Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2021:391

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
25-08-2021
Datum publicatie
10-09-2021
Zaaknummer
AUA202101983
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzoek in de zin van artikel 54 van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) - Bevel tot uitzetting

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 25 augustus 2021

AUA202101983 LAR

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het verzoek in de zin van artikel 54 van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[Verzoekster],

van Venezolaanse nationaliteit,

VERZOEKSTER,

gemachtigde: advocaat mr. J.F.M. Zara,

gericht tegen:

DE MINISTER VAN JUSTITIE, VEILIGHEID EN INTEGRATIE,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. J. Klamer (OM).

PROCESVERLOOP

Bij bevelschrift van 9 juli 2021 – dat op 15 juli 2021 van kracht is geworden – heeft verweerder de (onmiddellijke) uitzetting van verzoekster bevolen, onder oplegging van een periode van niet toelating van acht (8) jaar.

Bij bevelschrift van 9 juli 2021 – dat op 15 juli 2021 van kracht is geworden – heeft verweerder de inbewaringstelling van verzoekster bevolen.

Tegen beide bevelschriften heeft verzoekster op 16 juli 2021 bezwaar gemaakt.

Op 16 juli 2021 heeft verzoekster bij dit gerecht een verzoek als bedoeld in artikel 54 van de Lar ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 11 augustus 2021. Verzoekster is (via videoverbinding) verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigde.

De uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN
1. Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang.

Ingevolge het tweede lid kan ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid, op het verzoek van de indiener ook een voorlopige voorziening worden getroffen.

Ten aanzien van het bevelschrift tot inbewaringstelling

2. Ingevolge artikel 16, derde lid, van de Ltu wordt de rechtmatigheid van de inbewaringstelling binnen 72 uur door de rechter-commissaris getoetst. In het onderhavige geval heeft de rechter-commissaris de inbewaringstelling op 16 juli 2021 rechtmatig geacht. De toetsing van de inbewaringstelling door de rechter-commissaris dient voor de toepassing van artikel 2, tweede lid, onderdeel c, van de Lar op een lijn te worden gesteld met het geval waarin tegen een besluit beroep is opengesteld op een (andere) onafhankelijke rechter. De strekking van dit voorschrift is immers dat er geen plaats is voor toetsing van een beschikking door de bestuursrechter op grond van de Lar, indien die toetsing reeds op grond van een andere landsverordening door een andere onafhankelijke rechter is of kan worden geschied. Dit leidt tot de conclusie dat tegen het bevelschrift tot inbewaringstelling geen bezwaar op grond van de Lar kan worden gemaakt, zodat dit bezwaar door verweerder niet-ontvankelijk zal dienen te worden verklaard. Voor schorsing van dit bevelschrift bestaat derhalve geen grond. Het verzoek dient in zoverre te worden afgewezen (vergelijk de uitspraak van het gerecht van 2 april 2015, ECLI:NL:OGEAA:2015:12).

De standpunten van partijen

3.1

Aan het bevel tot uitzetting heeft verweerder ten grondslag gelegd dat verzoekster niet in het bezit is van een geldige verblijfstitel, dat zij in Aruba strafbare feiten heeft gepleegd, waarvoor zij is veroordeeld en om die reden haar verblijf, met het oog op de zedelijkheid, de openbare orde of de publieke rust of veiligheid niet (langer) wenselijk wordt geacht.

Ter zitting heeft verweerder aangevoerd:

- dat er gegronde vrees bestaat dat verzoekster zich aan haar vertrek zal trachten te onttrekken;

- dat er geen gronden zijn die zich tegen de uitzetting verzoekster verzetten, ook niet het beroep van verzoekster op artikel 8 EVRM omdat verzoekster thans geen aantoonbaar family life in Aruba uitoefent;

- dat er in 2018 reeds een bevel tot uitzetting tegen verzoekster is uitgevaardigd maar om onbekende reden niet is geeffectueerd;

- dat bij uitspraak van 24 augustus 2018 (Lar AUA 201802210) waarin de eerdere uitzetting rechtmatig werd geacht het gerecht heeft overwogen dat het zwaar weegt dat verzoekster zich schuldig heeft gemaakt aan een drugsdelict en dat verweerder in redelijkheid zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het belang van de openbare orde aan toelating in de weg staat; en

- dat verzoekster sedertdien wederom is veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden wegens het begaan van een drugsdelict.

3.2

Het verzoek strekt tot schorsing van het bevelschrift tot uitzetting. Aan dit verzoek heeft verzoekster ten grondslag gelegd:

- dat het bevelschrift tot uitzetting niet zorgvuldig is voorbereid;
- dat verweerder niet de uitzetting van verzoekster heeft bevolen, doch slechts de inbewaringstelling met ingangsdatum: 15 juli 2021 om 08.00 uur;

- dat het bevelschrift tot uitzetting juridische grondslag mist;

- dat zij sinds 22 september 2017 gehuwd is met [echtgenoot], die in het bezit is van een ‘firma liber’;

- dat zij samen met haar echtgenoot op het adres [adres], in Aruba, staan ingeschreven;

- dat zij tussen 2015-2016 geen verblijfsvergunning heeft aangevraagd, daar zij om de drie maanden naar Venezuela terugkeerde en alzo het toelatingsbeleid van destijds niet overtrad;

- dat haar echtgenoot thans aan (prostaat) kanker lijdt en hij de zorgen van haar nodig heeft;

- dat verweerder in strijd handelt met het evenredigheidsbeginsel om haar op dit moment uit te zetten, althans in ieder geval om haar in bewaring te stellen.

Ter zitting heeft verzoekster aangevoerd:

- dat zij meer dan 26 jaar in Aruba woont;

- dat zij haar straf al heeft uitgezeten;

- dat zij niet naar Venezuela kan terugkeren vanwege de situatie aldaar; en

- dat zij samen met haar man het familieleven in Aruba wil voortzetten.

Het geschil

4. Voor het schorsen van de bestreden beschikking en/of het treffen van een voorlopige voorziening is aanleiding indien een aanmerkelijke kans bestaat dat de bestreden beschikking in bezwaar geen stand zal houden. Bij de beoordeling neemt de voorzieningenrechter het volgende in aanmerking.

Feiten

5.1

Verzoekster is geboren op [datum] 1967 in de Dominicaanse Republiek en is van Venezolaanse nationaliteit.

5.2

Verzoekster is op 22 september 2017 gehuwd met [echtgenoot].

5.3

Bij onherroepelijk geworden vonnis van dit gerecht van 22 februari 2018 is verzoekster veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf (12) maanden wegens overtreding van de Landsverordening verdovende middelen.

5.4

Bij bevelschrift van 9 juli 2018 heeft verweerder de uitzetting van verzoekster bevolen, onder oplegging van een periode van niet toelating tot Aruba van vijf (5) jaar.

5.5

Bij vonnis van 21 mei 2021 is verzoekster veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van achttien (18) maanden wegens overtreding van de Landsverordening verdovende middelen.

Wettelijk kader

6. Ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onder b van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu) kunnen uitgezet worden personen, voor wie ingevolge deze landsverordening toelating is vereist en wier verblijf met het oog op de zedelijkheid, de openbare orde of de publieke rust of veiligheid niet wenselijk wordt geacht.

Ingevolge het tweede lid geschiedt de uitzetting krachtens een met redenen omkleed bevelschrift van de minister, belast met justitiële aangelegenheden, houdende het bevel Aruba binnen een daarbij te bepalen termijn te verlaten. Het bevelschrift vermeldt de periode waarin aan de betrokkene de toelating tot Aruba zal worden geweigerd; deze periode bedraagt ten hoogste acht jaar.

Beoordeling

7. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

Ten aanzien van het bevelschrift tot uitzetting d.d. 9 juli 2021

8. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verzoekster niet in het bezit is van een geldige verblijfsvergunning. Ook stelt de voorzieningenrechter vast dat er ten behoeve van verzoekster geen vergunningaanvraag lopende is en dat verzoekster recentelijk wederom is veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens het plegen van een strafbaar feit, zodat verweerder op grond van de Ltu bevoegd is verzoekster uit te zetten. De enkele omstandigheid dat verzoekster gehuwd is met een persoon die in het bezit is van een ‘firma liber’, brengt niet met zich mee dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid verzoeker uit te zetten. Ook de gestelde gezondheidsproblemen van haar echtgenoot maken dit niet anders. Het belang van het Land om de wet- en regelgeving met betrekking tot toelating en uitzetting van vreemdelingen strikt te handhaven weegt in dit geval zwaarder dan het belang van verzoekster om haar family life hier in Aruba voort te zetten en haar echtgenoot bij te staan. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar familie- en gezinsleven in het gedrang komt, aangezien verzoekster gedurende de vele jaren dat zij tussen Venezuela en Aruba afreisde niet eerder een vergunning heeft aangevraagd om bij haar echtgenoot hier in Aruba te mogen verblijven (en nog immer een dergelijke vergunning niet heeft aangevraagd). Verzoekster betoogt voorts tevergeefs dat verweerder niet de uitzetting van verzoekster heeft bevolen, doch slechts de inbewaringstelling met ingangsdatum: 15 juli 2021 om 08.00 uur. De voorzieningenrechter stelt vast dat desbetreffende passage in de bestreden beschikking een kennelijk verschrijving is, nu uit het bevelschrift verder duidelijk is, dat verzoekster daarbij wordt opgedragen Aruba te verlaten met het verbod om daarin terug te keren voor een periode van 8 jaar. Daarbij komt dat aan verzoekster een in de Spaanse taal gestelde vertaling van het bevelschrift is uitgereikt waaruit te strekking van het bevel blijkt.

9. Uit het voorgaande volgt dat er geen aanleiding bestaat voor schorsing van de beschikking noch voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter zal het verzoek afwijzen.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen grond.

BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 augustus 2021 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.