Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2021:316

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
23-06-2021
Datum publicatie
09-07-2021
Zaaknummer
AUA201903222 AR
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringszaak. Na tussenvonnis. Gemachtigde. Bindende eindbeslissing. Toestaan aktewisseling. Verificatie cessie. Quotations. Time loss. Tarieven. Smaad en laster. Toegangontzegging. Verrekening. Opschorting schadeuitkering. Inkooporder. Kartel.

Formele relatie:

ECLI:NL:OGEAA:2021:76 (tussenvonnis)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0574
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

Zaaknummer: AUA201903222 AR

Vonnis van 23 juni 2021 (bij vervroeging)

inzake

de naamloze vennootschap

[eiseres],

gevestigd in Aruba,

eiseres,

hierna te noemen: [eiseres],

procederend in persoon (zonder gemachtigde),

tegen

1. de naamloze vennootschap

[gedaagde 1],

gevestigd in Aruba,

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde 1],

gemachtigde: mr. A.F. Kuster,

2. de naamloze vennootschap

[gedaagde 2],

gevestigd in Aruba,

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde 2],

gemachtigde: mr. A.F. Kuster,

3. de naamloze vennootschap

[gedaagde 3],

gevestigd in Aruba,

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde 3],

gemachtigde: mr. A.F. Kuster,

4. de naamloze vennootschap

[gedaagde 4],

gevestigd in Aruba,

gedaagde,

hierna te noemen: [gedaagde 4],

gemachtigde: mr. D.C.A. Crouch.

1. Het procesverloop

1.1. Het procesverloop blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 24 maart 2021 (ECLI:NL:OGEAA:2021:76, hierna: het tussenvonnis), waarin ten aanzien van de vorderingen tegen [gedaagde 4] is overwogen dat deze bij eindvonnis zullen worden afgewezen en waarin de overige partijen in de gelegenheid zijn gesteld om bij akte te reageren op de vonnissen van het Hof in het kort geding tussen [eiseres] en [gedaagde 1];

  • -

    de brief van [eiseres] van 30 maart 2021;

  • -

    de akte van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] van 2 juni 2021.

1.2. Vonnis is bij vervroeging bepaald op heden.

2 De verdere beoordeling

Gemachtigde [eiseres]

2.1.

In haar brief van 30 maart 2021 stelt [eiseres] dat in het tussenvonnis is verzuimd om [naam 1] als haar gemachtigde aan te duiden.

2.2.

Het verzoekschrift vermeldt weliswaar op de eerste pagina [naam 1] als gemachtigde van [eiseres], maar hij heeft het verzoekschrift niet ondertekend. Het verzoekschrift is immers alleen in opdracht van [naam 2] als directeur van [eiseres] ondertekend. In strijd met hetgeen is voorgeschreven in artikel 111 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) is bovendien niet de woonplaats van de gemachtigde vermeld (lid 1 sub a) en geen akte van volmacht overgelegd (lid 2). Overigens is ook het tweede processtuk van [eiseres], de conclusie van repliek, alleen in opdracht van [naam 2] ondertekend en niet door [naam 1]. Op pagina 1 van dit processtuk is zelfs de vermelding van een gemachtigde van [eiseres] achterwege gebleven. Daarnaast staat in de oproepen aan gedaagden, die op 21 en 22 oktober 2019 door de deurwaarder zijn uitgereikt, niet dat [eiseres] procedeert met een gemachtigde. Dat gedaagden dit ook niet zo hebben opgevat, blijkt uit hun processtukken, waarin zij geen gemachtigde van [eiseres] vermelden. Nog daargelaten dat niet is gesteld of gebleken dat [naam 1] kan worden aangemerkt als een toegelaten gemachtigde als bedoeld in artikel 28a van het Procesreglement 2018, heeft [eiseres] dus feitelijk niet geprocedeerd via een gemachtigde. Dat het dossier wel correspondentie bevat van [naam 1] aan het Gerecht en de gemachtigde van [gedaagde 4], doet hieraan niets af, omdat uit het overgelegde uittreksel van het handelsregister van de Kamer van Koophandel blijkt dat [naam 1] als procuratiehouder van [eiseres] volledig bevoegd is haar te vertegenwoordigen en hij zich in deze correspondentie niet uitdrukkelijk als gemachtigde van [eiseres] heeft gepresenteerd, zodat hij ook kan hebben gehandeld als haar vertegenwoordiger. Er is in dit verband dan ook geen sprake van een verzuim dat hersteld moet worden.

Opmerkingen ten aanzien van [gedaagde 4]

2.3.

De brief van 30 maart 2021 van [eiseres] bevat opmerkingen over de overwegingen in het tussenvonnis ten aanzien van de vorderingen tegen [gedaagde 4] (randnummers 2 tot en met 7). In het tussenvonnis is op deze vorderingen uitdrukkelijk en zonder voorbehoud beslist en overwogen dat deze beslissingen bij eindvonnis zullen worden gegeven. Dit betekent dat het Gerecht in het verdere verloop van het geding aan deze beslissingen is gebonden, tenzij blijkt dat deze beslissingen berusten op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag (vgl. ECLI:NL:OGHACMB:2021:58, ro. 2.4). Uit de brief van 30 maart 2021 blijkt niet dat het tussenvonnis ten aanzien van [gedaagde 4] berust op een feitelijke of juridische misslag, zodat er geen aanleiding is om terug te komen op de gegeven bindende eindbeslissingen ten aanzien van de vorderingen tegen [gedaagde 4]. [eiseres] stelt in de kern immers niets anders dan dat uit de overgelegde producties blijkt dat [gedaagde 4] rechtstreeks claims van [eiseres] heeft afgehandeld en dat ze zich daarbij onrechtmatig heeft opgesteld. Over de rol van [gedaagde 4] is in het tussenvonnis echter al overwogen dat als onweersproken vaststaat dat zij bij de afhandeling van claims van [eiseres] handelt als een tussenpersoon in opdracht en op aanwijzing van een verzekeringsmaatschappij. Over de verwijten ten aanzien van de opstelling van [gedaagde 4] bij de afhandeling van de claims is in het tussenvonnis overwogen dat deze worden gepasseerd omdat [eiseres] de verweren van [gedaagde 4] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. Het enkele feit dat [eiseres] het daar blijkens de brief van 30 maart 2021 niet mee eens is, betekent niet dat de eerdere beslissingen als een misslag kunnen worden beschouwd.

Toestaan aktewisseling

2.4.

De brief van 30 maart 2021 van [eiseres] bevat voorts opmerkingen over het bieden van gelegenheid voor een nadere aktewisseling (randnummer 8 en ongenummerd vervolg). Op grond van artikel 47 Rv en artikel 36 van het Procesreglement 2018 is het Gerecht bevoegd een tussenvonnis te wijzen met het oog op een goede instructie van de zaak. De redenen waarom deze beslissing is genomen zijn in het tussenvonnis opgenomen. In de opmerkingen hierover van [eiseres] wordt geen aanleiding gezien daar op dit moment anders over te oordelen. Blijkbaar heeft [eiseres] van de geboden gelegenheid geen gebruik willen maken. Dat is haar goed recht, maar laat onverlet dat wel acht geslagen zal worden op de nadere akte van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] bij de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen.

Vordering onder 1 en 2: acceptatie en verificatie volmachten en cessie-akten

2.5. [

eiseres] vordert dat gedaagden worden veroordeeld om de machtigingen en de rechtsgeldige documenten – volmacht- en cessie-aktes – van haar volgens de wet te accepteren, deze te honoreren en deze te gebruiken om per direct de schadeclaims met haar in zijn volledigheid af te wikkelen (onder 1) en om een tijdsbestek van maximaal 48 uur voor het verifiëren van de volmacht- en cessie-akte (onder 2). [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] voeren aan dat zij de claims van [eiseres] pas kunnen afhandelen nadat zij de cessie hebben geverifieerd. In hun akte van 2 juni 2021 voeren zij aan dat zij er geen probleem mee hebben als deze verificatie telefonisch, schriftelijk of per e-mail moet plaatsvinden, maar dat zij dan wel moeten beschikken over de contactgegevens van de cedenten.

2.6.

Het Hof heeft [gedaagde 1] bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard kortgeding-vonnis geboden om de machtigingen en documenten – de getekende volmacht (“durable power of attorney”), de cessie (“lien and assignment”) en de kopie van het identiteitsbewijs – van [eiseres] te accepteren, te beoordelen en deze desgewenst binnen een week eenmalig telefonisch, schriftelijk of per e-mail bij de cedent te verifiëren, en deze vervolgens te gebruiken om per direct de schadeclaims met [eiseres] af te wikkelen (ECLI:NL:OGHACMB:2021:58). Desondanks heeft [eiseres] nog belang bij haar vorderingen onder 1 en 2, alleen al omdat dit gebod alleen geldt voor [gedaagde 1].

2.7.

Het is tussen partijen niet in geschil dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] bevoegd zijn om de cessie van vorderingen van cedenten aan [eiseres] te verifiëren. [eiseres] heeft in deze procedure niet gesteld welke verificatiemethode haar voorkeur heeft. Zij heeft in dit verband alleen opgemerkt dat er voor de face-to-face-verificatie geen wettelijke grondslag bestaat en dat een face-to-face-verificatie of welke verificatiemethode dan ook aan de zijde van gedaagden ligt (conclusie van repliek, randnummers 8 en 9). De door het Hof bepaalde verificatiemethode per telefoon, brief of e-mail is een minder vergaande en indringende methode dan een face-to-face-verificatie. [eiseres] heeft in haar brief van 30 maart 2021 geen bezwaar gemaakt tegen deze methode, terwijl [gedaagde 1], [gedaagde 2] of [gedaagde 3] hebben aangevoerd met deze methode geen probleem te hebben. Gelet hierop kunnen de vorderingen onder 1 en 2 worden toegewezen op vergelijkbare wijze als het Hof in kort geding heeft gedaan. Om daadwerkelijke verificatie ook redelijkerwijs mogelijk te maken, zal wel worden aangesloten bij de door het Hof bepaalde termijn van verificatie van een week en bepaald dat deze termijn pas gaat lopen op het moment dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] of [gedaagde 3] beschikken over de juiste contactgegevens van de cedenten, voor zover die niet al in de eerder overgelegde documenten staan.

Vordering onder 3: vergoeding time loss

2.8. [

eiseres] vordert dat gedaagden worden veroordeeld om de uit te keren dagen time loss te vergoeden per schadeclaim, vanaf de dag van het ongeval. Ter toelichting stelt zij dat deze schade is ontstaan door het uitstellen van claims, waardoor haar cliënten langer moesten wachten op de reparatie van hun auto en daardoor langer geen gebruik hebben kunnen maken van hun auto (verzoekschrift, randnummer 3.2). [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] voeren aan dat [eiseres] per specifiek geval een procedure moet starten als zij meent dat er recht op time loss bestaat, omdat geen twee gevallen gelijk zijn. Toewijzing van deze vordering zou volgens hen voor grote praktische problemen zorgen. [eiseres] zoekt volgens hen niets anders dan een carte blanche. Ter onderbouwing van hun stellingen hebben [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] verwezen naar twee claims van [eiseres] bij [gedaagde 2], waarbij meer time loss werd geclaimd dan was vergoed, maar waarbij volgens [gedaagde 2] geen recht daarop bestond omdat deze voertuigen veilig konden rijden (productie 7). [eiseres] heeft hierop niet gereageerd in haar conclusie van repliek. In hun akte van 2 juni 2021 voeren [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] nog aan dat zij nooit hebben geweigerd om time loss te vergoeden, maar dat de claim wel gerechtvaardigd moest zijn. Ter toelichting hierop hebben zij verwezen naar enkele recente voorbeelden van ongerechtvaardigde claims voor time loss door [eiseres].

2.9.

Gelet op de toelichting van [eiseres] op haar vordering ziet deze vordering op al ontstane schade. De vergoeding van time loss moet per claim worden beoordeeld. Dit betekent dat de in algemene bewoordingen gestelde vordering van [eiseres] in dit verband niet kan worden toegewezen. [eiseres] heeft immers verzuimd om gespecificeerd toe te lichten om welke claims en hoeveel dagen time loss het voor die claims gaat. Deze vordering zal dan ook als onvoldoende bepaald worden afgewezen.

Vordering onder 4: vergoeding quotations

2.10. [

eiseres] vordert dat gedaagden worden veroordeeld om de vooruitbetaalde quotations (offertes bij garages) te vergoeden om tot een schadeloosstelling te komen. Zij stelt dat gedaagden de schade niet volledig dekken, omdat cedenten door hen worden gedwongen om quotations op te laten maken en gedaagden deze vervolgens niet vergoeden. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] voeren aan dat het gebruikelijk en commercieel begrijpelijk is dat garages geen kosten in rekening brengen voor het opmaken van een quotation als zij vervolgens zelf de reparatie uitvoeren. [eiseres] laat volgens hen quotations opmaken door [garage 1], terwijl ze weet dat haar garage de reparatie zal uitvoeren. Hiermee voldoet ze volgens [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] niet aan haar schadebeperkingsplicht, omdat zij, als zij zelf de quotation had opgemaakt, deze niet in rekening had gebracht. Overigens brengt [eiseres] volgens hen ook de door haar garage opgemaakte quotations in rekening, terwijl deze zelf de reparaties uitvoert. [eiseres] erkent in haar conclusie van repliek dat haar garage voor alle quotations kosten in rekening brengt, ongeacht waar de reparaties worden uitgevoerd. Zij stelt dat andere garages, zoals [garage 1], dit ook doen en dat zij prijzen rekenen tussen de NAf 150 en 200 per quotation. [eiseres] stelt NAf 159 per quotation te rekenen. [eiseres] stelt dat er geen rechtvaardigingsgrond of wettelijke grondslag is op grond waarvan de garage die de reparatie uitvoert geen kosten zou mogen rekenen voor het opmaken van een quotation. Als de gedaagden deze kosten niet willen vergoeden, dan moeten ze volgens [eiseres] zelf met een schadevoorstel komen. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] betwisten in hun conclusie van dupliek dat andere garages kosten voor quotations in rekening brengen als zij zelf de reparaties uitvoeren. In hun akte van 2 juni 2021 voeren zij aan dat zij geen probleem hebben om marktconforme kosten van quotations te vergoeden, maar wel als [eiseres] bewust de quotations niet zelf opmaakt terwijl ze weet dat daardoor onnodig extra kosten worden gemaakt.

2.11.

Aangezien [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] aanvoeren geen problemen te hebben met het betalen van marktconforme kosten voor quotations en zij niet hebben betwist dat de door [eiseres] gerekende kosten van NAf 157 per quotation marktconform zijn, lijken partijen het inmiddels grotendeels eens te zijn. Het enige voorbehoud dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] maken, heeft betrekking op quotations die [eiseres] laat opmaken bij andere garages dan haar eigen garage, terwijl ze weet dat ze de reparaties wel bij haar eigen garage zal laten uitvoeren. Voor zover dit standpunt van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] is gebaseerd op haar eerdere stelling, dat het gebruikelijk is dat garages geen kosten voor quotations in rekening brengen als zij zelf de reparaties uitvoeren, geldt dat dit in tegenspraak lijkt met hun latere standpunt, dat zij geen problemen hebben om de marktconforme kosten voor quotations te vergoeden. Bovendien heeft [eiseres] het bestaan van dit gebruik gemotiveerd betwist. Daarnaast heeft [eiseres] ook onweersproken gesteld, dat er geen wettelijke grondslag bestaat om dit gebruik af te dwingen. Dat garages zich in de regel zo gedragen, lijkt, zoals [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] zelf ook aanvoeren, eerder te worden ingegeven door commerciële overwegingen, dan doordat zij daartoe juridisch gehouden zouden zijn. Ten slotte heeft het Hof in het kort geding tussen [eiseres] en [gedaagde 1] overwogen dat de eis van [gedaagde 1], dat [eiseres] de kosten van de quotations voldoet met als gevolg dat deze op de schade-uitkering in mindering komen, onvoldoende verantwoord blijft (ECLI:NL:OGHACMB:2021:58, ro. 2.12). Het beroep van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] op de schadebeperkingsplicht als bedoeld in artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan dan ook niet worden gebaseerd op dit juridisch niet afdwingbare, commerciële gebruik. Gelet op het bovenstaande wordt dit voorbehoud gepasseerd.

2.12.

Aangezien [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hun wederpartijen, waaronder [eiseres], als onderdeel van hun procedure dwingen om een quotation op te laten maken en is vastgesteld dat [eiseres] marktconforme kosten voor quotations in rekening brengt, staat in beginsel niets eraan in de weg dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] deze kosten van [eiseres] vergoeden. De in algemene bewoordingen gestelde vordering van [eiseres] in dit verband kan echter niet worden toegewezen voor zover deze ziet op al vooruitbetaalde quotations. [eiseres] heeft immers verzuimd om gespecificeerd toe te lichten om welke vooruitbetaalde quotations het gaat. Deze vordering zal dan ook als onvoldoende bepaald worden afgewezen. Voor zover deze vordering (mede) betrekking zou hebben op toekomstige vooruitbetaalde quotations, zal de vordering worden opgevat als een vordering tot een verklaring voor recht en zal deze worden toegewezen.

Vordering onder 5 en 6: vergoeding reparatietarieven

2.13. [

eiseres] vordert dat gedaagden worden veroordeeld om de redelijke motorvoertuigreparatiekosten à NAf 90 per uur te vergoeden en hier niet van af te wijken, en te verbieden om zelf de reparatietarieven (uurloon) te bepalen (onder 5) en de uit te keren bedragen van de manuren à NAf 90 per uur (voor het reparatie-werk) uit te keren en dit bedrag geenszins in mindering te brengen aangaande alle schadeclaims (onder 6). [eiseres] stelt dat haar garage net als andere garages NAf 90 per uur rekent en dat dit een marktconform tarief is, maar dat gedaagden maar NAf 65 per uur willen vergoeden. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] voeren aan dat het tarief van NAf 90 per uur alleen wordt vergoed aan grotere garages vanwege het type bodyshop dat zij hebben met geavanceerde machines en gereedschappen, zoals spuitcabines, en vanwege de kwaliteit die zij leveren. Deze grotere garages hebben volgens hen hogere overheadkosten, bijvoorbeeld vanwege hun personeel. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] voeren aan dat de garage van [eiseres] niet met deze garages vergeleken kan worden, maar met andere garages aan wie zij lagere tarieven vergoeden. [eiseres] stelt in haar conclusie van repliek dat sprake is van discriminatie. Grotere garages met hogere overheadkosten en betere machines kunnen volgens haar ook sneller werken, terwijl de kwaliteit van het eindproduct gelijk is. [eiseres] hanteert voor haar garage hetzelfde tijdsbestek en haar dienstverlening is hetzelfde, zodat er geen grond is voor een ongelijke behandeling. Het is volgens haar niet aan gedaagden om een tarief te bepalen. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] voeren in hun conclusie van dupliek aan dat het tarief wordt bepaald door de overheadkosten en niet door de werkzaamheden. De omvang van deze kosten wordt bepaald door de uitrusting en het gebruik van kwaliteitsproducten, en vergt dus investeringen. Zij betwisten dat er één vast marktconform tarief bestaat. In hun akte van 2 juni 2021 voeren zij aan dat zij er geen probleem mee hebben om aan [eiseres] een tarief van NAf 90 per uur te vergoeden, maar dat het aantal manuren dan wel lager zal worden vastgesteld, zodat er uiteindelijk een marktconforme vergoeding overblijft.

2.14. [

eiseres] heeft onvoldoende toegelicht en onderbouwd dat haar garage aanspraak kan maken op het hoogste uurtarief dat op de Arubaanse markt wordt vergoed voor reparaties. Voor zover haar stelling is, dat er één vast uurtarief zou moeten gelden voor alle garages, miskent zij de algemeen bekende werking van de markt, zoals die door [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ook gemotiveerd is toegelicht, waarbij garages die voldoen aan hogere standaarden aanspraak kunnen maken op een hoger uurtarief. [eiseres] heeft onvoldoende toegelicht en onderbouwd dat haar garage voldoet aan de hoogste standaarden op de Arubaanse markt en dat de door haar in rekening gebrachte uren in overeenstemming zijn met die van garages die aan deze standaarden voldoen. Mogelijk kan [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] worden verweten, dat zij hun beleid voor het vergoeden van uurtarieven onvoldoende duidelijk hebben toegelicht, zodat [eiseres] er niet van op de hoogte is aan welke standaarden haar garage moet voldoen om in aanmerking te komen voor het hoogste uurtarief, maar dat biedt onvoldoende grond voor toewijzing van deze vorderingen. Nog daargelaten dat deze vorderingen onvoldoende bepaald zijn om te kunnen worden toegewezen voor zover ze zien op al uitgevoerde reparaties, zullen deze vorderingen gelet op het voorgaande als onvoldoende gemotiveerd worden afgewezen.

Vorderingen 7 en 10: smaad en laster

2.15. [

eiseres] vordert een verbod aan gedaagden op te leggen om niet door te gaan met het verspreiden van leugens op basis van een redelijke dwangsom opgelegd per dag (onder 7) en gedaagden te veroordelen voor het schuldig maken aan smaad en laster jegens haar (onder 10). Zij stelt in randnummer 6.2 van het verzoekschrift dat gedaagden haar cliënten meedelen, dat het afhandelen van de claim zonder tussenkomst van [eiseres] de uitkering bevordert (onder b), dat alle consequenties zoals hoge rekeningen van [eiseres] voor de cliënten zijn (onder c), dat de cliënten snel geld kunnen ontvangen als ze de overeenkomst met [eiseres] verbreken (onder e en i) en dat [gedaagde 1] de cliënten van [eiseres] meedeelt dat zij ten aanzien van [eiseres] zorgen heeft over terroristische motieven, oplichting, witwassen en mensenhandel (onder g). Daarnaast stelt [eiseres] dat [gedaagde 1] het personeel van [eiseres] heeft beledigd in het bijzijn van agenten (onder h). Ten slotte stelt [eiseres] dat gedaagden via de Dienst Huur- en Consumentenzaken (hierna: de DHC) consumenten hebben opgeroepen om klachten in te dienen tegen [eiseres] (onder m) en de deken van de Orde van Advocaten negatieve berichtgeving hebben ingefluisterd, die in de media is gepubliceerd (pagina 3 punt 4 en randnummer 6.9 verzoekschrift). [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] voeren aan dat als [eiseres] meent dat zij strafbaar hebben gehandeld, zij een klacht moet indienen bij het Openbaar Ministerie. Zij betwisten dat zij de gestelde uitingen hebben gedaan. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] voeren aan wel contact te hebben gehad met de DHC en de deken over [eiseres], maar ontkennen dat zij zich daarbij verkeerd over haar hebben uitgelaten. Hoe de deken zich in de media uit, is volgens hen aan de deken zelf. [eiseres] stelt in haar conclusie van repliek dat gedaagden een smaad- en lastercampagne zijn gestart door de DHC te benaderen en kwaad over haar te spreken, en een beroep te doen op de deken, die haar in de media zwart heeft gemaakt. In hun akte van 2 juni 2021 herhalen [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hun eerdere betwisting van de gestelde verspreiding van leugens over [eiseres]. Zij ontkennen bovendien dat [eiseres] hierdoor schade heeft geleden.

2.16.

Hoewel smaad en laster strafbare feiten zijn uit het Wetboek van Strafrecht, kunnen deze feiten ook een onrechtmatige daad opleveren. In zoverre is het Gerecht bevoegd om over deze vorderingen te oordelen. In algemene zin geldt dat op grond van artikel 10 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) aan een ieder het recht toekomt op vrijheid van meningsuiting. Tegenover het recht op vrijheid van meningsuiting van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3], staat het recht van [eiseres] op bescherming van haar persoonlijke levenssfeer, zoals vastgelegd in artikel 8 EVRM, waaronder is begrepen de bescherming van de eer en goede naam. Het antwoord op de vraag welk van deze in beginsel gelijkwaardige rechten in een bepaald geval zwaarder weegt, moet worden gevonden met inachtneming van alle omstandigheden van het geval (vgl. ECLI:NL:OGHACMB:2021:58, ro. 2.15). [eiseres] draagt als partij die zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde uitingen op grond van artikel 129 Rv de bewijslast daarvan en van de omstandigheden waaronder deze zouden zijn gedaan.

2.17. [

eiseres] stelt dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] mededelingen hebben gedaan aan haar cliënten. Zij heeft deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd, terwijl dit gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] wel in de rede had gelegen. In randnummer 6.2 onder g staat weliswaar het citaat: “Weet u dat [eiseres] N.V. zich bezig houdt met mensenhandel??!!” opgenomen, dat door [eiseres] wordt toegeschreven aan de general manager van [gedaagde 1] in haar contact met cedent [cedent 1]. Van dit citaat is de herkomst echter onduidelijk. In de door [eiseres] overgelegde correspondentie ten aanzien van deze cedent (producties 41a tot en met 46) komt dit citaat in ieder geval niet voor. In zoverre heeft [eiseres] haar vorderingen dus onvoldoende gemotiveerd. Bovendien is het nog maar de vraag of het voorspiegelen van de negatieve gevolgen van een cessie, bijvoorbeeld voor wat betreft de kosten en de tijdsduur van de afhandeling, een onrechtmatige meningsuiting is (vgl. ECLI:NL:OGHACMB:2021:58, ro. 2.15).

2.18. [

eiseres] heeft haar stelling, dat [gedaagde 1] het personeel van [eiseres] heeft beledigd in het bijzijn van agenten, niet onderbouwd. Evenmin heeft ze deze beledigingen inhoudelijk toegelicht. Ook dit had in het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] wel in de rede gelegen. In een andere context heeft [eiseres] overigens opgemerkt dat er audio-opnamen bestaan van beledigingen tegenover haar personeel door [naam 3] in het bijzijn van drie agenten (conclusie van repliek, randnummer 43). Voor zover hier sprake is van hetzelfde incident, heeft [eiseres] verzuimd deze opnamen over te leggen, terwijl ze dit ten aanzien van andere opnamen wel heeft gedaan (producties 60a tot en met 61b). Ook ten aanzien van deze uitingen heeft [eiseres] haar vorderingen dus onvoldoende gemotiveerd.

2.19.

Voor wat betreft de uitingen van de DHC en de deken van de Orde van Advocaten heeft [eiseres] onvoldoende toegelicht op grond waarvan [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3], voor zover deze uitingen gelet op alle omstandigheden van het geval al als een onrechtmatige meningsuiting kunnen worden aangemerkt, voor deze uitingen aansprakelijk zijn. Dat zij via de DHC en de deken een smaad- en lastercampagne zijn begonnen, heeft [eiseres] op geen enkele manier onderbouwd. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] erkennen dat zij met de DHC en de deken contact hebben gehad over de handelswijze van [eiseres]. Dat staat hen in beginsel vrij. Dat deze instanties hebben besloten om publiekelijk uitspraken te doen over de handelswijze van [eiseres], kan vervolgens niet zonder meer aan [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] worden toegerekend. Dat de Associatie van het Verzekeringswezen op Aruba aan de DHC de vraag heeft gesteld of er een klacht tegen [eiseres] is binnengekomen, op grond waarvan de DHC consumenten heeft gevraagd om klachten in te dienen tegen [eiseres], zoals [eiseres] stelt (randnummer 6.2 onder m), doet aan het bovenstaande niets af. [eiseres] heeft immers niet toegelicht op grond waarvan gedragingen van deze associatie aan [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] kunnen worden toegerekend en waarom het stellen van de vraag of er tegen een wederpartij klachten binnen zijn gekomen, onrechtmatig is. Ook ten aanzien van deze uitingen heeft [eiseres] haar vorderingen dus onvoldoende gemotiveerd.

2.20.

Gelet op het bovenstaande zullen deze vorderingen als onvoldoende gemotiveerd worden afgewezen.

Vordering 8: ongedaanmaking toegangsontzegging

2.21. [

eiseres] vordert om gedaagden te bevelen de toegangsontzegging van haar vertegenwoordigers ongedaan te maken. Zij stelt dat haar vertegenwoordiger(s) op grond van valse beschuldigingen de toegang tot de kantoren van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] wordt ontzegd. Zij heeft daarbij verwezen naar de brief van [gedaagde 1] aan [eiseres], waarin staat dat sprake is van een toegangsontzegging, omdat [naam 1] de vorige bespreking met haar managing director [naam 3] zonder haar toestemming heeft opgenomen en weigerde daarmee te stoppen toen hem dat werd verzocht (productie 37). [eiseres] verwijst ook naar een brief op de deur van [gedaagde 1] waarin staat dat [naam 1] geen toegang heeft tot het kantoor, waarmee volgens haar publiekelijk de suggestie wordt gewekt dat hij iets ergs heeft gedaan. [eiseres] heeft daarnaast verwezen naar een e-mail van [gedaagde 3] aan haar, waarin staat dat [naam 1] de toegang tot het kantoor is ontzegd, omdat hij filmend rondliep in het kantoor, hij uitermate arrogant en onbeschoft was naar werknemers van [gedaagde 3], zijn houding, zowel verbaal als fysiek, als bedreigend werd ervaren door deze werknemers en hij een akte van cessie niet wilde ondertekenen namens [eiseres] (productie 62a). [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] voeren aan dat hun kantoren privégebieden zijn en dat zij het recht hebben om personen daartoe de toegang te ontzeggen. Bovendien voeren zij aan dat [eiseres] geen belang heeft bij deze vordering, omdat dit verbod alleen geldt voor [naam 1] en bijvoorbeeld niet voor haar directeur. [eiseres] stelt in haar conclusie van repliek dat [naam 1] geen strafbaar feit heeft gepleegd, er geen zichtbare huisregels golden, andere klanten de toegang niet wordt ontzegd, er geen aanhouding door de politie heeft plaatsgevonden en er geen aangifte is gedaan, zodat er geen rechtvaardigingsgrond is voor de collectieve toegangsontzegging. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] voeren in hun conclusie van dupliek aan dat [naam 1] zelf over opheffing van het toegangsverbod had kunnen procederen. Hij is volgens hen geen partij in dit geding en [eiseres] kan vergoeding van zijn schade dan ook niet vorderen. In hun akte van 2 juni 2021 voeren [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] nog aan dat [eiseres] geen rechtsgrond voor opheffing heeft gesteld.

2.22.

Er is niet gesteld of gebleken dat [gedaagde 2] enige toegangsontzegging heeft afgekondigd ten aanzien van vertegenwoordigers van [eiseres], zodat in ieder geval geen sprake is van een collectieve toegangsontzegging zoals [eiseres] stelt. Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat de toegangsverboden zich uitstrekken tot andere vertegenwoordigers van [eiseres] dan [naam 1], zodat hiervan zal worden uitgegaan. [eiseres] heeft onvoldoende toegelicht op grond waarvan [gedaagde 1] en [gedaagde 3] kunnen worden bevolen om het toegangsverbod ten aanzien van [naam 1] ongedaan te maken (vgl. ECLI:NL:OGHACMB:2021:58, ro. 2.16). Voor zover de vordering van [eiseres] is gebaseerd op een onrechtmatige daad tegenover haar, geldt dat als onweersproken vaststaat dat haar andere vertegenwoordigers wel toegang hebben tot de kantoren van [gedaagde 1] en [gedaagde 3]. Bovendien bestaat er ook de mogelijkheid van andersoortig contact dan fysiek contact tussen partijen. Gelet hierop heeft [eiseres] onvoldoende toegelicht dat haar bedrijfsvoering door de toegangsverboden op onaanvaardbare wijze zou worden bemoeilijkt. Dit staat los van de vraag of de vermeende misdragingen van [naam 1] de toegangsverboden als zodanig rechtvaardigen, hetgeen gelet op de aard van de plaatsen waartoe de toegang is ontzegd en de aard van deze gedragingen overigens het geval lijkt te zijn. Voor zover de vordering van [eiseres] is gebaseerd op een onrechtmatige daad tegenover [naam 1], geldt dat zij onvoldoende heeft toegelicht op grond waarvan haar in dat verband een vordering toekomt.

2.23.

Gelet op het bovenstaande zal deze vordering als onvoldoende gemotiveerd worden afgewezen.

Vordering 11: boete wegens verrekening

2.24. [

eiseres] vordert een boete op te leggen aan [gedaagde 1], omdat zij eigenhandig gelden (schulden van [eiseres]) heeft verrekend met schadeclaims zonder akkoord van [eiseres] hiervoor te krijgen. Zij stelt dat [gedaagde 1] een schade-uitkering heeft verrekend met de proceskosten in kort geding. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] voeren aan dat [gedaagde 1] mocht verrekenen, omdat [eiseres] door cessie haar wederpartij is geworden. [eiseres] heeft hierop in haar conclusie van repliek niet gereageerd. In hun akte van 2 juni 2021 voeren [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] aan dat [gedaagde 1] heeft voldaan aan de wettelijke eisen voor verrekening, dat [eiseres] geen schade heeft geleden en dat er geen ruimte is voor een algemeen verbod naar aanleiding van één specifiek dossier.

2.25.

Een schuldenaar heeft op grond van artikel 6:127 lid 2 BW de bevoegdheid tot verrekening als hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld tegenover dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering. [eiseres] heeft onvoldoende toegelicht dat [gedaagde 1] niet aan deze vereisten voldoet, terwijl dat wel aannemelijk is, aangezien de vorderingen tot schade-uitkering aan [eiseres] zijn gecedeerd. Daarnaast heeft [eiseres] onvoldoende toegelicht op grond waarvan aan [gedaagde 1] – voor zover [gedaagde 1] al onbevoegd zou hebben verrekend – een boete kan worden opgelegd (vgl. ECLI:NL:OGHACMB:2021:58, ro. 2.17). Gelet hierop zal deze vordering als onvoldoende gemotiveerd worden afgewezen.

Overige vorderingen

2.26.

De overige vorderingen van [eiseres] betreffen vorderingen om gedaagden te bevelen publiekelijk in de media excuses te maken ten aanzien van de behandeling van [eiseres], haar medewerkers en cliënten (onder 9), om alle schade die hieruit voortgekomen is te vergoeden, dat wil zeggen materiële en immateriële schade (onder 12), om alle vorderingen te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het ongeval (onder 13), om [eiseres] en haar werknemers geen ongelijke behandeling te geven ten aanzien van andere schuldeisers en [eiseres] en haar werknemers gelijkwaardig te behandelen (onder 14), om [eiseres] en haar werknemers niet vernederend en discriminerend te behandelen (onder 15), om gedaagden te veroordelen ten onrechte te hebben gehandeld (onder 17) en om gedaagden te veroordelen voor alle schade veroorzaakt door het onrecht gedaan tegen [eiseres] (onder 18).

2.27.

Deze vorderingen zijn in algemene of vage bewoordingen gesteld en hebben geen of een onduidelijke zelfstandige betekenis naast de overige, al beoordeelde vorderingen. Voor zover deze betekenis afwezig of onvoldoende duidelijk is, geldt dat [eiseres] onvoldoende heeft toegelicht welk belang zij heeft bij beoordeling en toewijzing van deze vorderingen. In zoverre zullen deze vorderingen worden afgewezen.

2.28.

Het verzoekschrift bevat echter nog onderwerpen die nog niet aan de orde zijn gekomen en die bij een welwillende lezing wel onder deze overige vorderingen gebracht zouden kunnen worden. Gelet daarop zullen deze onderwerpen hieronder toch worden beoordeeld.

Opschorting

2.29. [

eiseres] stelt dat gedaagden de schade-beoordeling en -uitkering onrechtmatig hebben opgeschort. Zij heeft als voorbeeld de schade-beoordeling ten aanzien van cedent [cedent 1] uiteengezet (verzoekschrift, randnummers 2.1 tot en met 2.15). [eiseres] stelt dat zij niet is tekortgeschoten in het meedelen van de cessie, zodat dit de opschorting niet kan rechtvaardigen, en dat het bewijs van enige tekortkoming van haar kant bij gedaagden ligt. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] voeren aan dat zij hebben opgeschort in afwachting van verificatie van de cessie. Ten aanzien van [cedent 1] voeren zij aan dat zijn auto total loss was en dat een visuele inspectie van de door Forensys genomen foto’s al voldoende was. Dat [gedaagde 1] haar schade-expert de auto toch heeft laten bezichtigen, maakt volgens hen de situatie niet anders, omdat er toch pas schade-uitkering kon plaatsvinden na de verificatie van de cessie. [eiseres] heeft hier in haar conclusie van repliek niet op gereageerd. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] voeren in hun conclusie van dupliek aan dat zij begin 2019 duidelijk aan [eiseres] hebben meegedeeld dat er werd opgeschort totdat zij face-to-face-verificatie zou toestaan. Zij voeren aan dat [eiseres] dit niet toestond, maar een kort geding heeft aangespannen. Hierna kwam [eiseres] met een groep cedenten zonder voorafgaande afspraak aan de balie en is op een andere dag per cedent een afspraak gemaakt voor de verificatie, aldus [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3]. Na deze verificaties zijn volgens hen schade-uitkeringen gedaan. In hun akte van 2 juni 2021 voeren [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] aan dat zij de verificaties niet vóór het kort geding hebben gedaan, omdat zij nog niet over alle contactgegevens van de cedenten beschikten en [eiseres] direct contact tussen hen en de cedenten niet wilde.

2.30.

Het Hof heeft in het kort geding tussen [eiseres] en [gedaagde 1] in zijn tussenvonnis overwogen dat [eiseres] heeft aangevoerd dat de verificatie

- telefonisch of op het persoonlijke e-mailadres - bij de in dit geding betrokken personen steeds heeft plaatsgevonden en dat [gedaagde 1] dat niet, dan wel onvoldoende, heeft weersproken (ECLI:NL:OGHACMB:2020:204, ro. 4.11). Daarnaast heeft het Hof overwogen dat de stelling van [gedaagde 1] dat de cedenten eerst na het kortgedingvonnis van 9 april 2019 naar haar kantoor van [gedaagde 1] kwamen om “de checks” te doen, haar niet kan baten. [gedaagde 1] beschikte volgens het Hof immers, naar voldoende aannemelijk is geworden, al ten tijde van de behandeling van het kort geding in eerste aanleg (en mogelijk deels ook bij het inleidend verzoekschrift) over alle gegevens van in elk geval een groot aantal van de bij pleidooi in appel onder 18 genoemde personen (ECLI:NL:OGHACMB:2020:204, ro. 4.15). In zijn eindvonnis overweegt het Hof dat het feit dat [gedaagde 1] bij akte alsnog weerspreekt dat de verificatie al heeft plaatsgevonden, niet maakt dat de beslissing in het tussenvonnis in rechtsoverweging 4.11 als misslag kan worden beschouwd. De stelling van [gedaagde 1] dat niet juist is hetgeen in rechtsoverweging 4.15 is overwogen, faalt volgens het Hof om dezelfde reden. Deze kwestie is volgens het Hof overigens voor de in dit kort geding te geven voorzieningen van weinig tot geen belang, omdat een en ander zo nodig in de bodemprocedure kan worden rechtgezet (ECLI:NL:OGHACMB:2021:58, ro. 2.5).

2.31.

Op grond van artikel 6:37 BW is een schuldenaar bevoegd de nakoming van zijn verbintenis op te schorten, als hij op redelijke gronden twijfelt aan wie de betaling moet geschieden. Zoals al eerder is overwogen (zie ro. 2.7), is het tussen partijen niet in geschil dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] bevoegd zijn om de cessie van vorderingen van cedenten aan [eiseres] te verifiëren. Gelet hierop moet het ervoor worden gehouden dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] bevoegd zijn de nakoming van hun verbintenis tot schade-uitkering op te schorten totdat verificatie heeft plaatsgevonden of redelijkerwijs had kunnen plaatsvinden. [eiseres] heeft in deze procedure onvoldoende gemotiveerd gesteld dat verificatie eerder heeft plaatsgevonden dan na het kortgedingvonnis van 9 april 2019, zoals [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gemotiveerd hebben aangevoerd. [eiseres] heeft in deze procedure evenmin voldoende gemotiveerd gesteld dat verificatie redelijkerwijs eerder had kunnen plaatsvinden, terwijl [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gemotiveerd hebben aangevoerd dat zij pas na het kortgedingvonnis van 9 april 2019 de beschikking kregen over de contactgegevens van de cedenten. Gelet hierop waren [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] bevoegd de nakoming van hun verbintenis tot schade-uitkering op te schorten totdat zij de beschikking kregen over de contactgegevens van de cedenten. Zij hebben onweersproken aangevoerd dat zij daarna zijn overgegaan tot verificatie en vervolgens tot schade-uitkering, zodat daarvan uit zal worden gegaan. Nu niet is gesteld of gebleken dat er bij deze verificatie en schade-uitkering onredelijke vertraging is opgetreden, is in dit verband geen sprake van onrechtmatig handelen bij de schade-uitkering door [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3]. Dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] bij de schade-beoordeling nakoming van hun verbintenissen onrechtmatig hebben opgeschort, heeft [eiseres] onvoldoende toegelicht en onderbouwd. Het door haar uiteengezette voorbeeld ten aanzien van cedent [cedent 1] is door [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] voldoende gemotiveerd betwist. Bovendien valt zonder nadere toelichting niet in te zien welke schade hieruit is voortgevloeid, aangezien ook deze cessie eerst geverifieerd mocht worden en de schade is beoordeeld voordat de verificatie heeft plaatsgevonden.

Verplicht onderdelen inkopen

2.32. [

eiseres] stelt dat [gedaagde 1] inkooporders oplegt aan haar, zodat zij verplicht onderdelen via een door [gedaagde 1] gekozen leverancier moet inkopen en dat [gedaagde 1] de factuur rechtstreeks voldoet aan deze leverancier (randnummer 3.16). Zij verwijst hierbij naar een mailwisseling uit mei 2019 over een schadeclaim van [cedent 2] ([nummer 1]) en een inkooporder voor [garage 2] (productie 51 tot en met 54). [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] erkennen dat [gedaagde 1] eerst met een inkooporder wilde werken, maar dat dit voor [eiseres] onacceptabel was, omdat zij zelf de auto’s wilde laten repareren. In de praktijk wordt volgens hen over inkooporders vanwege de daaraan verbonden voordelen nooit geklaagd, behalve door [eiseres]. Zij voeren aan dat [eiseres] niet heeft aangetoond dat sprake is van een onrechtmatige daad. [eiseres] heeft hier in haar conclusie van repliek niet op gereageerd. In hun akte van 2 juni 2021 voeren [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] aan dat [gedaagde 1] de cedenten nooit heeft voorgeschreven om door haar gekochte onderdelen te gebruiken.

2.33.

Het Hof heeft in het kort geding tussen [eiseres] en [gedaagde 1] in zijn eindvonnis overwogen dat het lijkt alsof [gedaagde 1] de gelaedeerden/[eiseres] opdringt om de schade te laten herstellen met door haar gekochte onderdelen in een garage van haar keuze (ECLI:NL:OGHACMB:2021:58, ro. 2.6).

2.34. [

eiseres] heeft onvoldoende toegelicht en onderbouwd dat zij buiten het door haar onderbouwde geval door [gedaagde 1] is gedwongen om inkooporders te accepteren. Gelet hierop zal de beoordeling zich tot dit geval beperken. Het lijkt er op basis van de overgelegde correspondentie op dat het aanbieden van een inkooporder een gebruikelijke werkwijze is van [gedaagde 1] en dat zij dit daarom ook heeft aangeboden aan [eiseres]. Ondanks dat [eiseres] voldoende duidelijk heeft gemaakt dat zij deze wijze van schade-uitkering niet accepteert, is [gedaagde 1] echter blijven vasthouden aan deze wijze van schade-uitkering en dat is, bij gebrek aan enige grond daartoe, onrechtmatig. [eiseres] stelt dat zij hierdoor vertragingsschade heeft geleden, maar zij heeft deze schade niet inzichtelijk gemaakt. De overgelegde correspondentie stopt immers zes dagen nadat [gedaagde 1] het uitkeringsvoorstel heeft toegestuurd met een herhaald verzoek van [eiseres] tot schade-uitkering zonder inkooporder. Of er dus een schade-uitkering heeft plaatsgevonden zonder inkooporder en, zo ja, hoe lang dit heeft geduurd, is dan ook niet duidelijk. Gelet hierop kan geen veroordeling tot schadevergoeding worden toegewezen. Wel zal een verklaring voor recht worden toegewezen dat het blijven vasthouden aan schade-uitkering ten dele door middel van een inkooporder onrechtmatig was van [gedaagde 1] tegenover [eiseres].

Kartelvorming en uit de markt drukken

2.35. [

eiseres] stelt dat gedaagden gezamenlijk een oneerlijk prijsbeleid hanteren om bedrijven zoals zij op basis van hun garagekeuze een lager tarief uit te keren. Op deze manier wordt zij naar eigen zeggen uit de markt gedrukt. Zij stelt ook dat andere garages waar [eiseres] quotations liet opmaken, door gedaagden zijn geïnstrueerd om geen zaken meer met haar te doen. [eiseres] heeft in dit verband verwezen naar audio-opnamen, die zij als productie 74 stelt te hebben overgelegd. Deze opnamen zijn echter niet overgelegd. Het productieoverzicht bevat ook geen productie 74. [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] betwisten prijsvorming en het oproepen van derden om geen zaken te doen met [eiseres]. Zij verwijzen daarbij naar een schriftelijke verklaring van [naam 4], inhoudende dat [garage 1] geen opdracht heeft gekregen van verzekeraars om niet met [eiseres] te werken, maar dat zij hiertoe zelf heeft besloten omdat [eiseres] een garage heeft en daarmee een directe concurrent is (productie 3). In haar conclusie van repliek stelt [eiseres] dat door de onredelijk lage uurtarieven sprake is van uitbuiting door gedaagden, hetgeen een vorm van misbruik van de economische machtspositie door gedaagden is. Zij verwijst in dit verband naar artikelen uit de Nederlandse Mededingingswet. In hun conclusie van dupliek voeren [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] aan dat Nederlandse wetten niet van toepassing zijn in Aruba.

2.36.

Voor zover de stellingen van [eiseres] betrekking hebben op de uurtarieven voor reparaties, wordt verwezen naar rechtsoverweging 2.14 in dit vonnis. Daarnaast heeft [eiseres] in het licht van de betwisting door [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] onvoldoende toegelicht en onderbouwd dat zij een gezamenlijk (prijs)beleid hanteren. Voor wat betreft het instrueren van garages om geen zaken te doen met [eiseres], heeft zij haar stellingen in het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ook onvoldoende toegelicht en onderbouwd. Gelet hierop kunnen deze stellingen niet tot toewijzing van enige vordering leiden.

Proceskosten

2.37. [

eiseres] is ten opzichte van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en/of [gedaagde 3] met betrekking tot enkele van haar achttien vorderingen (deels) in het gelijk gesteld. Gelet hierop heeft zij niet nodeloos geprocedeerd. Aangezien zij echter ook in een groot deel van haar vorderingen in het ongelijk is gesteld, bestaat er aanleiding de proceskosten tussen [eiseres] enerzijds en [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] anderzijds te compenseren, zodat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

2.38.

Zoals al eerder in het tussenvonnis was overwogen (zie ro. 4.9), zal [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde 4] worden veroordeeld en zullen deze worden begroot op NAf 2.500.

3 De beslissing

Het Gerecht:

5.1.

gebiedt [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] de documenten van [eiseres] (volmacht- en cessie-aktes en kopieën van de identiteitsbewijzen van de cedenten) te accepteren, te beoordelen en deze desgewenst binnen een week nadat zij beschikken over deze documenten en de juiste contactgegevens van de cedenten eenmalig telefonisch, schriftelijk of per e-mail bij de cedent te verifiëren, en deze documenten vervolgens te gebruiken om de schadeclaims met [eiseres] in zijn volledigheid af te wikkelen;

5.2.

verklaart voor recht dat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] door hen verplicht gestelde en door [eiseres] vooruitbetaalde marktconforme kosten van quotations moeten vergoeden;

5.3.

verklaart voor recht dat [gedaagde 1] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover [eiseres] doordat zij ten aanzien van de schadeclaim van [cedent 2], nadat [eiseres] had meegedeeld dat zij dit niet accepteerde, is blijven vasthouden aan schade-uitkering ten dele door middel van een inkooporder bij [garage 2];

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af;

5.5.

compenseert de proceskosten tussen [eiseres] enerzijds en [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] anderzijds, zodat iedere partij zijn eigen proceskosten draagt;

5.6.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van [gedaagde 4], begroot op NAf 2.500;

5.7.

veroordeelt [eiseres] tot betaling aan [gedaagde 4] van de nakosten van NAf 250 zonder betekening en verhoogd met NAf 150 in geval van betekening;

5.8.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.R.J. van Wel, rechter, en op 23 juni 2021 bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.