Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2021:76

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
24-03-2021
Datum publicatie
15-03-2021
Zaaknummer
AUA201903222 AR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tussenvonnis om partijen akte te laten nemen over kortgedingprocedure in hoger beroep (ECLI:NL:OGHACMB:2020:204 en ECLI:NL:OGHACMB:2021:56), waarin is beslist over dezelfde eis. Afwijzing vorderingen m.b.t. 1 gedaagde, die geen verzekeringsmaatschappij is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0236
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

Zaaknummer: AUA201903222 AR

Vonnis van 24 maart 2021

inzake

de naamloze vennootschap

[eiseres],

gevestigd in Aruba,

eiseres,

hierna te noemen: [eiseres],

procederend in persoon (zonder gemachtigde),

tegen

1. de naamloze vennootschap

[gedaagde 1],

gevestigd in Aruba,

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde 1],

gemachtigde: mr. A.F. Kuster,

2. de naamloze vennootschap

[gedaagde 2],

gevestigd in Aruba,

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde 2],

gemachtigde: mr. A.F. Kuster,

3. de naamloze vennootschap

[gedaagde 3],

gevestigd in Aruba,

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde 3],

gemachtigde: mr. A.F. Kuster,

4. de naamloze vennootschap

[gedaagde 4],

gevestigd in Aruba,

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde 4],

gemachtigde: mr. D.C.A. Crouch.

1. Het procesverloop

1.1. Het procesverloop blijkt uit:

  • -

    het inleidend verzoekschrift met bijlagen (hierna: producties), op 30 oktober 2019 ter griffie ingediend;

  • -

    de conclusie van antwoord van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van [gedaagde 4] met producties;

  • -

    de conclusie van repliek;

  • -

    de conclusie van dupliek van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3];

  • -

    de conclusie van dupliek van [gedaagde 4].

1.2. Vonnis is nader bepaald op heden.

2 De feiten

2.1. [

eiseres] is sinds 2018 actief op de Arubaanse verzekeringsmarkt. Zij richt zich onder meer op gedupeerden van verkeersongevallen. Hierbij hanteert [eiseres] als werkwijze dat aan een gedupeerde wordt voorgesteld om de vordering tot een schade-uitkering aan [eiseres] over te dragen, waarna [eiseres] de hele afhandeling verzorgt. Als een gedupeerde dit voorstel aanvaardt, tekent deze een volmacht en akte van cessie. [eiseres] stuurt deze documenten en een schadeclaim naar de verzekeringsmaatschappij die verantwoordelijk is voor de schade-uitkering.

2.2. [

gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn verzekeringsmaatschappijen.

2.3. [

gedaagde 4] is een verzekeringsmakelaar (insurance broker).

2.4. [

eiseres] heeft schadeclaims ingediend bij [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en [gedaagde 4].

2.5. [

gedaagde 1] heeft [eiseres] begin 2019 bericht dat de verdere afhandeling van de door [eiseres] ingediende schadeclaims verlangt dat de gedupeerden een nadere verklaring ondertekenen. Die verklaring houdt in dat de gedupeerden ervoor moeten tekenen dat zij zich realiseren, dat alle betalingen aan [eiseres] worden uitgekeerd, dat zij al hun rechten hebben overgedragen aan [eiseres] en dat zij daarmee hun eigen rechten tegenover [gedaagde 1] hebben prijsgegeven.

2.6. [

eiseres] heeft op 6 februari 2019 in kort geding verzocht [gedaagde 1] te veroordelen om haar niet vernederend en discriminerend te behandelen, en om haar documenten te accepteren, te honoreren en te gebruiken om per direct haar schadeclaims in zijn volledigheid af te wikkelen. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben verzocht om zich te mogen voegen in dit geding, omdat [eiseres] bij hen op dezelfde manier schadeclaims heeft ingediend als bij [gedaagde 1]. Het Gerecht heeft in zijn vonnis van 9 april 2019 deze voeging toegestaan en de vorderingen van [eiseres] afgewezen. Het Gerecht heeft hiertoe het volgende overwogen. Het Burgerlijk Wetboek maakt het mogelijk dat een partij een check doet als hij te maken krijgt met een ander dan zijn oorspronkelijke wederpartij. [gedaagde 1] heeft als verzekeringsmaatschappij een eigen wettelijke verantwoordelijkheid om schade volgens de regels der kunst af te handelen. Het is aannemelijk dat bij de verzekeringsmaatschappijen zorgen zijn gerezen over met wat voor soort onderneming zij te maken hebben, met name of [eiseres] zorgvuldig omgaat met verkeersslachtoffers. Er is slechts een extra formulier verzocht en er wordt niet verhinderd dat [eiseres] de claim afwikkelt. Gelet hierop vindt het Gerecht het niet aannemelijk dat [gedaagde 1] onrechtmatig handelt door een nadere verklaring van gedupeerden te verlangen.

3 Het geschil

3.1. [

eiseres] verzoekt gedaagden te veroordelen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om per direct na betekening van het vonnis aan hen:

  1. de machtigingen en de rechtsgeldige documenten – volmacht- en cessie-aktes – van [eiseres] volgens de wet te accepteren en deze te honoreren en deze te gebruiken om per direct de schadeclaims met [eiseres] in zijn volledigheid af te wikkelen;

  2. een tijdsbestek van maximaal 48 uur voor het verifiëren van de volmacht- en cessie-akte;

  3. de uit te keren dagen time loss te vergoeden per schadeclaim, vanaf de dag van het ongeval;

  4. de vooruitbetaalde quotations te vergoeden om tot een schadeloosstelling te komen;

  5. de redelijke motorvoertuigreparatiekosten à NAf 90 per uur te vergoeden en hier niet van af te wijken, en te verbieden om zelf de reparatietarieven (uurloon) te bepalen;

  6. de uit te keren bedragen van de manuren à NAf 90 per uur (voor het reparatiewerk) uit te keren en dit bedrag geenszins in mindering te brengen aangaande alle schadeclaims;

  7. een verbod op te leggen om niet door te gaan met het verspreiden van leugens op basis van een redelijke dwangsom opgelegd per dag;

  8. gedaagden te bevelen om de toegangsontzegging van vertegenwoordigers van [eiseres] ongedaan te maken;

  9. gedaagden te bevelen publiekelijk in de media excuses te maken ten aanzien van de behandeling van [eiseres], haar medewerkers en cliënten;

  10. gedaagden te veroordelen voor het schuldig maken aan smaad en laster jegens [eiseres];

  11. een boete op te leggen aan [gedaagde 1] om eigenhandig gelden (schulden van [eiseres]) te verrekenen met schadeclaims zonder akkoord van [eiseres] hiervoor te krijgen;

  12. alle schade die hieruit voortgekomen is te vergoeden, dat wil zeggen materiële en immateriële schade;

  13. alle vorderingen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het ongeval;

  14. [eiseres] en haar werknemers geen ongelijke behandeling te geven ten aanzien van andere schuldeisers en [eiseres] en haar werknemers gelijkwaardig te behandelen;

  15. [eiseres] en haar werknemers niet vernederend en discriminerend te behandelen;

  16. gedaagden te veroordelen in alle kosten van deze procedure;

  17. gedaagden te veroordelen ten onrechte te hebben gehandeld;

  18. gedaagden te veroordelen voor alle schade veroorzaakt door het onrecht gedaan tegen [eiseres].

3.2. [

eiseres] legt aan haar vorderingen – zo begrijpt het Gerecht – het volgende ten grondslag. Gedaagden hebben onrechtmatig gehandeld tegenover [eiseres] door de afwikkeling van haar schadeclaims eerst ten onrechte op te schorten, haar vervolgens onvolledig schadeloos te stellen en haar daarnaast uit de markt proberen te drukken. [eiseres] wil dat haar schadeclaims alsnog volledig worden uitgekeerd, dat haar schade als gevolg van het onrechtmatige handelen van gedaagden wordt vergoed en dat gedaagden wordt verboden haar nog langer onrechtmatig te behandelen.

3.3. [

gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] enerzijds en [gedaagde 4] anderzijds hebben afzonderlijk verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Kortgedingprocedure

4.1.

Het is het Gerecht ambtshalve bekend dat [eiseres] in hoger beroep is gegaan van het kortgedingvonnis van het Gerecht van 9 april 2019 en dat het Hof op 22 september 2020 tussenvonnis heeft gewezen (ECLI:NL:OGHACMB:2020:204). Uit dit tussenvonnis blijkt het volgende. [eiseres] heeft haar eis in hoger beroep vermeerderd, zodat deze gelijkluidend werd aan haar eis in deze bodemprocedure. [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [gedaagde 4] zijn geen partij in dit hoger beroep. Het Hof heeft als volgt geoordeeld. [eiseres] heeft afdoende onderbouwd en aannemelijk gemaakt dat haar volmachten zijn geverifieerd en dat [gedaagde 1] geen redelijke grond had om te betwijfelen dat de akten van cessie geldig zijn opgemaakt en ondertekend door de cedent. [gedaagde 1] was dan ook gehouden om meteen na ontvangst daarvan [eiseres] als wederpartij te accepteren en de schadeclaims voortvarend en volgens de wettelijke regels, de polis van haar verzekerde en andere relevante regels af te wikkelen, zonder daarbij meer of andere eisen te stellen dan zij bij andere wederpartijen zou doen. In zoverre slagen de grieven van [eiseres]. [eiseres] heeft ook een groot aantal (deels) nieuwe stellingen gewijd aan de wijze waarop [gedaagde 1] niettemin blijft vertragen en aan de onredelijke voorwaarden die zij (alleen) aan haar stelt, waaraan zij nadere grieven en bovenbedoelde eisvermeerdering heeft gekoppeld. Hierop heeft [gedaagde 1] nog onvoldoende kunnen reageren. Mede gelet hierop is de zaak verwezen naar de rol voor een akte van [gedaagde 1].

4.2.

Het is het Gerecht ook ambtshalve bekend dat het Hof op 23 februari 2021 eindvonnis heeft gewezen in kort geding (ECLI:NL:OGHACMB:2021:56). Hierbij heeft het Hof het vonnis van 9 april 2019 vernietigd en [gedaagde 1] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis geboden om:

  • -

    de machtigingen en documenten – de getekende volmacht (“durable power of attorney”), de cessie (“lien and assignment)” en de kopie van het identiteitsbewijs – van [eiseres] te accepteren en te beoordelen en deze desgewenst binnen een week eenmalig telefonisch, schriftelijk of per e-mail bij de cedent te verifiëren, en deze vervolgens te gebruiken om per direct de schadeclaims met [eiseres] af te wikkelen;

  • -

    deze claims voortvarend en volgens de gangbare procedures af te wikkelen en volledig uit te betalen, zonder het stellen van alleen voor [eiseres] geldende, of anderszins ongerechtvaardigde, voorwaarden.

De overige vorderingen zijn niet toegewezen op inhoudelijke gronden, bij gebrek aan voldoende spoedeisend belang en/of vanwege deze bodemprocedure.

4.3.

In de kortgedingprocedure zijn door het Hof vanwege de eisvermeerdering dus eindbeslissingen genomen over dezelfde vorderingen die zijn ingediend in deze bodemprocedure. Bovendien is de kortgedingprocedure gevoerd tussen [eiseres] en [gedaagde 1], waarbij zich [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in eerste aanleg hebben gevoegd, zodat deels sprake is van dezelfde partijen als in deze bodemprocedure.

4.4.

Op grond van artikel 229 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering strekken beslissingen in kort geding niet ten nadele van de bodemzaak. Gelet hierop hoeft de bodemrechter zich niet te laten leiden door een eerder in kort geding gegeven oordeel over hetzelfde geschil. Aan een vonnis in kort geding komt dan ook geen gezag van gewijsde toe (vgl. ECLI:NL:OGHACMB:2016:107).

4.5.

Dat het Gerecht niet verplicht is zich te laten leiden door de vonnissen van het Hof in kort geding, betekent niet dat de beslissingen en overwegingen daarin niet overgenomen kunnen worden door het Gerecht. Bovendien hebben [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in deze bodemprocedure ter motivering van hun stellingen uitdrukkelijk verwezen naar het kortgedingvonnis van het Gerecht, terwijl het Hof dit vonnis heeft vernietigd. Gelet hierop ziet het Gerecht voldoende aanleiding om partijen in de gelegenheid te stellen om zich in een nadere akte uit te laten over de vonnissen van het Hof in kort geding en de betekenis daarvan voor hun vorderingen, verweren en/of stellingen.

Vorderingen tegen [gedaagde 4]

4.6. [

gedaagde 4] heeft aangevoerd dat zij geen verzekeringsmaatschappij is, maar een verzekeringsmakelaar, zodat zij afhankelijk is van de aanwijzingen die zij krijgt van haar opdrachtgever bij de afhandeling van een schadeclaim. [eiseres] heeft volgens [gedaagde 4] onvoldoende toegelicht en onderbouwd waarom de handelingen van [gedaagde 4] gelijk gesteld kunnen worden met die van een verzekeringsmaatschappij. [gedaagde 4] heeft bovendien gemotiveerd betwist zich schuldig te hebben gemaakt aan de in het verzoekschrift gemaakte verwijten, althans dat zij in dat verband in verzuim verkeert.

4.7.

In haar conclusie van repliek heeft [eiseres] de verweren van [gedaagde 4] onvoldoende gemotiveerd weersproken. Gelet hierop worden de verwijten van [eiseres] aan het adres van [gedaagde 4] met betrekking tot de onterechte opschorting en de onvolledige schadeloosstelling gepasseerd. Als onweersproken staat immers tussen partijen vast dat [gedaagde 4] bij de afhandeling van schadeclaims heeft te gelden als een tussenpersoon die handelt in opdracht en op aanwijzing van een verzekeringsmaatschappij. In de conclusie van repliek gaat [eiseres] met betrekking tot [gedaagde 4] alleen specifiek in op het toegangsverbod van werknemers van [eiseres] tot het gebouw van [gedaagde 4]. [gedaagde 4] heeft het bestaan van dit verbod al in de conclusie van antwoord erkend, maar ook aangevoerd dat de schadeclaims van [eiseres] desondanks normaal worden afgehandeld, waarbij werknemers van [eiseres] op kantoor van [gedaagde 4] te woord worden gestaan of er op schriftelijke wijze wordt gecommuniceerd. [eiseres] heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken, zodat hiervan uit zal worden gegaan. Gelet hierop worden ook de verwijten gepasseerd met betrekking tot het onrechtmatig behandelen van (werknemers van) [eiseres] en het uit de markt drukken van [eiseres]. Voor zover [eiseres] een bevel heeft gevorderd om de toegangsontzegging van vertegenwoordigers van [eiseres] ongedaan te maken (vordering onder 8), geldt dat zij – mede in het licht van het bovenstaande – onvoldoende heeft toegelicht op grond waarvan zij daarop aanspraak kan maken.

4.8.

Gelet op het bovenstaande zullen de vorderingen van [eiseres] ten aanzien van [gedaagde 4] bij eindvonnis worden afgewezen. [gedaagde 4] heeft dan ook geen belang meer bij het nemen van een nadere akte en zal daartoe dan ook niet in de gelegenheid worden gesteld.

4.9. [

eiseres] zal bij eindvonnis als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [gedaagde 4] worden veroordeeld. Deze kosten worden begroot op NAf 2.500 (2 punten x tarief NAf 1.250) aan salaris gemachtigde.

4.10.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 De beslissing

Het Gerecht:

5.1.

stelt [eiseres] in de gelegenheid om een akte te nemen als bedoeld in rechtsoverweging 4.5 van dit vonnis en verwijst de zaak daartoe naar de rol van 21 april 2021 om 09.00 uur;

5.2.

bepaalt dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] op deze akte mogen reageren bij antwoordakte zes weken na deze akte, vooralsnog dus op de rol van 2 juni 2021 om 09.00 uur;

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.R.J. van Wel, rechter, en op 24 maart 2021 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.