Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2021:524

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
06-10-2021
Datum publicatie
11-11-2021
Zaaknummer
AUA202002193
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

geen beperkende werking redelijkheid en billijkheid ten aanzien van contractueel afkoopverbod pensioenovereenkomst, uitleg LAP

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PR-Updates.nl PR-2021-0223
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 6 oktober 2021

Behorend bij AUA202002193

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

[eiser],

wonende te Aruba,

eiser,

hierna ook te noemen: [eiser],

gemachtigde: mr. E.H.J. Martis,

tegen

de naamloze vennootschap

FATUM LIFE ARUBA N.V.,

gevestigd te Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: Fatum,

gemachtigde: mr. J.M. de Cuba.

1 DE PROCEDURE

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties, ingediend ter griffie op 8 september 2020;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    de conclusie van repliek, tevens akte ter nadere onderbouwing van de grondslag der vorderingen, met producties;

  • -

    de conclusie van dupliek.

1.2.

De uitspraak van dit vonnis is nader bepaald op heden.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1.

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in zoverre onbetwiste inhoud van de overgelegde producties, staat tussen partijen het volgende vast.

2.2. [

[eiser] is, in zijn hoedanigheid van werknemer van Carribean Mercantile Bank, met Fatum (een pensioenverzekeraar) een pensioenverzekeringsovereenkomst aangegaan. In de voorwaarden van deze overeenkomst is het volgende opgenomen:

“7. Pensioenclausule: Aangezien deze kapitaalverzekering een pensioentoezegging is in fiscale zin, voortvloeiende uit de dienstbetrekking tussen CARIBBEAN MERCANTILE BANK N.V. en de verzekerde moet in dit verband conform de wettelijke bepalingen (Landsverordening op de Inkomsten- en Loonbelasting), de mogelijke uitkeringen aangewend worden voor de aankoop van een pensioen op het leven van de verzekerde en/of de kring der verzorgden zoals omschreven in artikel 6a van de Landsverordening Loonbelasting.”

2.3.

Per 1 september 2019 heeft [eiser] van het bij Fatum opgebouwde pensioenkapitaal een lijfrente gekocht wegens het bereiken van zijn pensioenleeftijd. Deze lijfrente geeft recht op maandelijkse uitkering van een geldbedrag tot aan het overlijden van [eiser]. Op het polisblad is (onder meer) de volgende clausule opgenomen:

FISCALE CLAUSULE

De uit deze verzekering voortvloeiende en met de pensioentoezegging corresponderende rechten kunnen nimmer worden afgekocht, beleend of in pand gegeven en in het algemeen kunnen met betrekking tot deze verzekering generlei handelingen worden verricht, waardoor terzake van die rechten aan anderen dan de begunstigde enige aanspraak wordt verleend.”

2.4.

In artikel 11.1 van de algemene voorwaarden die op de overeenkomst tussen partijen van toepassing zijn, is het volgende bepaald:

“De verzekeringnemer heeft gedurende het leven van de verzekerde het recht de verzekering te allen tijde door opzegging te beëindigen; hij kan alsdan, mits daarop dan recht bestaat en onder voorwaarde dat hij de door de Maatschappij verlangde stukken overlegt, vorderen dat de Maatschappij de verzekering afkoopt.”

2.5.

De minister van Financiën, Economische Zaken en Cultuur heeft op 18 december 2019 als volgt besloten:

“Directeur-grootaandeelhouders hebben thans de mogelijkheid om pensioen in eigen beheer op te bouwen. Dit komt er kort gezegd op neer dat zij bij hun eigen vennootschap een pensioen kunnen opbouwen. Dit pensioen is dus niet afgezonderd bij een (externe) verzekeraar. Werknemers hebben een dergelijke mogelijkheid niet, hetgeen tot verschillen leidt die niet onder alle omstandigheden gerechtvaardigd zijn. Daarnaast is bij een juiste toepassing van de relevante fiscale regelgeving ter zake van het pensioen in eigen beheer de uitvoering en handhaving in de praktijk uitermate ingewikkeld.

De regering zal deswege op korte termijn een wetsontwerp indienen welke voorziet in de afschaffing van de mogelijkheid van (verdere) opbouw van pensioen in eigen beheer. Dit zal samengaan met de mogelijkheid van een afkoop van het opgebouwde pensioen in de eerste helft van 2020 tegen een verlaagd tarief van 10%. In de tweede helft van 2020 zal nog een afkoop kunnen plaatsvinden tegen het huidige tarief van 25%. Vanaf 2021 zullen afkoopsommen daarentegen tegen het progressieve tarief worden belast, waardoor de belastingdruk dan in de meeste afkoopgevallen een stuk hoger zal uitvallen.

Ik keur, begunstigend en vooruitlopend op de codificering hiervan in de wetgeving, goed dat afkoopsommen ter zake van pensioenen, in afwijking van het bepaalde in artikel 14 in samenhang met artikel 24, vijfde lid, van de Landsverordening inkomstenbelasting (AB 1991, GT 51), worden belast naar een percentage van tien procent voor zover deze afkoopsommen worden genoten tussen 1 januari 2020 en 30 juni 2020. Dit geldt zowel voor de afkoop van opgebouwde dan wel reeds ingegane pensioenen, ongeacht of deze zijn ondergebracht bij een directiepensioenlichaam als bedoeld in artikel 15a van de Landsverordening inkomstenbelasting dan wel een professionele verzekeraar, tenzij een landsverordening of een contractuele bepaling een dergelijke afkoop verbiedt.”

2.6.

Op 28 mei 2020 stuurt de Belastingdienst een brief aan [eiser], waarin zij (voor zover van belang) meldt:

“Naar aanleiding van uw verzoek van 22-05-2020 voor toepassing van het bijzondere tarief van 10% op de afkoop van pensioen bericht ik u als volgt.

U wenst uw pensioenaanspraak bij Fatum Life Aruba NV (Guardian) met een afkoopwaarde van Afl. 949.877,- af te kopen tegen het bijzondere tarief van 10% conform het begunstigende beleid van 18 december 2019 zoals gepubliceerd in de landscourant van 20 december 2019. U verzoekt om het tarief van 10% ook te mogen toepassen voor de heffing van loonbelasting.

Hierbij keur ik goed dat voor de heffing van loonbelasting het bijzondere tarief van 10% wordt toegepast op bovengenoemde afkoop, mits de afkoop (fiscaal genietingsmoment) plaats vindt op of voor 30 juni 2020.

2.7.

Op 5 juni 2020 stuurt mr. [specialist], Specialist Inkomstenbelasting / Loonbelasting bij de Belastingdienst, een e-mail aan de partner van [eiser], waarin zij meldt:

“(…)2. Eenmaal afgekocht is het verlaagd tarief van 10% van toepassing, hier wordt geen onderscheid gemaakt tussen een DGA en een gewone werknemer, beiden zijn werknemers in de zin van de landverordening LLB.

3. Of een afkoop van pensioen is toegestaan is een privaatrechtelijke aangelegenheid tussen de verzekeraar en de verzekerde. Het enige wat wij (DIMP) door middel van onze beschikkingen aangeven, is dat de afkoopsom wordt belast tegen een verlaagd tarief van 10%.”

2.8.

Bij ministeriele beschikking van 29 juni 2020 is bepaald dat, in verband met de coronacrisis, in tegenstelling tot het besluit van 18 december 2019 (r.o. 2.5) het verlaagde tarief van 10% ook geldt voor de tweede helft van 2020,

2.9. [

[eiser] en Fatum zijn vanaf juni 2020 met elkaar in discussie. [eiser] heeft Fatum namelijk verzocht om in te stemmen met afkoop van zijn lijfrentepolis, zodat hij gebruik kon maken van de gunstige fiscale regeling. Fatum heeft dit geweigerd. [eiser] heeft voorts verzocht om de waarde van zijn pensioenkapitaal te berekenen en dat kapitaal over te dragen aan een andere (door [eiser] aan te wijzen) verzekeraar. Ook dit heeft Fatum, ondanks herhaalde verzoeken, geweigerd.

3 HET GESCHIL

3.1. [

[eiser] heeft (kort gezegd) gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Fatum te gebieden om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis (primair) de afkoopsom van de lijfrentepolis vast te stellen en vervolgens aan hem uit te betalen, dan wel (subsidiair) de reservewaarde van de polis vast te stellen, deze vast te houden en over te dragen aan een derde door [eiser] aan te wijzen pensioenverzekeraar, (in beide gevallen) op straffe van een dwangsom van Afl. 10.000,- per dag. Voor het geval deze vorderingen worden afgewezen vordert [eiser] (meer subsidiair) om Fatum te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van Afl. 348.392,- dan wel (uiterst subsidiair) een schadevergoeding op te maken bij staat. Ten slotte vordert [eiser] in alle gevallen de veroordeling van Fatum in de kosten van deze procedure.

3.2.

Aan zijn vorderingen legt [eiser] (samengevat) het volgende ten grondslag. [eiser] wil zijn lijfrentepolis afkopen, omdat hij dan gebruik kan maken van de gunstige fiscale afkoopregeling. Dit levert hem een fiscaal voordeel van Afl 348.392,- op. Deze afkoopregeling is pas bekend geworden nadat [eiser] de overeenkomst met Fatum heeft gesloten. Er is geen wettelijke bepaling die afkoop verbiedt. In die omstandigheden is handhaving van het overeengekomen afkoopverbod naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (artikel 6:2 lid 2 jo 248 BW), dan wel zijn die omstandigheden reden voor ontbinding van dat deel van de overeenkomst (art. 6:258 BW). Te meer omdat Fatum geen belang heeft bij handhaving van het verbod en andere verzekeraars wel meewerken aan de afkoop van pensioen. Voor zover deze vordering niet toewijsbaar is, dient Fatum de restwaarde van de polis over te boeken naar een door [eiser] aan te wijzen derde pensioenverzekeraar, die wel mee wil werken aan afkoop. Indien die vordering evenmin wordt toegewezen dient Fatum de schade van [eiser] te vergoeden, omdat Fatum onrechtmatig handelt doordat zij niet (tijdig) heeft meegewerkt aan de afkoop van de polis, waardoor [eiser] geen beroep meer kan doen op de fiscale regeling. Deze schade is even groot als het bedrag aan fiscaal voordeel dat [eiser] zou kunnen hebben genoten, dan wel een bedrag vast te stellen in een schadestaatprocedure.

3.3.

Fatum heeft geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] en heeft daartoe (samengevat) het volgende aangevoerd. In de pensioenovereenkomst is bepaald dat de polis niet kan worden afgekocht. Het is redelijk dat Fatum vast wil houden aan die contractuele bepaling. Afkoop van de lijfrentepolis is namelijk allereerst in strijd met de Landsverordening Algemeen Pensioen (hierna: LAP). Hoewel niet expliciet in de wet is bepaald dat de afkoop van een ingegaan pensioen verboden is, volgt dit wel uit het doel en de systematiek van de wet. De pensioenvoorziening is namelijk bedoeld als periodieke, aanvullende oudedagsvoorziening. Wanneer iedere deelnemer zijn pensioen op elk moment te gelde zou kunnen maken, zou dit strijden met het doel van de voorziening. Bovendien grijpt een afkoop in in de risicoverdeling tussen de pensioenverzekeraar en de verzekerde. Daarnaast is de gunstige afkoopregeling van de belastingdienst niet van toepassing op [eiser]. Deze regeling is namelijk specifiek bedoeld voor DGA’s en dat is [eiser] niet. Tot slot is in het besluit van 18 december 2019 een voorbehoud gemaakt voor situaties waarin de afkoop wettelijk of contractueel is uitgesloten. Op grond van het voorgaande is er geen reden om met oog op de redelijkheid en billijkheid af te wijken van de contractuele bepalingen. Te meer omdat het behalen van een louter financieel belastingvoordeel niet is aan te merken als belanghebbende omstandigheid als bedoeld in artikel 6:248 en 258 BW. Nu de overeenkomst onverkort van toepassing is, dient de primaire vordering te worden afgewezen. De wet en de polisvoorwaarden kennen geen recht op waardeoverdracht van het pensioen, zodat die vordering eveneens dient te worden afgewezen. Fatum heeft ten slotte niet onrechtmatig gehandeld door de afkoop en waardeoverdracht te weigeren, zodat van een verplichting tot schadevergoeding geen sprake kan zijn.

4 DE BEOORDELING

4.1.

Niet in geschil is dat partijen een pensioenovereenkomst met elkaar hebben gesloten en dat zij daarbij zijn overeengekomen dat deze polis niet kan worden afgekocht. Weliswaar heeft [eiser] zich bij conclusie van repliek op het standpunt gesteld dat hij pas na de ingangsdatum van de polis van het afkoopverbod op de hoogte is gesteld, echter heeft hij aan deze stelling geen rechtsgevolg verbonden. Indien er al met [eiser] vanuit moet worden gegaan dat het afkoopverbod niet expliciet is overeengekomen, dan brengt dat overigens nog niet mee dat contractuele afkoop zonder meer is toegestaan. Bovendien is de vordering van [eiser] niet gebaseerd op de nakoming van een contractuele bevoegdheid tot afkoop, maar baseert hij zijn vorderingen op de stelling dat van het overeengekomen afkoopverbod dient te worden afgeweken. De rechter gaat er daarom vanuit dat het overeenkomen van het afkoopverbod niet ter discussie staat.

4.2.

De rechter stelt voorop dat de beoordeling van de primaire vordering wellicht niet meer van belang is, in zoverre dat de gestelde einddatum van de begunstigende fiscale regeling (31 december 2020) inmiddels is gepasseerd. [eiser] heeft zich hier echter niet over kunnen uitlaten. Bovendien is de beoordeling van de primaire vordering ook relevant in het kader van de overige vorderingen. Daarom zal de rechter de primaire vordering beoordelen, ongeacht het eventuele verval van het belang daarvan.

4.3. [

[eiser] stelt zich ter onderbouwing van zijn primaire vordering op het standpunt dat het overeengekomen afkoopverbod niet van toepassing is, omdat dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zoals bedoeld in artikel 6:2 lid 2 jo 248 lid 2 BW. Deze grondslagen zullen gezamenlijk worden behandeld, nu deze artikelen dezelfde maatstaf bevatten, waarbij artikel 6:2 BW ziet op (alle typen) verbintenissen in het algemeen en artikel 6:248 BW als lex specialis specifiek op overeenkomsten (zoals de onderhavige). Bij de beoordeling daarvan is van belang dat uit vaste jurisprudentie volgt dat, mede gezien de formulering van die bepalingen, de rechter de nodige terughoudendheid dient te betrachten bij toepassing van die maatstaf. De rechter overweegt in dat kader het volgende.

4.4.

Feitelijk heeft [eiser] ter onderbouwing van zijn beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid ‘slechts’ aangevoerd dat hij door het beroep op het afkoopverbod een belastingvoordeel van Afl. 348.392,- misloopt. Hij heeft verder weliswaar aangevoerd dat andere verzekeraars bereid zijn mee te werken aan afkoop, maar die omstandigheid acht de rechter niet van belang. De keuzes van andere ondernemingen binden Fatum immers niet, te meer nu [eiser] niet heeft onderbouwd of in die gevallen ook sprake is van een overeengekomen afkoopverbod en hij evenmin heeft onderbouwd onder welke voorwaarden die verzekeraars bereid zijn afkoop toe te staan.

4.5.

Tegenover dit belastingtechnische belang van [eiser], staan de door Fatum aangevoerde belangen. Fatum voert als voornaamste belang aan dat zij een correcte uitvoering wenst te geven aan de LAP (randnummer 20 conclusie van antwoord). Fatum stelt daartoe dat uit de LAP volgt dat afkoop van de polis niet is toegestaan, hetgeen door [eiser] wordt betwist.

4.6.

De rechter overweegt het volgende. Partijen discussiëren er niet over dat op de pensioenovereenkomst de LAP van toepassing is. In artikel 6 LAP is expliciet bepaald dat het pensioenkapitaal tot het bereiken van de pensioenleeftijd niet vatbaar is voor afkoop. Dat in dat artikel geen afkoopverbod is opgenomen voor de periode daarna, betekent niet dat daarmee a contrario afkoop is toegestaan, zoals door [eiser] aangevoerd. In dat verband is van belang dat de wet (artikel 1 lid 1 onder ‘pensioenkapitaal’ en artikel 11 LAP) ervan uit gaat dat dit kapitaal vervolgens wordt aangewend voor de aanschaf van een lijfrente. Dit is ook zo verwoord in de pensioenclausule van de pensioenovereenkomst van [eiser] (r.o. 2.2).

4.7.

Afkoop van het pensioenkapitaal is ook strijdig met de doelstelling van de LAP. De LAP beoogt namelijk blijkens de memorie van toelichting een levenslange maandelijkse uitkering te faciliteren, als aanvullende oudedagsvoorziening. Voorts blijkt uit deze toelichting ook dat doelstelling van de wetgever is dat het pensioenkapitaal ook daadwerkelijk hiervoor wordt ingezet. De memorie van toelichting bij artikel 11 LAP meldt namelijk onder meer: “Voorkomen behoort immers te worden dat de betrokkene in de verleiding komt het opgebouwde pensioenkapitaal te gebruiken voor andere (b.v. consumptieve) doeleinden.”

4.8.

Voorts volgt ook uit de systematiek van de LAP dat afkoop in beginsel is verboden. In artikel 25 LAP is namelijk een regeling opgenomen die deelnemers met een pensioenuitkering van minder dan Afl. 50,- per maand het recht geeft de lijfrente af te kopen. Het feit dat de wetgever heeft voorzien in deze regeling toont aan dat er in beginsel geen ruimte is voor afkoop.

4.9. [

[eiser] grondt zijn lezing van de LAP (vrijwel) uitsluitend op de volgende passage uit de memorie van toelichting. “Vanwege het feit dat de regering beoogt om deelgenoten en deelnemers na het bereiken van de pensioenleeftijd verzekerd te doen zijn van een aanvulling op hun algemene ouderdomspensioen, behoort het door hen gespaarde pensioenkapitaal (…) tot het bereiken van de 60-jarige leeftijd, niet te kunnen worden aangetast (…) daartoe strekt het eerste lid. Anders dan ten aanzien van het algemene ouderdomspensioen is bepaald, is - zo zij voor de goede orde vermeld - het bedrag dat daarna maandelijks aan lijfrente of pensioenuitkering wordt ontvangen, wel vatbaar voor de in dit artikel genoemde rechtshandelingen.” [eiser] concludeert hieruit dat de lijfrente vatbaar is voor afkoop, omdat afkoop een van de rechtshandelingen is die worden genoemd in artikel 6 lid 1 LAP. De rechter oordeelt (mede met het oog op het voornoemde doel en de systematiek van de LAP) dat hoewel deze passage [eiser] enigszins op het verkeerde been kan hebben gezet, hier redelijkerwijs niet mee wordt bedoeld dat het volledige kapitaal vatbaar is voor afkoop. Er wordt immers gesproken over “het bedrag dat maandelijks (…) wordt ontvangen”. Het gaat hier dus blijkens de bewoordingen niet om rechtshandelingen ten aanzien van de volledige actuele waarde van de lijfrentepolis, maar slechts om rechtshandelingen ten aanzien van het maandelijks uitgekeerde bedrag.

4.10. [

[eiser] heeft voorts aangevoerd dat uit de ministeriele beschikking volgt dat afkoop wel degelijk is toegestaan. De rechter overweegt dat in de beschikking is bepaald dat afkoop mogelijk is “tenzij een landsverordening of een contractuele bepaling een dergelijke afkoop verbiedt.” Zoals hiervoor overwogen, is het laatste het geval bij [eiser]. Slechts voor personen die niet vallen onder de werking van de LAP (zoals in veel gevallen DGA’s) kan de beschikking dus gevolgen hebben. Dat de Belastingdienst een goedkeurende ruling heeft gegeven acht de rechter niet van belang. De Belastingdienst bepaalt immers ‘slechts’ welk tarief wordt geheven indien afkoop heeft plaatsgevonden, maar niet óf afkoop mag plaatsvinden, zoals ook verwoord in de e-mail van mr. [specialist] (r.o. 2.7). Ook in zoverre wordt [eiser] dus niet gevolgd in zijn uitleg van de LAP.

4.11.

Kortom, de rechter volgt Fatum in haar stelling dat zij belang heeft bij handhaving van het afkoopverbod vanuit haar wil om de toepasselijke wetgeving correct na te leven.

4.12.

Fatum heeft er verder op gewezen dat indien afkoop van het pensioen voor iedere deelnemer, op ieder moment zou zijn toegestaan, dit een ernstige verstoring zou veroorzaken in de risicoverdeling tussen de pensioenverzekeraar en de verzekerde. Nu Fatum deze stelling voor het eerst in haar conclusie van dupliek heeft ingenomen, heeft [eiser] hier niet op kunnen reageren, zodat deze onderbouwing buiten beschouwing wordt gelaten.

4.13.

Op grond van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het enkele feit dat [eiser] een fiscaal voordeel kan behalen bij afkoop van zijn pensioen niet met zich brengt dat het overeengekomen afkoopverbod, in strijd met de wet, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van toepassing zou moeten worden verklaard. Het beroep van [eiser] op artikel 6:2 en 248 BW wordt dan ook verworpen.

4.14.

In lijn met r.o. 4.11 kan evenmin worden gezegd dat het (wellicht onvoorziene) fiscale voordeel van [eiser] van die aard is dat Fatum naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde instandhouding van het afkoopverbod, dat in lijn is met de LAP, mag verwachten. Het beroep van [eiser] op het daarop ziende artikel 6:258 lid 1 BW wordt daarom eveneens verworpen.

4.15.

Voor zover [eiser] (onder randnummer 2.4. van het verzoekschrift) strijd met artikel 11 van de algemene voorwaarden (r.o. 2.4) als afzonderlijke grond voor zijn primaire vordering heeft willen aanvoeren, wordt hij hier evenmin in gevolgd. Het betreffende recht op opzegging en afkoop uit de algemene voorwaarden strijdt, naar oordeel van de rechter, niet met het afkoopverbod dat partijen zijn overeengekomen. Immers is in artikel 11 een voorbehoud gemaakt, namelijk dat de verzekerde alleen afkoop kan vorderen “mits daarop dan recht bestaat.

4.16.

Kortom, de primaire vordering van [eiser] wordt afgewezen.

4.17.

Subsidiair vordert [eiser] dat zijn pensioenkapitaal door Fatum wordt overgeschreven naar een derde pensioenverzekeraar, die wel bereid is afkoop toe te staan. Fatum heeft in dat kader gesteld dat er geen wet of overeenkomst is die [eiser] een recht geeft op waardeoverdracht van zijn pensioen. [eiser] heeft daarop gewezen op artikel 7 LAP. De rechter oordeelt dat dit artikel slechts ziet op de (aan strikte voorwaarden gebonden) overdracht van een pensioen dat in opbouw is, zodat ook dat artikel [eiser] geen uitkomst kan bieden. Verder heeft [eiser] geen grondslagen aangevoerd op basis waarvan hij aanspraak zou kunnen maken op waardeoverdracht. Om die reden wordt, bij gebrek aan deugdelijke onderbouwing, de subsidiaire vordering van [eiser] eveneens afgewezen.

4.18. [

[eiser] baseert zijn meer en uiterst subsidiaire vordering (blijkens randnummer 16 van de conclusie van repliek) op de stelling dat Fatum onterecht, dan wel ongegrond medewerking aan tijdige afkoop heeft geweigerd, zodat [eiser] niet meer voor de gunstige regeling in aanmerking komt. Omdat partijen een afkoopverbod zijn overeengekomen en hiervoor is geoordeeld dat dit verbod onverkort van toepassing is, oordeelt de rechter dan niet kan worden gezegd dat Fatum onterecht medewerking heeft geweigerd. Deze vorderingen volgen daarom hetzelfde lot als de primaire en subsidiaire vordering.

4.19.

Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [eiser] veroordeeld in de kosten van deze procedure, die tot aan deze uitspraak aan de zijde van Fatum worden vastgesteld op Afl. 6.000,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten à Afl. 3.000,-).

5 DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

wijst de vorderingen van [eiser] af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Fatum vastgesteld op Afl. 6.000,-;

verklaart dit vonnis, voor wat betreft de proceskostenveroordeling, uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Verhoeven, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 6 oktober 2021 in aanwezigheid van de griffier.

Datum uitspraak: 6 oktober 2021

Instantie: Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Zaaknummer: AUA202002193

Inhoudsindicatie: geen beperkende werking redelijkheid en billijkheid ten aanzien van contractueel afkoopverbod pensioenovereenkomst, uitleg LAP

Formele relaties (optioneel):

Rechtsgebieden: Civiel

Rechter: mr. J.J. Verhoeven

Bijzondere kenmerken: