Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2021:565

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
27-10-2021
Datum publicatie
13-12-2021
Zaaknummer
AUA201902432
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vriendin handelt onrechtmatig door een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen, met als doel om haar vriend geld afhandig te maken, schadevergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 27 oktober 2021

Behorend bij AUA201902432

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

[eiser],

wonend in Aruba,

eiser,

hierna ook te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. M.M. Malmberg,

tegen

[gedaagde],

wonend in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: mr. G.L. Griffith.

1 DE PROCEDURE

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties, ingediend ter griffie op 22 juli 2019;

  • -

    de conclusie van antwoord, met een productie;

  • -

    het tussenvonnis van 5 februari 2021, waarin een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    de brief van [eiser], met producties ten behoeve van de comparitie van partijen;

  • -

    de comparitie van partijen van 20 juli 2020;

  • -

    de conclusie van repliek, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek, met een productie;

  • -

    de akte uitlating producties van [eiser].

1.2.

De uitspraak van dit vonnis is nader bepaald op heden.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1. [

[eiser] en [gedaagde] zijn in of omstreeks het jaar 2016 met elkaar in contact gekomen. Vanaf het einde van het jaar 2017 hebben zij veelvuldig contact met elkaar gehad.

2.2.

Vanaf december 2017 heeft [eiser] met regelmaat geld gegeven aan [gedaagde], deels per bank en deels contant, ten behoeve van studie en medische kosten.

2.3.

In november 2018 is [gedaagde] zwanger geraakt van de heer [verwekker]. In ieder geval in januari 2019 wist [gedaagde] dit. Zij heeft [eiser] hiervan niet op de hoogte gesteld.

2.4.

In februari 2019 heeft [gedaagde] aan [eiser] meegedeeld dat zij een reis zou maken naar het buitenland, ten behoeve van medische controles die zij daar moest ondergaan. Daarop heeft [eiser] (wederom) diverse bedragen aan haar betaald voor deze reis. In werkelijkheid is [gedaagde] echter in Aruba gebleven.

2.5.

Op 7 april 2019 reed [eiser] langs het huis van [gedaagde] en heeft hij haar daar gesignaleerd, terwijl hij in de veronderstelling was dat zij in het buitenland verkeerde. [eiser] heeft [gedaagde] daarmee geconfronteerd. Vervolgens is de relatie tussen hen tot een einde gekomen.

2.6.

Bij brief van 14 juni 2019 heeft [eiser] aanspraak gemaakt op betaling door [gedaagde] aan hem van een bedrag van Afl. 130.000,-. Tot op heden heeft [gedaagde] echter niets aan hem (terug)betaald.

3 HET GESCHIL

3.1. [

[eiser] heeft gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat [gedaagde] ten opzichte van hem onrechtmatig heeft gehandeld en [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan hem van een bedrag van Afl. 130.000,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juni 2019, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.

3.2.

Aan zijn vordering legt [eiser] (samengevat) het volgende ten grondslag. [gedaagde] heeft in de periode december 2017 tot en met april 2019 misbruik gemaakt van het vertrouwen van [eiser], die dacht dat partijen een affectieve relatie hadden. Zij wendde voor dat er ook van haar kant een affectieve relatie tussen partijen bestond en verzon allerlei omstandigheden waarmee zij [eiser] bewoog om geld aan haar te geven. Zij heeft namelijk verzonnen dat zij medische behandelingen moest ondergaan en dat zij studeerde en dat zij daarvoor geld nodig had. Het enige doel van [gedaagde] was daarbij om [eiser] geld afhandig te maken. Zij is daarin geslaagd, want [eiser] heeft, grotendeels contant, Afl. 130.000,- betaald aan [gedaagde]. Dit handelen van [gedaagde] is aan te merken als een onrechtmatige daad (artikel 6:162 BW). [gedaagde] dient daarom de schade van [eiser], te weten het bedrag van Afl. 130.000,- te vergoeden. Ondanks toezeggingen betaalt [gedaagde] echter niets terug.

3.3. [

[gedaagde] heeft de vordering van [eiser] betwist en daartoe (zakelijk weergegeven) het volgende aangevoerd. Tussen partijen bestond tot begin 2019 daadwerkelijk een liefdesrelatie. Gedurende die relatie heeft [eiser] vrijwillig de medische kosten, studiekosten en kosten van levensonderhoud van [gedaagde] betaald. Er is wat dat aangaat tot januari 2019 geen sprake van oplichting. In januari 2019 wist [gedaagde] dat zij zwanger was, maar zij durfde het [eiser] nog niet te vertellen. Ze heeft toen, in strijd met de waarheid, [eiser] voorgehouden dat zij naar het buitenland ging voor medische controles en daarvoor geld van [eiser] ontvangen. Zij heeft dit geld echter gebruikt om in haar levensonderhoud te voorzien. [gedaagde] is daarom bereid om het geld dat zij in februari en maart 2019 ten onrechte van [eiser] heeft ontvangen, terug te betalen.

4 DE BEOORDELING

4.1. [

[eiser] baseert zijn vorderingen, mede blijkens het petitum, op de stelling dat sprake is van een onrechtmatige daad van [gedaagde]. Uit artikel 6:162 BW volgt dat indien [gedaagde] een onrechtmatige daad pleegt jegens [eiser], zij verplicht is de schade die [eiser] daardoor lijdt te vergoeden. Als onrechtmatige daad wordt blijkens dat artikel onder meer aangemerkt het doen of nalaten in strijd met wat volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.

4.2.

Naar aanleiding van de wijze waarop het partijdebat zich heeft ontwikkeld valt de zaak grofweg uiteen in twee tijdsvakken, namelijk (1) de periode van december 2017 tot en met januari 2019 en (2) de periode februari 2019 tot en met april 2019. [gedaagde] ontkent de door [eiser] gestelde oplichting in de eerste periode, maar ten aanzien van de tweede periode erkent zij deze. Deze periodes zullen hierna daarom afzonderlijk worden behandeld, waarbij eerst op het erkende deel van de stellingen wordt ingegaan.

februari tot en met april 2019

4.3. [

[gedaagde] heeft erkend dat zij vanaf januari 2019 aan [eiser] heeft meegedeeld dat zij in het buitenland verkeerde voor medische controles, terwijl zij in werkelijkheid thuis in Aruba was. Ze heeft bevestigd dat ze [eiser] herhaaldelijk om geld voor deze reis heeft gevraagd. [gedaagde] heeft de stelling van [eiser], dat hij bij een juiste voorstelling van zaken geen geld aan [gedaagde] zou hebben gegeven, niet betwist. De conclusie is dan ook dat [gedaagde] [eiser] heeft opgelicht, door met bedrog een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen en daar misbruik van te maken. Dit handelen is naar oordeel van de rechter aan te merken als strijdig met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt en daarmee als een onrechtmatige daad. In zoverre is de gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar. [gedaagde] is op grond van artikel 6:162 BW dan ook gehouden de schade van [eiser] uit deze periode te vergoeden.

december 2017 tot en met januari 2019

4.4. [

[eiser] stelt dat [gedaagde] hem ook in de periode daarvoor heeft opgelicht. [gedaagde] betwist dit en stelt dat zij toen wel degelijk de medische behandelingen heeft ondergaan en de studie heeft gevolgd waarvoor [eiser] haar betaalde. Dit punt behoeft echter geen beoordeling. [eiser] vordert namelijk in deze procedure een bedrag van Afl. 130.000,-. Hij verwijst ter onderbouwing van dit bedrag naar productie 3 bij verzoekschrift. Het overzicht uit die productie bevat uitsluitend door [eiser] gestelde betalingen aan [gedaagde] in de periode 17 februari 2019 tot en met 7 april 2019, derhalve uit de tweede periode. [eiser] vordert in deze procedure dus geen vergoeding van schade die hij in de eerste periode heeft geleden. Gesteld noch gebleken is dat (voor deze procedure) relevent is of [gedaagde] in de periode voor februari 2019 onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [eiser]. Dit zal om die reden in het midden worden gelaten.

schade

4.5.

Aangezien hiervoor is geoordeeld dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [eiser] in de periode februari tot en met april 2019, is [gedaagde] op grond van artikel 6:162 lid 1 BW gehouden om de schade die [eiser] heeft geleden te vergoeden. Zoals hiervoor overwogen, heeft [eiser] als productie 3 bij verzoekschrift een gespecificeerd overzicht in het geding gebracht, ten aanzien van contante betalingen die hij stelt te hebben verricht in de periode 17 februari 2019 tot en met 7 april 2019. Hij heeft daarin uitgewerkt welke bedragen hij heeft betaald aan [gedaagde] en op welke data die betalingen hebben plaatsgevonden. Ter ondersteuning hiervan heeft hij, als productie 1 bij verzoekschrift, WhatsAppberichten in het geding gebracht. Daarin is te lezen dat [gedaagde] op de door [eiser] in productie 3 aangehaalde data om geld vraagt. De in productie 3 genoemde bedragen, corresponderen met de in de WhatsAppberichten door [eiser] en [gedaagde] genoemde bedragen.

4.6.

Het totaal van de gestelde contante betalingen, die kunnen worden gekoppeld aan de overgelegde WhatsAppberichten, betreft een bedrag van $ 66.184,- en Afl. 950, hetgeen [eiser] heeft omgerekend tot een bedrag van Afl. 116.772,-. [eiser] telt daar nog Afl. 1.487,50 bij op, echter heeft hij niet gesteld waar hij dat bedrag op baseert. [eiser] rondt verder het totaalbedrag af naar Afl. 130.000,-, hetgeen blijkens productie 3 een schatting betreft. [eiser] heeft ook niet gesteld waarop hij deze schatting baseert. De schade kan om die reden, voor zover deze een bedrag van Afl. 116.772,- te boven gaat, in ieder geval niet worden toegewezen, omdat [eiser] in dat kader onvoldoende heeft gesteld.

4.7. [

[gedaagde] heeft de omvang van het gespecificeerde en onderbouwde bedrag van Afl. 116.772,- onvoldoende gemotiveerd betwist. Bij conclusie van antwoord (randnummer 6) heeft zij aangevoerd dat zij $ 1.700,- heeft ontvangen in februari 2019 en daarnaast in maart 2019 nog twee of drie keer een geldbedrag. Zij heeft echter voor het bedrag van $ 1.700,- geen onderbouwing gegeven en heeft evenmin gespecificeerd welke bedragen zij in maart 2019 heeft ontvangen. Verder heeft zij niet inhoudelijk gereageerd op de berekening van [eiser]. Het had op de weg van [gedaagde] gelegen om te onderbouwen op welke punten de berekening van [eiser] onjuist is en uit te leggen hoe het door haar genoemde bedrag zich verhoudt tot de aanzienlijk hogere geldbedragen die in de WhatsAppberichten worden genoemd. [gedaagde] heeft dat echter nagelaten. Geconcludeerd wordt dat als onvoldoende gemotiveerd betwist vast staat dat [eiser] (in ieder geval) een bedrag van Afl. 116.772,- aan [gedaagde] heeft betaald. Zijn vordering wordt daarom tot dat bedrag toegewezen.

4.8.

Volledigheidshalve merkt de rechter op dat uit productie 2, 5 en 7 bij verzoekschrift lijkt te volgen dat [eiser] zich op het standpunt stelt dat hij buiten de voornoemde bedragen nog (aanzienlijk) meer heeft betaald aan [gedaagde]. De gegrondheid van deze bedragen zal niet worden behandeld, aangezien [eiser] Afl. 130.000,- vordert en hij daartoe heeft verwezen naar zijn hiervoor behandelde berekening uit productie 3. De overige genoemde bedragen heeft hij kennelijk (in deze procedure) niet terug willen vorderen van [gedaagde].

rente

4.9. [

[eiser] vordert verder de wettelijke rente over het schadebedrag, vanaf 21 juni 2019. Op grond van artikel 6:119 BW is wettelijke rente verschuldigd over de tijd dat de schuldenaar met voldoening van een geldsom in verzuim is. Op grond van artikel 6:83 sub b BW verkeert [gedaagde] sinds het verrichten van de onrechtmatige daad in verzuim. Op 21 juni 2019 verkeerde [gedaagde] dus reeds in verzuim, zodat de wettelijke rente toewijsbaar is zoals gevorderd.

proceskosten

4.10.

Als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij wordt [gedaagde] veroordeeld in de proceskosten, die tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] worden vastgesteld op
Afl. 1.300,00 aan griffierecht (op basis van de toewijsbare hoofdsom), Afl. 213,34 aan oproepingskosten en Afl. 7.000,- aan salaris voor de gemachtigde (3,5 punten à
Afl. 2.000,-).

5 DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

5.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld ten opzichte van [eiser], door in de periode februari tot en met april 2019 een onjuiste voorstelling van zaken in het leven te roepen en daar misbruik van te maken;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting een bedrag van
Afl. 116.772,- aan [eiser] te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 21 juni 2019;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] vastgesteld op Afl. 1.300,00 aan griffierecht, Afl. 213,34 aan oproepingskosten en Afl. 7.000,- aan salaris voor de gemachtigde;

5.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad en wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Verhoeven, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 27 oktober 2021 in aanwezigheid van de griffier.