Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2021:312

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
23-06-2021
Datum publicatie
09-07-2021
Zaaknummer
AUA202101200
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek in de zin van ex artikel 56 van de Lar - Asiel - Het betoog van verzoekster dat verweerder niet aan de uitspraak van de voorlopige voorzieningenrechter voldoet, mist feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 23 juni 2021

Lar nr. AUA202101200

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het verzoek in de zin van artikel 56 van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[Verzoekster],

van Venezolaanse nationaliteit,

VERZOEKSTER,

gemachtigde: drs. M.L. Hassell,

gericht tegen:

DE MINISTER VAN JUSTITIE, VEILIGHEID EN INTEGRATIE,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mw. J.M. Harewood (DIMAS).

PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 13 maart 2019 heeft verweerder het asielverzoek van verzoekster afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft verzoekster op 19 maart 2019 bezwaar gemaakt.

Op 19 maart 2019 heeft verzoekster bij dit gerecht een verzoekschrift ex artikel 54 van de Lar ingediend.

Bij uitspraak van 16 april 2019 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen en verweerder verboden verzoekster Aruba uit te zetten totdat op het bezwaar is beslist

Op 4 mei 2021 heeft verzoekster een verzoek ex artikel 56 Lar ingediend.

Het gerecht heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 juni 2021, alwaar zijn verschenen verzoekster bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd, en verweerder bij zijn gemachtigde voornoemd.

De uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1.1

Ingevolge artikel 56, van de Lar kan het gerecht bepalen dat het bestuursorgaan, indien en zolang het niet aan een in de uitspraak vervatte voorlopige voorziening voldoet, aan de verzoek een bij de uitspraak vast te stellen dwangsom verbeurt.

2.1

Verzoekster verzoekt de voorzieningenrechter te bepalen dat verweerder zich moet onthouden van het verrichten van uitzettingshandelingen totdat op het bezwaar is beslist en dat verweerder binnen een tijdsbestek van vier weken op het bezwaarschrift van 19 maart 2019 dient te beslissen, onder verbeurte van een dwangsom van Afl. 1000,- voor iedere overtreding, alsook voor iedere dag of gedeelte van een dag dat vorenbedoelde termijn van vier weken wordt overschreden, met een maximum van Afl. 50.000,- of een nader door het gerecht te bepalen bedrag.

2.2

Bij uitspraak van 16 april 2019 (AUA201900859) heeft de voorzieningenrechter verweerder verboden verzoekster Aruba uit te zetten totdat verweerder op het bezwaar van verzoeker van 19 maart 2019 heeft beslist. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd gezegd dat verzoekster niet zal worden uitgezet totdat verweerder een reƫle beslissing op het bezwaarschrift heeft genomen. Anders dan verzoekster betoogt, is verweerder ingevolge bovenvermelde getroffen voorlopige voorzieningen niet gehouden voorbereidende uitzettingshandelingen achterwege te laten. Het betoog van verzoekster dat verweerder niet aan de uitspraak van de voorlopige voorzieningenrechter voldoet, mist derhalve feitelijke grondslag.

3. Beslist wordt als volgt.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven door mr. M. Soffers, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juni 2021 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.