Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2021:364

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
18-08-2021
Zaaknummer
127 van 2021
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak vuurwapenbezit: Uit de enkele verklaring van de medeverdachte kan niet worden aangenomen dat verdachte beschikkingsmacht over het vuurwapen had.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Parketnummer: P-2021/00333

Zaaknummer: 127 van 2021

Uitspraak: 12 mei 2021 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] in Aruba,

wonende in Aruba,

thans gedetineerd in het huis van bewaring in Aruba.

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 23 april 2021. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw, mr. J.C.F. Kip, advocaat in Aruba.

De officier van justitie, mr. E. Stevens, heeft gerekwireerd.

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben het woord ter verdediging gevoerd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd:

dat hij op een (of meer) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 10 december 2019 tot en met 10 december 2020 in Aruba tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een pistool (van het merk Smith & Wesson, model SW9F en kaliber 9x19 mm), in elk geval een vuurwapen als bedoeld in artikel 3, eerste lid van de Vuurwapenverordening, voorhanden heeft gehad.

Formele voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Ten aanzien van het tenlastegelegde

Aanleiding van het onderzoek

Tijdens een huiszoeking verricht in de woning van de medeverdachte [medeverdachte 1] te [adres 1] op 10 december 2020, is in een rugtas die in een kast van de kapsalon aan huis lag, een vuurwapen van het merk Smith & Wesson, model SW9F, aangetroffen. De medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat dit vuurwapen eigendom is van de verdachte en dat hij, [medeverdachte 1], dit wapen al langer dan een jaar als borg in bewaring heeft, ter verzekering van betaling van een lening die hij in 2018 aan verdachte heeft verstrekt.

Standpunt van de officier

De officier van justitie heeft ter terechtzitting betoogd dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan hetgeen hem ten laste is gelegd. Daartoe heeft de officier aangevoerd dat uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] van 10 december 2020 en de Facebook-Messenger gesprekken tussen verdachte en de medeverdachte [medeverdachte 1] blijkt dat het wapen van verdachte is, en dat verdachte beschikkingsmacht over dat wapen had.

De officier heeft gevorderd dat het Gerecht de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van negen (9) maanden waarvan vier (4) maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie (3) jaren, en met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

Standpunt van de verdediging

Verdachte en zijn raadsvrouw hebben bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Daartoe hebben zij primair betoogd dat het vuurwapen niet van verdachte is en dat verdachte nimmer dat vuurwapen in zijn bezit of voorhanden heeft gehad. Verdachte ontkent dat hij dit vuurwapen als borg aan [medeverdachte 1] heeft gegeven ter verzekering van terugbetaling van de door [medeverdachte 1] aan hem verstrekte lening. Volgens verdachte heeft hij een geldbedrag geleend van [medeverdachte 1] zonder enige borg.

Verder heeft de verdediging betoogd, dat zelfs indien vast zou komen te staan dat verdachte het vuurwapen als borg aan [medeverdachte 1] heeft gegeven, niet kan worden bewezen dat hij dit wapen in de in de tenlastegelegde genoemde periode voorhanden heeft gehad, nu dit wapen in bedoelde periode kennelijk bij [medeverdachte 1] thuis in een kast verborgen lag.

De beoordeling

Het betoog van de verdediging slaagt.

Vooropgesteld wordt dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een wapen en munitie in de zin van artikel 3, eerste lid, van Vuurwapenverordening, volgens vaste jurisprudentie is vereist, dat sprake is geweest van een meerdere of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid daarvan. Voorts dient deze een zekere beschikkingsmacht over het wapen en de munitie te hebben.

Het Gerecht is van oordeel dat het dossier geen bewijsmiddelen bevat waaruit zou blijken dat de verdachte bedoeld vuurwapen op enig moment gedurende de tenlastegelegde periode van 10 december 2019 tot en met 10 december 2020, in zijn bezit of voorhanden heeft gehad. Uit de enkele verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1], dat verdachte hem dit vuurwapen als borg heeft gegeven, kan immers niet worden aangenomen dat verdachte op enig moment gedurende bedoelde periode de beschikkingsmacht over dit vuurwapen had, en zulks volgt evenmin uit de gesprekken tussen verdachte en [medeverdachte 1].

Het Gerecht is gelet hierop dan ook van oordeel dat voor het ten laste gelegde onvoldoende wettig bewijs voorhanden is.

De verdachte zal daarom van het ten laste gelegde worden vrijgesproken.

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. N.K. Engelbrecht, bijgestaan door mevrouw M.V. Alvarez (zittingsgriffier), en op 12 mei 2021 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in eerste aanleg van Aruba.

uitspraakgriffier: