Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2021:300

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
22-06-2021
Datum publicatie
02-07-2021
Zaaknummer
AUA202003282
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

EJ. Personen en familierecht. Wijziging kinderalimentatiebeschikking

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 22 juni 2021

behorend bij EJ nr. AUA202003282

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

in de alimentatiezaak tussen

[verzoeker] ,

wonende in Curaçao,

VERZOEKER, hierna te noemen: de man,

procederend in persoon,

en

[verweerster],

wonende in Aruba,

VERWEERSTER, hierna te noemen de moeder,

procederend in persoon.

1 DE PROCEDURE

1.1

De procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift, ingediend op 1 februari 2021;

  • -

    producties zijdens partijen;

  • -

    de mondelinge behandeling van de zaak ter zitting van 30 maart 2021, waaruit blijkt dat zijn verschenen de moeder in persoon. De vader heeft de zitting via videoverbinding bijgewoond.

1.2

De uitspraak is bepaald op heden.

2 DE FEITEN

2.1

Partijen zijn de ouders van de thans nog minderjarige [naam minderjarige] (hierna: de minderjarige), geboren op [geboortedatum] in Curaçao.

2.2

Bij beschikking van dit gerecht van 19 september 2016 (EJ nr. 71552 van 2014) (hierna: de beschikking) is bepaald dat de man met Afl. 450,-- per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige.

3 DE BEOORDELING

3.1

Het verzoek strekt tot wijziging van bovengenoemde beschikking van 19 september 2016 in die zin dat het door de vader te betalen bedrag aan kinderalimentatie zal worden verlaagd tot Afl. 150,-- per maand, en tot het veroordelen van de moeder om bij te dragen – zo begrijpt het gerecht - in de kosten van “ground handler” wanneer de minderjarige naar Curaçao afreist.

3.2

De vader heeft aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat de in voornoemde beschikking vastgestelde kinderalimentatiebijdrage niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet, nu de omstandigheden die tot de vaststelling daarvan hebben geleid, zijn gewijzigd. Ter onderbouwing hiervan heeft de vader gesteld dat het totale pakket arbeidsvoorwaarden, waaronder zijn loon - in verband met de slechte financiële situatie van het Land Curaçao en teneinde begrotingssteun te ontvangen - is ingekort met 12,5%, doordat hij ondermeer geen vakantie-uitkering meer ontvangt en dat daarnaast het verrichten van overwerk tot een minimum is beperkt. Verder heeft de vader gesteld dat hij samen met zijn huidige echtgenote nog twee andere jonge kinderen heeft die hij moet opvoeden en verzorgen, dat hij twee studieschulden heeft om af te lossen en dat hij ook andere verplichtingen heeft waaraan voldaan moet worden.

3.3

Het verzoek is gebaseerd op artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (BW). Ingevolge die bepaling kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud, bij latere uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen of indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord, doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

3.4

Ter beantwoording ligt voor de vraag of in deze sprake is van een wijziging van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van de vastgestelde kinderalimentatie mogelijk maakt. Naar het oordeel van het gerecht dient bedoelde vraag bevestigend te worden beantwoord en wel om de volgende redenen. Tussen partijen is niet in geschil dat het nieuwe gezin van de vader inmiddels is uitgebreid met twee kinderen die thans nog minderjarig zijn en die de vader moet verzorgen. Verder is evenmin in geschil dat de vader thans minder verdiend dan toen de kinderalimentatiebijdrage werd vastgesteld in voornoemde beschikking. Dit betekent dat het gerecht thans dan ook vaststelt dat bedoelde alimentatiebeschikking inmiddels is achterhaald en niet langer aan de wettelijke maatstaven voldoet. De aard van de alimentatiebeschikking op de voet van art. 1:401 lid 1 BW brengt mee dat de rechter, wanneer hij heeft vastgesteld dat een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud door een wijziging van omstandigheden heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen, geheel vrij is om met inachtneming van alle ten tijde van zijn beslissing bestaande relevante omstandigheden en zonder door de aldus achterhaalde uitspraak in zijn vrijheid te worden beperkt, die uitspraak te wijzigen dan wel in te trekken (vgl. HR d.d. 4 februari 2000; ECLI:NL:HR:2000:AA4724).

3.5

Het gerecht zal gelet hierop een nieuwe alimentatie vaststellen.

Kosten van verzorging en opvoeding

3.6

De moeder heeft de kosten van de minderjarige voor haar huidige leeftijd bepaald op Afl. Afl. 429,20 per maand. De vader heeft deze kosten niet weersproken. De moeder heeft aangevoerd dat de minderjarige op 2 juli 2021 twaalf jaar wordt en naar de middelbare school zal gaan. Het standaardbedrag dat wordt gehanteerd in Aruba voor een minderjarige die 12 jaar of ouder is, bedraagt Afl. 650,--., Het gerecht zal er tot 1 juli 2021 van uit gaan dat de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige maandelijks Afl. 429,20 bedragen en na deze datum Afl. 650,-.

3.7

De draagkracht van de vader

3.7.1

Uit de door de vader overgelegde loonstroken uit het jaar 2020 en 2021 blijkt dat hij kindertoelage ten behoeve van de minderjarige ontvangt van Afl. 150,-- per maand. Echter nu vaststaat dat hij samen met zijn nieuwe partner nog twee minderjarigen verzorgt en opvoedt, komt van dit bedrag Afl. 50,- de minderjarige toe.

3.7.2

Voorts blijkt uit die loonstroken dat hij een gemiddeld netto-maandloon heeft van

Afl. 5.007.34. Het gerecht zal hierbij geen rekening houden met het jaarlijkse vakantiegeld nu vader onbetwist heeft gesteld dat hij dit niet ontvangt vanwege de Covid-maatregelen van de Curaçaose overheid.

3.7.3

Bij de vaststelling van de draagkracht van de vader gaat het gerecht er vanuit dat hij een bedrag van minimaal Afl. 1.400,- per maand nodig heeft om in zijn eigen bestaan te voorzien. In dit bedrag zitten begrepen de redelijke kosten van elektriciteit, van water, van telefoonaansluiting en van autogebruik, zodat met de door de vader opgevoerde daadwerkelijke kosten ter zake niet afzonderlijk rekening zal worden gehouden. Het gerecht zal verder rekening houden met de posten “huur” ad Afl. 350,-- (zijnde de helft van de huurkosten, nu de vader samenwoont met zijn echtgenote die geacht moet worden voor de helft bij te dragen in deze kosten), “minderjarige kinderen met huidige echtgenote” ad Afl. 450,-- (zijnde tweemaal de helft van het bedrag van Afl 450,-- dat het gerecht als richtsnoer hanteert voor kinderen in de leeftijd als die van de vader, nu de moeder van deze kinderen geacht moet worden voor de helft bij te dragen in deze kosten). Ook zal het gerecht rekening houden met de kosten voor de omgangregeling van in totaal Afl. 630,-- (twee maal een ticket van Afl 225,-- en tweemaal een bedrag van Afl 90,-- voor groundhandeling), omdat de minderjarige in de zomervakantie en met de kerstvakantie naar Curaçao reist. Deze kosten worden begroot op Afl. 52.50 per maand.

De posten “master card” en “visa” zullen niet worden meegenomen, nu deze niet nader zijn onderbouwd en evenmin prioriteit dienen te genieten boven de onderhoudsverplichting van de vader. Met de post “schulden studielening Duo ” zal voor Afl 540,- per maand rekening worden gehouden nu de vader voldoende heeft onderbouwd met stukken dat hij in 2020 een totaal bedrag van 3071,35 Euro aan hoofdsom en renten heeft moeten betalen tegen een vastgestelde wisselkoers van 1 Euro = NAF 2,11220. De vader heeft gesteld dat hij ook nog een studieschuld heeft aan de Stichting Studiefinanciering Curaçao, maar daarvan heeft hij geen bewijsstukken overgelegd, zodat die schuld thans buiten beschouwing wordt gelaten. De overige (niet betwiste) opgevoerde lasten wordt de vader geacht te betalen uit voornoemd forfaitair in aanmerking te nemen bedrag van Afl. 1.400,--.

3.7.4

De totale in aanmerking te nemen (noodzakelijke) vaste lasten van de vader bedragen, gelet op het vorenstaande, totaal afgerond Afl. 2.792,50.

3.7.5

Uit het vorenstaande volgt dat de vader maandelijks een bedrag overhoudt van [Afl. 5.007,34 minus Afl. 2.792,50 = Afl. 2.214,84 + Afl. 50,-- (kindertoelage) =] Afl. 2.264,84, waarmee hij aan zijn verplichting met betrekking tot het voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige dient te voldoen.

3.8

De draagkracht van de moeder

3.8.1

Uit de door de moeder overgelegde loonstroken blijkt dat zij een gemiddeld netto-maandloon heeft van Afl. 4.307,50..

3.8.2

Wat betreft de lasten van de moeder gaat het gerecht ervan uit dat zij een bedrag van minimaal Afl. 1.400,- per maand nodig heeft om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. In dit bedrag zitten begrepen de redelijke kosten van elektriciteit, van water, van telefoonaansluiting en van autogebruik, zodat met de door de moeder opgevoerde daadwerkelijke kosten bij de vaststelling van de draagkracht niet afzonderlijk rekening zal worden gehouden. Het gerecht zal verder rekening houden met de post “hypotheek” ad Afl. 1.841,--, nu de vader die kosten niet heeft betwist. De post “crown” zal buiten beschouwing worden gelaten, nu deze niet is onderbouwd. De overige (niet betwiste) opgevoerde lasten wordt de moeder geacht te betalen uit voornoemd forfaitair in aanmerking te nemen bedrag van Afl. 1.400,--.

3.8.3

De totale in aanmerking te nemen (noodzakelijke) vaste lasten van de moeder bedragen, gelet op het vorenstaande, totaal afgerond Afl. 3.241,--.

3.8.4

Uit het vorenstaande volgt dat de moeder maandelijks een bedrag overhoudt van (Afl. 4.307,50 minus Afl. 3.241,-- =) Afl. 1.066,50, waarmee zij aan haar verplichting met betrekking tot het voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige dient te voldoen.

3.9

Gelet op de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige enerzijds en de draagkracht van de ouders anderzijds, is het gerecht van oordeel dat de vader in staat moet worden geacht om tot 1 juli 2021 met een bedrag van Afl. 290,--per maand bij te dragen ten behoeve van de minderjarige en na 1 juli 2021 met een bedrag van 440,--.

Het gerecht zal verder bepalen dat deze bijdrage in zal gaan vanaf de eerste van de maand na de datum van behandeling van deze zaak, derhalve met ingang van 1 april 2021. Nu een bijdrage als de onderhavige van maand tot maand pleegt te worden verbruikt en gelet op de datum van deze uitspraak, zal het gerecht bepalen dat voor zover de vader vóór bedoelde datum meer heeft betaald of op hem is verhaald, de bijdrage tot heden wordt gelijkgesteld aan hetgeen door hem meer is betaald of op hem is verhaald.

3.10 “

“Ground handler”

Ter zitting heeft de moeder verklaard bereid te zijn de kosten van “ground handler” te voldoen indien de vader het daarmee gemoeide bedrag tijdig, uiterlijk één week vóór vertrek van de minderjarige, overmaakt op de bankrekening van de moeder.

3.11

Het bovenstaande leidt tot de volgende beslissing.

4 DE BESLISSING

Het gerecht:

wijzigt de beschikking van dit gerecht van 19 september 2016 (EJ nr. 71552 van 2014) in dier voege dat de bijdrage van de vader [verzoeker] in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [naam minderjarige], geboren op geboren op [geboortedatum] in Curaçao,

- met ingang van 1 april 2021 tot 1 juli 2021 wordt bepaald op Afl. 290,-- per maand,

- en met ingang van 1 juli 2021 wordt bepaald op Afl. 440,-- per maand,

bepaalt dat voor zover de vader vóór 1 april 2021 meer heeft betaald of op hem is verhaald, de onderhoudsbijdrage tot heden wordt gelijkgesteld aan hetgeen door hem meer is betaald of op hem is verhaald,

verstaat dat de moeder bereid is de kosten van “ground handler” te voldoen indien de vader het daarmee gemoeide bedrag uiterlijk één week vóór vertrek van de minderjarige overmaakt op de bankrekening van de moeder

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gegeven door mr. J.M.J. Keltjens, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken ter zitting van dinsdag 22 juni 2021 in aanwezigheid van de griffier.