Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2021:451

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
16-06-2021
Datum publicatie
20-10-2021
Zaaknummer
AUA202101280
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Verkeerde partij in rechte betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 16 juni 2021

Behorend bij K.G. nr. AUA202101280 KG

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[eiseres],

wonende in Aruba te [adres],

eiseres,

hierna ook te noemen: [eiseres],

procederend in persoon,

tegen:

[gedaagde],

wonende in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: [gedaagde],

procederend in persoon.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties, ingediend op 12 mei 2021;

- de mondelinge behandeling van de zaak ter terechtzitting van 7 juni 2021.

1.2 [

eiseres] en [gedaagde] zijn in persoon ter terechtzitting verschenen. Partijen hebben in twee termijnen het woord gevoerd - beiden mede aan de hand van een overgelegde en voorgedragen pleitnota en [gedaagde] mede aan de hand van toegelaten producties - en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.

1.3

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende bestreden alsmede op grond van overgelegde producties voor zover niet of onvoldoende bestreden staat onder meer het volgende vast tussen partijen.

2.2 [

gedaagde] is advocaat in dienst van Rep Law N.V.. [gedaagde] heeft als advocaat in dienst van Rep Law N.V. [eiseres] juridisch bijstaan in twee gerechtelijke procedures.

2.3

Bij uitspraak van 10 maart 2021 van de Raad van Toezicht op de Advocatuur in Aruba (hierna: de RvT) onder zaaknummer AUA202002572 heeft de RvT de klacht van [eiseres] ongegrond verklaard, omdat niet gebleken is dat [gedaagde] ter zake van een door [eiseres] gegeven opdracht tot beslaglegging onvoldoende voortvarend heeft gehandeld in die zin dat sprake zou zijn van schending van gedragsregel 4.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [

eiseres] vordert dat het Gerecht - zo het begrijpt - bij vonnis:

a. voor recht verklaart dat [gedaagde] ernstig in gebreke is gebleven voor wat betreft de behartiging van de belangen van [eiseres] ter zake van een door haar gegeven opdracht tot beslaglegging;

b. voor recht verklaart dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de daardoor door [eiseres] geleden schade;

c. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van Afl. 67.945,76 als voorschot op vergoeding van die schade;

d. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de proceskosten.

3.2 [

gedaagde] voert verweer en concludeert dat [eiseres] niet-ontvankelijk verklaard moet worden in het door haar verzochte, althans tot afwijzing daarvan.

3.3

Voorzover van belang voor de uitspraak worden de stellingen van partijen hierna besproken.

4 DE BEOORDELING

4.1

Er zijn gronden gesteld noch gebleken waaruit volgt dat [eiseres] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door haar verzochte. Indien [eiseres] geen vorderingsrechten heeft op [gedaagde], moeten haar rechtsvorderingen worden afgewezen.

4.2 [

gedaagde] heeft als formeel verweer gesteld dat [eiseres] de verkeerde partij in rechte heeft betrokken, omdat niet hij in persoon maar [gedaagde] Law N.V. een overeenkomst van opdracht is aangegaan met [eiseres] ten einde haar juridisch bij te staan. [gedaagde] verwijst ter onderbouwing van die stelling naar de “Client Intake Form” en de door [eiseres] betaalde declaraties. Het Gerecht volgt [gedaagde] in dat niet door [eiseres] bestreden standpunt. Uit het verzoekschrift van [eiseres] blijkt dat [eiseres] haar vorderingen richt jegens [gedaagde] in persoon, terwijl de overeenkomst van opdracht tot juridische dienstverlening door [eiseres] is gesloten met Rep Law N.V.. Dit en de omstandigheid dat is gesteld noch gebleken dat [gedaagde] in de uitvoering van de door [eiseres] aan Rep Law N.V. gegeven opdracht opzettelijk schadeberokkenend tewerk is gegaan of aan opzet grenzend roekeloos heeft gehandeld brengt naar het oordeel van het Gerecht mee dat [eiseres] geen vorderingsrechten heeft op [gedaagde] zoals door haar gesteld. Reeds daarom moeten de rechtsvorderingen van [eiseres] worden afgewezen.

4.3

Als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat [eiseres] wel de juiste partij in rechte heeft betrokken, wordt ten overvloede het volgende nog overwogen.

4.4

De vorderingen van [eiseres] zoals hiervoor omschreven onder a. en b. moeten worden afgewezen omdat het niet mogelijk is om in kort geding een verklaring voor recht (een declaratoir) uit te spreken.

4.5.1

Voor toewijzing van een geldbedrag in kort geding is onder meer vereist dat sprake moet zijn van een harde vordering alsmede een niet onaanvaardbaar hoog restitutierisico. Aan die vereisten wordt niet voldaan. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

4.5.2 [

eiseres] stelt dat het beslag zeker vier weken eerder gelegd had kunnen worden, en dat door het uitblijven daarvan zij het thans gevorderde bedrag aan schade heeft geleden. Die stelling mist voldoende onderbouwing en wordt daarom gepasseerd. Gesteld noch gebleken is met name dat als het beslag vier weken eerder dan thans het geval zou zijn gelegd, het beslag het thans gevorderde bedrag zou hebben getroffen. Aldus ontbreekt het aan causaal verband tussen de wijze waarop de opdracht tot beslaglegging is uitgevoerd en de door [eiseres] gestelde schade als gevolg daarvan. Dat betekent dat het door [eiseres] gevorderde bedrag aan schadevergoeding geenszins een harde vordering is, hetgeen aan toewijzing van die vordering in de weg staat en hetgeen zwaar meeweegt in de beoordeling of sprake is van een onaanvaardbaar hoog restitutierisico.

4.5.3 [

eiseres] heeft ter zitting erkend of verklaard dat haar financiële positie niet rooskleurig is. Dat en de omstandigheid dat geen sprake is van een harde vordering brengt met zich dat het restitutierisico naar het oordeel van het Gerecht onaanvaardbaar hoog is. Ook daarom moet de vordering onder c. worden afgewezen.

4.6

Bij dit alles komt nog het volgende. Ter zitting heeft [eiseres] in het licht van de discussie over het restitutierisico verklaard dat zij in geval van toewijzing van het door haar gevorderde bedrag dat bedrag zal parkeren of niet zal aanwenden totdat in rechte onherroepelijk vaststaat dat [gedaagde] dat bedrag aan haar moet vergoeden. In het licht van die verklaring valt niet in te zien dat [eiseres] spoedeisend belang heeft bij haar vordering onder c. en dat in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd om dienaangaande een uitspraak van de bodemrechter af te wachten. Ook dit levert grond op tot afwijzing van het onder c. verzochte.

4.7 [eiseres] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [gedaagde], tot aan deze uitspraak begroot op nihil omdat [gedaagde] in deze procedure niet werd bijgestaan door een door het Hof toegelaten beroepsmatig optredende gemachtigde.

5 DE UITSPRAAK

Het gerecht, rechtdoende in kort geding:

-wijst af het door haar verzochte;

-veroordeelt [eiseres] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [gedaagde], tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 16 juni 2021 in aanwezigheid van de griffier.

Datum uitspraak: 16 juni 2021

Instantie: Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Zaaknummer: K.G. nr. AUA202101280

Inhoudsindicatie: Kort Geding. Verkeerde partij in rechte betrokken.

Formele relaties (optioneel):

Rechtsgebieden: Civiel

Rechter: mr. A.H.M. van de Leur

Bijzondere kenmerken: