Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2021:412

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
11-08-2021
Datum publicatie
16-09-2021
Zaaknummer
AUA201900389
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel. Tussenvonnis. Aansprakelijkheid werkgever voor bedrijfsongeval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 11 augustus 2021

Behorend bij A.R. no. AUA201900389

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS in de zaak van:

[eiser],

wonende in Aruba,

eiser,

hierna ook te noemen: [eiser],

gemachtigde: voorheen de advocaat mr. Chr. Lejuez, vanaf 3 september 2019 de advocaat P.M.E. Mohamed,

tegen:

FELIPE CONSTRUCTION & CONSULTANCY N.V.,

gevestigd in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: Felipe,

gemachtigde: de advocaat mr. D.M. Canwood.

1 HET PROCESVERLOOP

1.1

Het verloop van de procedure tot en met 29 mei 2019 blijkt uit het tussenvonnis van dit Gerecht van die datum. De bij dat vonnis gelaste comparitie van partijen na antwoord heeft plaatsgevonden op donderdag 5 september 2019. Ter zitting zijn toen verschenen: [eiser] samen met zijn gemachtigde en Felipe bij haar gemachtigde samen met de heer [directeur van Felipe] (directeur van Felipe). Partijen hebben mede aan de hand van vragen van het Gerecht over en weer het woord gevoerd en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen. Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de door [eiser] genomen akte overlegging stukken, met producties;

  • -

    de contra-akte van Felipe, met producties.

1.2

Vonnis is bepaald op heden, dat in verband met het vertrek van de rechter die voorheen deze zaak behandelde wordt gewezen door ondertekende rechter. Partijen hebben in dat verband beiden afgezien van het recht op een comparitie van partijen ter kennismaking met ondergetekende rechter.

1.3

Vonnis is nader bepaald op heden.

2 DE FEITEN

2.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende bestreden alsmede op grond van overgelegde producties voor zover niet of onvoldoende bestreden staat onder meer het volgende vast tussen partijen.

2.2 [

eiser] is op 27 maart 2012 in loondienst van Felipe getreden tegen een laatstelijk bruto maandsalaris van Afl. 3.168,--. Op 24 juli 2015 is [eiser] tijdens het uitvoeren van zijn werkzaamheden binnen de VIP-ruimte van het vliegveld Reina Beatrix van een steiger gevallen waarbij hij ernstig hoofdletsel heeft opgelopen (hierna: het bedrijfsongeval). Sinds het bedrijfsongeval is [eiser] arbeidsongeschikt.

2.3

Bij uitspraak van 24 april 2018 heeft het Gerecht voor recht verklaard dat Felipe aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade als gevolg van het bedrijfsongeval, nader op te maken bij staat en te vermeerderen met wettelijke rente (hierna: de uitspraak).

2.4

Bij voormelde uitspraak is Felipe veroordeeld tot betaling aan [eiser] van een voorschot op schadevergoeding onder algemene titel van Afl. 20.000,--.

2.5

Het door [eiser] als productie 7 bij zijn verzoekschrift overgelegde door de bij Medwork werkzame verzekeringsarts drs. M.I. Badloe opgestelde verzekerings-geneeskundig rapport van 30 november 2018, waarin met betrokkene wordt bedoeld [eiser], vermeldt onder meer het volgende:

“(…).

Vraagstelling

Zijn er beperkingen als rechtstreeks en objectiveerbaar gevolg van ziekte of gebrek?

Gegevens verkregen uit het onderzoek

Medische voorgeschiedenis/beloop:

Betrokkene is een ca. 43-jarige man die betrokken was bij een bedrijfsongeval op 24-07-2015. Hij is van een stellage van ongeveer 2 meter gevallen en is op zijn hoofd terecht gekomen. Hij is bewusteloos geraakt en kwam in het dr. Oduber Hospitaal weer bij. Na onderzoek werd de diagnose uiteindelijk gesteld op “post traumatic spastic pyramidal syndroom”. Betrokkene ontwikkelde forse loop en coördinatiestoornissen van zijn linker been en arm en krachtverlies van de rechter dominante arm.

Claim: Ten gevolge van de klachten, is betrokkene niet meer in staat zijn werkzaamheden in de bouw te verrichten.

(…).

Diagnose

Traumatic brain injurie (TBI) with frontal syndrome and spinal cord traumatic injury

Algemene beschouwing:

Voor het geven van beperkingen dient de vraag beantwoord te worden: zijn er objectiveerbare afwijkingen als rechtstreeks gevolg van ziekte en gebrek. Hierbij dienen de klachten die betrokkene aangeeft een medische basis te hebben in de vorm van afwijkingen die door middel van een lichamelijk onderzoek geobjectiveerd worden en ook spoort met de gegevens uit de behandelende sector.

Betrokkene is een thans ca. 43-jarige man die betrokken was bij een ongeval op 24-07-2015. Betrokkene is constructie medewerking van beroep. Hij is van een stellage van ongeveer 2 meter gevallen en is op zijn hoofd terecht gekomen. Hij is bewusteloos geraakt en kwam in het dr. H. Oduber Hospitaal weer bij. Betrokkene ontwikkelde forse loop en coördinatie stoornissen van zijn linker been en arm en krachtverlies van rechter dominante arm. Na uitgebreid onderzoek werd de diagnose uiteindelijk gesteld op “post traumatic spastic pyramidal syndroom”. In de loop van de tijd (sinds het ongeval) is er geen verbetering gekomen in de klachten, stoornissen en beperkingen. Hij heeft forse loop- en concentratie stoornissen. Kan zijn armen niet goed gebruiken en is aan huis gebonden en wordt door eega en dochter thuis verzorgt. Hij wordt niet alleen gelaten.

Claim: Ten gevolge van de klachten, zo geeft hij aan, is hij niet meer in staat zijn werkzaamheden in de constructie te verrichten.

Onderzoeksbevindingen (…):

Uit het medisch onderzoek komen er duidelijk loop- en coördinatie stoornissen naar voren. Ook de armen heeft afwijkingen met betrekking tot de kracht en coördinatie. Verder zijn er cognitieve afwijkingen.

Overwegingen:

In het verzekeringsgeneeskundige beoordelingsgesprek werden tegen de achtergrond van de ziektegeschiedenis en gewogen de claimklachten en het oriënterend psychiatrisch onderzoek een sterk verminderd fysieke en psychische belastbaarheid geconstateerd.

Bij het lichamelijk onderzoek werden er duidelijk afwijkingen in het locomotoor apparaat (armen en benen) gevonden die de door betrokkene naar voren gebrachte beperkingen verklaren. Mijn onderzoeksbevindingen vonden steun in de gegevens van de behandelende sector (…). Verder waren er ook cognitieve afwijkingen. Het geheugen en inprenting was gestoord en betrokkene was niet alert en moest door zijn eega worden geholpen bij de anamnese. Uit het dagverhaal komt tevens dat hij niet zelfstandig thuis kan blijven en constant toezicht nodig heeft.

Conclusie:

Geen duurzaam benutbare mogelijkheden (GDM) mag worden aangenomen wanneer er bij een cliënt sprake is van lichamelijke niet zelfredzaamheid (afhankelijk van anderen bij de ADL) of psychische niet-zelfredzaamheid (onvermogen tot persoonlijk en sociaal functioneren).

Bij betrokkene is er sprake van dusdanige beperkingen in het zelfredzaamheid van zijn dagelijkse activiteiten dat hij niet zelfstandig kan functioneren. Hij heeft zijn eega en dochter nodig om op hem te passen. Hij is zowel fysiek als cognitief beperkt.

Gelet op de diagnose en de gevonden afwijkingen, aangevuld met de gegevens uit de behandelende sector is er geen aanleiding om herstel van functionele mogelijkheden in de toekomst te verwachten. Rekening houdend met beide omstandigheden wordt geconcludeerd dat betrokkene blijvend geen duurzaam benutbare mogelijkheden (GDM) heeft.

Omdat er sprake is van GDM is een arbeidsdeskundig onderzoek niet nodig omdat betrokkene geen betaald arbeid kan verrichten.”.

2.6

Het aan [eiser] gerichte schrijven (zijnde een beschikking) van de SVB van 29 april 2019, waaruit volgt dat het dagloon van [eiser] bij Felipe Afl. 144,-- bedroeg, vermeldt in het licht van het bedrijfsongeval onder meer het volgende:

(…).

Door het ongeval ontstane lichamelijk letsel maakt dat bij u sprake is van een permanente arbeidsongeschiktheid voor de eigen functie. (…) waarbij de graad van naar verwachting blijvende arbeidsongeschiktheid als gevolg van het aan u op 24 juli 2015 overkomen bedrijfsongeval is vastgesteld op 100% (honderd procent).

(…).

Op arbeidskundige gronden wordt u als volledig arbeidsongeschikt beschouwd.

HEEFT BESLOTEN

Dat aan u, de heer [eiser], met ingang van 1 mei 2019 een ongevallengeld per dag ad. Afl. 115,20 zijnde 100% van 80% van Afl. 144,-- wordt uitgekeerd (verminderd met de wettelijke afdrachten) in verband met het op 24 juli 2015 aan u overkomen bedrijfsongeval.

(…).

Dat bij het bereiken van uw pensioengerechtigde leeftijd het ongevallengeld met het pensioenbedrag zal worden verminderd.”.

2.7 [

eiser] is na het bedrijfsongeval zwaar depressief geraakt en is in verband daarmee onder behandeling bij een psychiater. [eiser] moest na het bedrijfsongeval ook langdurig fysiotherapie ondergaan. Ook heeft [eiser] sindsdien forse slaapstoornissen.

2.8

Felipe althans de SVB heeft tot en met januari 2017 telkens het volledige loon uitbetaald aan [eiser]. Vanaf februari 2017 tot 1 mei 2019 heeft [eiser] maandelijks telkens 80% van zijn loon uitbetaald gekregen in het kader van arbeidsongeschiktheidsuitkering. Vanaf 1 mei 2019 ontvangt [eiser] voor de rest van zijn leven maandelijks telkens 80% van zijn loon ten titel van ongevallengeld, met dien verstande dat bij het bereiken door [eiser] van zijn pensioengerechtigde leeftijd het ongevallengeld met het pensioenbedrag zal worden verminderd.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [

eiser] vordert dat het Gerecht bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad (zoals het begrijpt):

a. Felipe ten titel van vergoeding van immateriële schade veroordeelt om binnen twee dagen na de uitspraak van dit vonnis, althans binnen een door het Gerecht te bepalen termijn, aan [eiser] te betalen Afl. 80.000,--, althans een het Gerecht juist voorkomend ander bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 8 februari 2019;

b. Felipe ten titel van vergoeding van gederfd inkomen en tot en met 27 maart 2040 nog te derven inkomen veroordeelt om binnen twee dagen na de uitspraak van dit vonnis aan [eiser] te betalen Afl. 157.731,48, te vermeerderen met wettelijke rente gerekend vanaf 8 februari 2019;

c. Felipe veroordeelt in de proceskosten.

3.2

Felipe voert verweer en concludeert tot afwijzing van het door [eiser] verzochte, althans tot het gelasten van een deskundigenbericht, kosten rechtens.

3.3

Voorzover van belang voor de uitspraak worden de stellingen van partijen hierna besproken.

4 DE BEOORDELING

4.1

Voorop wordt gesteld dat deze procedure een op de uitspraak voortbordurende schadestaatprocedure betreft, die met zich brengt dat alle in de uitspraak neergelegde eindbeslissingen onverkort gelden in deze procedure. Dit één en ander brengt met zich dat Felipe aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden schade als gevolg van het bedrijfsongeval, en dat in deze procedure de mate van die aansprakelijkheid en de precieze omvang van de door [eiser] als gevolg van het bedrijfsongeval geleden en nog te lijden schade moet worden vastgesteld. Daarbij wordt voorop gesteld dat het Gerecht geen aanleiding of grond ziet om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en de deskundigheid van de hiervoor onder 2.5 genooemde rapporteur/verzekeringsarts en evenmin grond of aanleiding ziet om te twijfelen aan de betrouwbaarheid en de juistheid van het door hem met betrekking tot [eiser] mede in het licht van bevindingen vanuit de behandelende sector opgestelde verzekeringsgeneeskundig rapport (hierna: het rapport), temeer omdat Felipe die betrouwbaar- en deskundigheid alsmede de juistheid van voormeld rapport niet of onvoldoende (onderbouwd) heeft bestreden. Dit één en ander brengt met zich dat het Gerecht (de inhoud van) het rapport tot de zijne maakt. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor het hiervoor onder 2.6 vermelde schrijven annex beschikking van de SVB (hierna: de beschikking).

4.2

Uit de beschikking en het rapport volgt dat [eiser] als gevolg van het bedrijfsongeval permanent volledig arbeidsongeschikt is, de rest van zijn leven geen betaalde arbeid meer kan verrichten, niet langer lichamelijk en psychisch zelfredzaam is dusdanig dat hij ook in zijn dagelijkse activiteiten niet zelfstandig kan functioneren en dat er geen aanleiding bestaat om herstel van functionele mogelijkheden in de toekomst te verwachten. [eiser] heeft als gevolg van het bedrijfsongeval blijvend geen duurzaam benutbare mogelijkheden meer. Verder staat als niet of onvoldoende (onderbouwd) bestreden vast dat [eiser] door de hiervoor geschetste beperkingen als gevolg van het bedrijfsongeval zwaar depressief is geraakt en in verband daarmee onder behandeling is bij een psychiater en dat hij last heeft van forse slaapstoornissen.

4.3

De omvang van door [eiser] gederfde en nog te derven inkomsten als gevolg van het bedrijfsongeval bedraagt vanaf februari 2017 tot aan het bereiken door [eiser] van zijn pensioenleeftijd op (en dat heeft [eiser] onbestreden gesteld) 28 maart 2040 maandelijks telkens 20% van zijn laatstelijke brutoloon ad Afl. 3.169,--. De in dat verband door [eiser] uitgevoerde in zijn verzoekschrift neergelegde niet door Felipe bestreden berekening komt het Gerecht niet onjuist voor. Aldus komt vast te staan dat de door [eiser] als gevolg van het bedrijfsongeval gederfde en nog te derven inkomsten in totaal Afl. 175.680,-- bruto bedraagt, waarover hierna onder 4.8 meer.

4.4 [

eiser] heeft onbestreden gesteld dat hij voor het opmaken van het hiervoor onder 2.5 vermelde verzekeringsgeneeskundig rapport, dat het Gerecht tot de zijne heeft gemaakt, Afl. 2.040.98 heeft betaald. Dat betreft door [eiser] geleden vermogensschade in de zin van het tweede lid van artikel 6:96 sub b. BW, die hij niet zou hebben geleden als het bedrijfsongeval niet had plaatsgevonden. Aldus is ook te dezen sprake van schade als gevolg van het bedrijfsongeval.

4.5 [

eiser] stelt (al dan niet impliciet) dat hij als gevolg van het bedrijfsongeval is aangewezen op een wandelstok, voor de aanschaf waarvan Afl. 10,50 heeft betaald. Die stelling heeft Felipe niet bestreden, zodat dit bedrag ook als schade als gevolg van het bedrijfsongeval heeft te gelden.

4.6.1

Wat betref immateriële schade wordt het volgende overwogen. Artikel 6:95 BW bepaalt dat schade die op grond van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding moet worden vergoed, in vermogensschade en ander nadeel bestaat, dit laatste voorzover de wet op vergoeding daarvan recht geeft. Het eerste lid van artikel 6:106 sub b. bepaalt in dit verband voor zover thans van belang dat voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen. Voor de bepaling van de hoogte van die schadevergoeding moeten alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen en is het Gerecht niet gebonden aan de gewone regels ter zake van stelplicht en bewijslast.

4.6.2

In dat licht wordt in het algemeen en meer in het bijzonder in het onderhavige geval met name in aanmerking genomen de mate waarin [eiser] (lichamelijk en geestelijk) door het bedrijfsongeval is getroffen, ofwel de aard, de duur en de ernst van het door hem bekomen letsel, de aard van het aan Felipe verweten nalaten en de mate van verwijtbaarheid/aansprakelijkheid. In dat verband heeft het hiervoor onder 4.2 vermelde hier als herhaald en ingelast te gelden. Naar het oordeel van het Gerecht is sprake van zeer ernstig lichamelijk en psychisch letsel dat met zich brengt dat [eiser] niet langer lichamelijk en psychisch zelfredzaam is dusdanig dat hij ook in zijn dagelijkse activiteiten niet zelfstandig kan functioneren en dat er geen aanleiding bestaat om herstel van functionele mogelijkheden in de toekomst te verwachten. In het licht van dit alles en mede gelet op de leeftijd van [eiser] (42 jaar ten tijde van het ongeval, thans 47 jaar) begroot het Gerecht de immateriële schade van [eiser] als gevolg van het bedrijfsongeval billijkheidshalve op het door hem gevorderde bedrag ad Afl. 80.000,--.

4.7.1

Wat betreft de mate van verwijtbaarheid/aansprakelijkheid zijdens Felipe met betrekking tot het bedrijfsongeval wordt het volgende overwogen. Onder randnummer 12. van haar conclusie van antwoord betoogt Felipe dat is gesteld noch gebleken hoe [eiser] heeft voldaan aan zijn schadebeperkingsplicht en vraagt zij zich af of [eiser] wel alles heeft gedaan om zijn schade zowel lichamelijk als psychisch te beperken. Het Gerecht gaat voorbij aan dat betoog omdat Felipe niet stelt dát [eiser] niet heeft voldaan aan zijn schadebeperkingsplicht en evenmin stelt Felipe wat [eiser] in dat verband precies heeft nagelaten of had moeten doen. Verder doet Felipe nog een beroep op eigen schuld van Felipe, in die zin dat het bedrijfsongeval mede door zijn schuld is ontstaan, en wel in die mate dat 50% van de door [eiser] geleden en nog te lijden schade op de voet van het eerste lid van artikel 6:101 BW voor zijn eigen rekening dient te komen. Dat standpunt onderbouwt Felipe met de stelling dat [eiser] er zelf voor heeft gekozen om tegen alle regels in op de steiger te gaan staan, waarmee hij een gevaarlijke situatie in de hand heeft geholpen. Het Gerecht gaat voorbij aan dat betoog, omdat zonder nadere doch ontbrekende uitleg die stelling niet of onvoldoende begrijpelijk is nu constructiemedewerkers als [eiser] niet zelden vanaf een steiger hun werkzaamheden (moeten) uitvoeren, en gesteld noch is gebleken dat [eiser] zijn werkzaamheden op het moment van het bedrijfsongeval ook zonder de bewuste steiger had kunnen uitvoeren.

4.7.2

Vorenstaande brengt met zich dat Felipe 100% aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het ongeval.

4.8

Ter comparitie is duidelijk gemaakt aan [eiser] dat de schade ter zake van geleden en nog te lijden derving van inkomen moet worden berekend op grond van netto bedragen, en niet bruto zoals de hiervoor onder 4.3 omschreven berekening en de door [eiser] bij akte overgelegde gekapitaliseerde berekening waarin een brutobedrag van Afl. 160.300,80 als grondslag in aanmerking is genomen. Mede ter bespreking van dit één en ander zal het Gerecht een comparitie van partijen gelasten.

4.9 [

eiser] dient ter zitting met stukken onderbouwd kenbaar te maken hoeveel hij laatstelijk netto verdiende bij Felipe, en op grond daarvan een heldere berekening te overleggen ter zake van wat precies het gederfd netto-inkomen is gerekend vanaf februari 2017 tot aan de comparitie, en het nog te derven netto-inkomen vanaf de comparitie tot aan 28 maart 2040, bij welke berekening mede in aanmerking moet worden genomen de telkens door [eiser] ontvangen nettobedragen aan SVB-ziekengeld en daarna de telkens door hem ontvangen en nog te ontvangen nettobedragen aan ongevallengeld. Nu Felipe de betrouwbaarheid van de door [eiser] gebruikte calculator voor contante waarde met als vindplaats https://www.berekenhet.nl/berekenen/contante-waarde.html niet heeft bestreden, moet die calculator wederom gebruikt worden. [eiser] dient ter zitting met gebruikmaking van die calculator actuele netto berekeningen in het geding te brengen, met inachtneming van de hierna bedoelde (verschillende) rentepercentages.

4.10

Partijen dienen ieder voor zich ter zitting met stukken onderbouwd kenbaar te maken hoeveel de reguliere banken in Aruba aan rente geven over de meest langdurige termijndeposito spaarrekeningen. Aan het nalaten van dit één en ander kan het Gerecht de hem juist voorkomende gevolgen verbinden.

4.11 [

eiser] dient (zo mogelijk) in persoon en Felipe deugdelijk vertegenwoordigd ter zitting te verschijnen, desgewenst samen met gemachtigden.

4.12

Als een partij zonder geldige reden niet verschijnt kan het Gerecht daaraan het gevolg verbinden - ook in het nadeel van die partij - dat het passend vindt.

4.13

De partij die zich bij de comparitie op schriftelijke (bewijs)stukken wil beroepen, dient die stukken uiterlijk de derde werkdag voor de dag van de zitting in fotokopie aan zijn wederpartij en aan het Gerecht over te leggen.

4.14

Voor de comparitie wordt in beginsel een uur uitgetrokken. Partijen kunnen hun zaak ter comparitie vijf minuten bepleiten. Als een partij de vastgestelde spreektijd overschrijdt, kan de rechter haar het woord ontnemen.

4.15

De partij die is verhinderd om op de hierna te bepalen datum en tijdstip ter zitting te verschijnen, dient binnen veertien dagen na het wijzen van dit vonnis per brief de rechter om uitstel te verzoeken. Bij het verzoek om uitstel moeten ook de verhinderdata worden opgegeven van alle partijen en hun gemachtigden gedurende de drie komende maanden. Indien niet binnen veertien dagen na het wijzen van dit vonnis om uitstel is verzocht, zal nog slechts uitstel worden verleend in geval van overmacht. In dat geval dient de partij die wegens overmacht is verhinderd te verschijnen, onmiddellijk na het intreden daarvan per brief de rechter gemotiveerd om uitstel te verzoeken.

4.16

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5 DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

-gelast een verschijning van partijen voor het geven van inlichtingen en/of treffen van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. A.H.M. van de Leur, rechter, op dinsdag 7 september 2021 om 10:00 uur in zaal B van het in Aruba te J.G. Emanstraat nr. 51 gelegen gerechtsgebouw;

-bepaalt dat [eiser] dan (zo mogelijk) in persoon aanwezig moet zijn en dat Felipe dan vertegenwoordigd aanwezig moet zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen, desgewenst met gemachtigden;

-houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 11 augustus 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.