten [collega B] en (hierna: [collega C]). [collega B] heeft verklaard (Renaissance, prod. 3) dat [de werknemer] op de parkeerplaats tegen [collega A] riep dat zij een dief was (ladron bo ta). [collega C] heeft verklaard (Renaissance, prod. 4) dat hij op de parkeerplaats zag dat [de werknemer], nadat hij zijn spullen in zijn auto had gelegd, naar [collega A] liep en daar een discussie met haar startte. Tot slot heeft de manager M. Tromp over het gesprek in het casino ten overstaan van haar verklaard dat [de werknemer] op een gegeven moment tegen [collega A] zei dat hij haar in elkaar zou slaan (mi ta kibra tur bo conja pa bo) en dat ze kon meenemen wie ze wilde (y bin cu ken conjo cu bo kier).

4.15

Uit de verklaringen van [collega B] en [collega C] volgt dus niet dat het [collega A] was die op de parkeerplaats het initiatief nam tot een confrontatie met [de werknemer] en dat zij de bedreigingen heeft gedaan, zoals door [de werknemer] gesteld. Uit de verklaringen van deze drie medewerkers volgt daarentegen dat [de werknemer] zowel op de parkeerplaats als in het casino zich agressief gedroeg jegens [collega A]. Wanneer deze verklaringen in hun onderling verband worden gezien, is naar het oordeel van het gerecht dan ook voorshands voldoende aannemelijk geworden dat [de werknemer] zich verbaal agressief heeft gedragen jegens [collega A] en dat het incident niet is geïnitieerd door [collega A].

4.16.1

Van de zijde van [de werknemer] zijn geen feiten en omstandigheden gesteld die meebrengen dat het gerecht in het kader van een voorlopig oordeel in kort geding niet op de juistheid van deze verklaringen kan vertrouwen.

4.16.2

Dat er binnen Renaissance een groep lagere managers is die op onterechte gronden en onder het opmaken van valse getuigenverklaringen, en zonder overleg met het hogere management, werknemers die hen niet bevallen ontslaat (pleitnota [de werknemer], 3), is niet onderbouwd, zodat het gerecht aan die stelling voorbij gaat. Bovendien heeft [de werknemer] onvoldoende de stelling van Renaissance weersproken dat er nu juist een paar dagen tussen het incident en het ontslag op staande voet hebben gezeten, omdat de general manager bij het onderzoek is betrokken en uiteindelijk over het ontslag heeft beslist (pleitnota Renaissance, 14). In dat licht is niet duidelijk op welke wijze het lagere management buiten de general manager om een gedragslijn kan ontwikkelen waarbij medewerkers ten onrechte op staande voet worden ontslagen.

4.16.3

De stelling van [de werknemer] dat Renaissance voorshands onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [de werknemer] op de parkeerplaats het initiatief heeft genomen tot de woordenwisseling tussen hem en [collega A], omdat Renaissance weigert videobeelden te overleggen van de camera’s die zijn gericht op de parkeerplaats, wordt eveneens verworpen. Niet alleen heeft Renaissance betwist dat dergelijke videobeelden voorhanden zijn, maar [de werknemer] gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting met zijn betoog dat een stelling van een partij moet worden verworpen indien die partij die stelling niet met specifieke, door de wederpartij verlangde, bewijsmiddelen kan adstrueren.

4.16.4

Daar komt nog bij dat het in de lezing van [de werknemer] - die inhoudt dat hij [collega A] niet voor dief had uitgemaakt toen hij bemerkte dat zij zijn eten uit de koelkast had meegenomen - het niet duidelijk is waarom [collega A] vervolgens [de werknemer] agressief zou hebben benaderd op de parkeerplaats (zoals door [de werknemer] gesteld). Nu [de werknemer] niet heeft gesteld wat voor [collega A] de reden zou zijn geweest om met hem de confrontatie te zoeken op de parkeerplaats, acht het gerecht ook om die reden de lezing van [de werknemer] niet geloofwaardig en hecht het meer belang aan de verklaring van de medewerkers [collega B] en [collega C].

- conclusie: het gedrag van [de werknemer] levert een dringende reden op

4.17

Het gerecht is van oordeel dat de hierboven besproken incidenten, wanneer zij in hun onderlinge samenhang worden bezien, voorshands voldoende aannemelijk maken dat [de werknemer] zich bij herhaling schuldig maakt aan gedrag jegens collega’s dat als bedreigend en agressief kan worden ervaren. Dit hoeft door Renaissance, die als werkgever verantwoordelijk is jegens haar werknemers om een veilige werksfeer te creëren, niet te worden geaccepteerd. Aan [de werknemer] is, door de genomen disciplinaire maatregelen naar aanleiding van de eerdere incidenten, voldoende duidelijk gemaakt dat het door hem bij herhaling getoonde gedrag niet acceptabel is. Het gedrag van [de werknemer] jegens [collega A] op 29 september 2020 levert in het licht van de eerdere voorvallen dan ook een dringende reden op voor ontslag op staande voet. Het verweer dat de incidenten uit de periode 2015 – 2019 wegens het tijdsverloop niet mogen worden betrokken in de beoordeling van de vraag of er sprake is van een dringende reden, wordt verworpen. Zeker de gedragingen uit 2019 laten zien dat er terugkerend risico is op ongepast gedrag van [de werknemer] jegens collega’s en dat er in 2020 geen sprake was van incidenten. Voorts weegt voor het oordeel van het gerecht dat er sprake is van een dringende reden, zwaar dat [de werknemer] slechts 10 dagen voorafgaand aan het incident van 29 september 2020 nog voor maar liefst vijf dagen was geschorst voor zijn onacceptabel gedrag jegens een vrouwelijke collega.

4.18

Dat persoonlijke omstandigheden meebrengen dat het ontslag op staande voet verstrekkende gevolgen heeft voor [de werknemer] en diens gezin, kan niet leiden tot een ander oordeel. Bij een afweging van deze belangen tegen de belangen van de werkgever, die gezien de aan [de werknemer] verweten gedragingen mede omvatten de belangen van zijn collega’s bij het hebben van een veilige werkomgeving, dienen de laatstgenoemde belangen, gezien de herhaling en de ernst van de gedragingen van [de werknemer], zwaarder te wegen.

De onverwijldheid van het ontslag

4.19

Het ontslag is onverwijld gegeven. Na het incident is [de werknemer] (samen met [collega A]) direct geschorst, waarna Renaissance onmiddellijk een onderzoek heeft ingesteld naar de gang van zaken en de rol van betrokkenen bij het incident. Nadat de feitelijke gang van zaken rond de toedracht van het incident was onderzocht, heeft Renaissance een zorgvuldige afweging gemaakt omtrent de vraag of een ontslag op staande voet een passende reactie was, waarbij ook de general manager en externe adviseurs zijn betrokken. De zorgvuldigheid rond de besluitvorming is mede in het belang van [de werknemer], teneinde te voorkomen dat overhaast een beslissing in zijn nadeel wordt genomen. Gezien al deze omstandigheden is Renaissance voortvarend te werk gegaan en heeft zij het ontslag onverwijld medegedeeld.

De slotsom

4.20

De slotsom van het voorgaande is dat voorshands voldoende aannemelijk is geworden dat Renaissance terecht is overgegaan tot het ontslag op staande voet van [de werknemer]. Daaruit volgt dat de vorderingen van [de werknemer], die allen zijn gegrond op de onrechtmatigheid van het ontslag, dienen te worden afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [de werknemer] worden veroordeeld in de kosten van de procedure, die aan de zijde van Renaissance worden begroot op Afl. 1.500,00 aan salaris voor gemachtigde.

5 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht, recht doende in kort geding:

5.1

wijst het gevorderde af;

5.2

veroordeelt [de werknemer] in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van Renaissance worden begroot op Afl. 1.500,00 aan salaris van de gemachtigde

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Verhoeven, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van vrijdag 12 maart 2021 in aanwezigheid van de griffier.