Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2021:564

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
27-10-2021
Datum publicatie
13-12-2021
Zaaknummer
AUA201900151
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eigendom auto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 27 oktober 2021

Behorend bij AUA201900151

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

[eiser],

wonende in Aruba,

eiser,

hierna ook te noemen: [eiser],

gemachtigde: de advocaat mr. G.W. Rep,

tegen:

[gedaagde],

wonende in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: de advocaat mr. C.P. Wever.

6 DE VERDERE PROCEDURE

6.1

Dit vonnis is een vervolg op het tussenvonnis van 13 mei 2020 (hierna: het tussenvonnis). De nummering in dit vonnis sluit aan bij de nummering in het tussenvonnis. Het verloop van de procedure tot en met het tussenvonnis blijkt uit dat tussenvonnis. Het verdere verloop volgt uit:

- het proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 2 oktober 2020;

- het proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 15 december 2020.

6.2

De datum voor het vonnis is vervolgens nader bepaald op heden.

7 DE VERDERE BEOORDELING

7.1

In het tussenvonnis is beslist dat de primaire vordering om partijen op te dragen hun geschil aan een conflictbemiddelaar voor te leggen, wordt afgewezen. Ten aanzien van de subsidiaire vordering die betrekking had op de woning [perceel] is eveneens beslist dat deze zal worden afgewezen. Voorts heeft het gerecht ten aanzien van het andere onderdeel van de subsidiaire vordering [gedaagde] in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren tegen het wettelijk vermoeden dat [eiser] eigenaar was geworden van de [merk auto] (hierna: de [merk auto]). [gedaagde] heeft in het kader van die bewijsopdracht als getuigen laten horen de getuigen de heer [eiser] (eiser in deze procedure), mevrouw [moeder] (de moeder van [eiser]), mevrouw [zus] (de zus van [gedaagde]), de heer [broer] (de broer van [gedaagde]) en de heer [getuige].

7.2

In het tussenvonnis heeft het gerecht (in 4.11) overwogen dat de [merk auto] eigendom is geworden van [eiser] indien zijn stelling juist is dat het de bedoeling was van de betrokkenen bij de koopovereenkomst betreffende de [automerk] (te weten: de moeder van [eiser] als verkoopster, [eiser] als koper en [gedaagde] als financier) dat [eiser] eigenaar zou worden van de [merk auto] en dat deze aan hem is geleverd. In dat geval is [eiser] immers door levering op grond van een geldige titel door een beschikkingsbevoegde de eigenaar geworden van de [merk auto]. Omdat tussen partijen vaststaat dat [eiser] de houder was van de [merk auto] toen deze op initiatief van [gedaagde] door de politie in beslag is genomen, wordt vermoed dat [eiser] bezitter is en dat ook eigenaar is (art. 3:109 jo. 3:119 lid 1 BW). Tegen dit vermoeden is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om tegenbewijs te leveren.

7.3 [

gedaagde] is niet geslaagd in het leveren van bedoeld tegenbewijs. Van een ontzenuwen van het bewijsvermoeden zou sprake zijn geweest indien uit de verklaringen van getuigen was gebleken van feiten of omstandigheden die ofwel leiden tot de conclusie dat destijds de eigendom van de [merk auto] door de moeder van [eiser] niet aan [eiser] maar aan [gedaagde] is overgedragen dan wel tot de conclusie dat [eiser] nadien de eigendom van de [merk auto] aan [gedaagde] heeft overgedragen. Van dergelijke feiten is uit de getuigenverklaringen niet gebleken.

7.4.1

Als getuige heeft [eiser] volhard in zijn verklaring dat zijn moeder de auto aan hem heeft verkocht, dat dat óók de bedoeling van [gedaagde] was en dat [gedaagde] de [merk auto] slechts heeft gefinancierd. Die financiering was de reden dat [gedaagde] in de koopovereenkomst werd genoemd. In de periode na de koop heeft hij het bedrag van de financiering aan [gedaagde] terugbetaald.

7.4.2

Ook de getuige [moeder] heeft verklaard dat zij de [merk auto] aan haar zoon heeft verkocht en dat [gedaagde] slechts de financiering heeft geregeld en dat [gedaagde] om die reden mede als partij bij de koopovereenkomst is opgetreden.

7.4.3

De getuigen [zus] en [broer] hebben slechts verklaard over hetgeen zij hebben waargenomen omtrent het gebruik van de [merk auto] in de periode dat [eiser] en [gedaagde] met elkaar samenwoonden. Dat de [merk auto] werd gebruikt door [gedaagde] zelf, door de zoon van [gedaagde] alsmede door de getuige [broer], zoals deze getuigen verklaren, zegt op zichzelf niets over de vraag wie de eigendom van de [merk auto] had. Ook de omstandigheid dat [gedaagde] degene was die in veel gevallen de toestemming verleende voor het gebruik van de [merk auto], zoals deze getuigen hebben verklaard, rechtvaardigt niet de gevolgtrekking dat de reden voor het feit dat [gedaagde] degene was die de toestemming verleende, slechts gelegen kon zijn in de omstandigheid dat [gedaagde] de eigendom van de [merk auto] had. Daar kunnen ook andere redenen en afspraken tussen [eiser] en [gedaagde] omtrent het gebruik van de [merk auto] aan ten grondslag hebben gelegen.

7.4.4

Door de getuige [getuige] is niets verklaard dat ook maar enigszins relevant is voor de bewijsopdracht.

7.5

In het bijzonder volgt uit geen van de verklaringen dat ofwel de moeder van [eiser], ofwel [eiser] dan wel [gedaagde] zelf bij het aangaan van de koopovereenkomst niet de bedoeling hadden dat de [merk auto] aan [eiser] (op grond van een samengestelde titel) werd verkocht en dat de [merk auto] niet aan [eiser] zou zijn geleverd, zodat de stellingen dienaangaande van [eiser] niet zijn ontzenuwd. Evenmin is uit de getuigenverklaringen gebleken van feiten en omstandigheden die meebrengen dat de [merk auto] nadien in eigendom aan [gedaagde] is overgedragen (hetgeen overigens ook niet door [gedaagde] was gesteld).

7.6

De slotsom van het voorgaande is dan ook dat het bewijsvermoeden niet is ontzenuwd, zodat daarmee tussen partijen is komen vast te staan dat [eiser] in hun onderlinge verhouding heeft te gelden als de eigenaar van de [merk auto]. Nu de [merk auto] na het indienen van het verzoekschrift op initiatief van [gedaagde] door de politie in beslag is genomen, begrijpt het gerecht de vordering van [eiser] ten aanzien van de [merk auto], inhoudende dat [gedaagde] wordt verplicht tot overdracht van de [merk auto], aldus dat [gedaagde] mede wordt verplicht tot feitelijke overdracht van de [merk auto] aan hem. Die vordering acht het gerecht toewijsbaar.

7.7

In verband hiermee overweegt het gerecht nog het volgende. Door [eiser] is onbetwist gesteld dat de [merk auto] op last van [gedaagde] door de politie (een met [gedaagde] bevriende agent) in beslag is genomen, omdat [gedaagde] aangifte van verduistering tegen [eiser] had gedaan. Voorts heeft [eiser] als getuige verklaard dat aan de politie een bedrag van Afl. 25,00 per dag aan bewaarkosten moet worden voldaan alvorens de politie de auto afgeeft, te vermeerderen met wegsleepkosten.

7.8

Nu [gedaagde] degene is geweest die op onjuiste gronden de politie heeft overtuigd om de [merk auto] onder [eiser] in beslag te nemen, ligt op haar het risico van de verplichting tot betaling van bewaarloon, wegsleepkosten en andere kosten die de politie in rekening brengt voor het vrijgeven van de [merk auto]. Dat [gedaagde] kosten moet maken voor de afgifte van de [merk auto] door de politie, staat aan de toewijzing van de vordering niet in de weg. Indien die kosten van afgifte hoger zijn dan de dagwaarde van de [merk auto] (zoals door [eiser] als getuige is verklaard), dan kunnen partijen in overweging nemen dat [gedaagde] de waarde van de [merk auto] ten tijde van de inbeslagneming vergoedt onder overdracht van de eigendom van de [merk auto] door [eiser] aan [gedaagde].

7.9

Het gerecht heeft voorts twijfels over de rechtmatigheid van het optreden van de politie, nu niet is gebleken dat de politie gebruik heeft gemaakt van enige strafvorderlijke bevoegdheid tot inbeslagname van de [merk auto] in het kader van de vervolging van een strafbaar feit. Als getuige heeft [eiser] verklaard dat de politie hem, ondanks zijn verzoek daartoe, niet heeft medegedeeld wat de grondslag is van de inbeslagneming. Naar het oordeel van het gerecht dient de in de artikelen 3:109 jo. 3:119 lid 1 BW neergelegde processuele functie van het bezit niet doorkruist te worden door eigenmachtig optreden van de zijde van de politie.

7.10

Nu partijen in deze procedure over en weer in het ongelijk zijn gesteld en nu bovendien partijen gewezen partners zijn, zal het gerecht de kosten van de procedure compenseren, in dier voege dat ieder der partijen de eigen kosten draagt.

8 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht:

8.1

veroordeelt [gedaagde] tot feitelijke overdracht van de [merk auto], bouwjaar 2009, aan [eiser] en verplicht [gedaagde] om datgene te doen dat nodig is om tot overdracht van de [merk auto] te komen, inclusief de registratie ervan;

8.2

compenseert de kosten van de procedure in dier voege dat ieder der partijen de eigen kosten draagt;

8.3

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

8.4

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Verhoeven, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 27 oktober 2021 in aanwezigheid van de griffier.