Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2021:287

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
09-06-2021
Datum publicatie
23-06-2021
Zaaknummer
AUA201902947
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Civiel. Gedaagde heeft jegens eisers onrechtmatig gehandeld. Gedaagde is aansprakelijk voor de als gevolg daarvan door eisers geleden schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2021-0541
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 9 juni 2021

Behorend bij A.R. AUA201902947

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de zaak van:

1 [Eiser sub 1]

2. [Eiseres sub 2],

te Duitsland,

EISERS,

gemachtigde: de advocaat mr. W.G.T.M. Kloes,

tegen:

[Gedaagde],

te Aruba,

GEDAAGDE,

gemachtigde: de advocaat mr. G.L. Griffith.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis van 3 februari 2021;

- de akte zijdens eisers;

- de antwoordakte.

1.2

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Op 19 december 2018 heeft een verkeersongeval plaatsgevonden tussen een [merk] [model], zonder nummerplaat, waarvan [gedaagde] de bestuurder was, en een motorfiets [kentekennummer], waarop eisers zaten.

2.2

Van het ongeval is een politierapport opgemaakt. Daarin is de volgende omschrijving van de oorzaak van het ongeval opgegeven:

“De 1/ zonder nummer, reed in noordelijke richting over de weg leidende door [stad].

De 2/ [kentekennummer motorfiets] reed in de oostelijke richting over de [straat]. Gekomen bij de kruispunt gevormd door genoemde wegen, verleende de 1 geen voorrang aan de 2 met een aanrijding als gevolg.

De bestuurder 2; [eiser sub 1] en zijn mede-inzittende; [eiseres sub 2] raakten beiden gewond. De ambulance-dienst kwam ter plaatse en behandelde hen.”

Verder zijn in dat rapport eisers aangemerkt als slachtoffers, en bij hun toestand is vermeld: “verwond.”

3 HET VERZOEK EN HET VERWEER

3.1

Eisers verzoeken het Gerecht om bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] te veroordelen om aan [eiser sub 1] te betalen Afl. 7.748,57 en € 6.718,27 en aan [eiseres sub 2] Afl. 15.248,57 en € 4.873,95, te vermeerderen met rente van de dag der dagvaarding en kosten rechtens.

3.2

Aan de vordering leggen eisers ten grondslag dat het ongeval geheel te wijten is aan [gedaagde], die in strijd met verkeersregels heeft gehandeld, zodat deze gehouden is om de door eisers geleden materiële en immateriële schade volledig te vergoeden.

3.3 [

gedaagde] heeft verlof verzocht om kosteloos te procederen. [gedaagde] heeft verweer gevoerd. [gedaagde] betwist dat het ongeval geheel aan hem te wijten is en aan hem kan worden toegerekend. Voorts betwist hij dat eisers als gevolg van het ongeval schade heeft geleden, althans de hoogte van de gevorderde schadevergoeding.

4 DE BEOORDELING

4.1

De kern van het geschil is of [gedaagde] aansprakelijk is voor het ongeval en daarmee voor de als gevolg daarvan door eisers geleden schade, en zo ja, tot welke hoogte.

4.2

Vast staat dat het ongeval is ontstaan doordat [gedaagde] aan eisers geen voorrang heeft verleend, waar hij dat volgens de geldende verkeersregels had moeten doen.

[gedaagde] betwist evenwel dat het ongeval aan hem kan worden toegerekend. In dit verband voert hij aan dat hij weliswaar geen voorrang heeft verleend aan eisers, maar dat dat het gevolg is geweest van een defect aan de remmen van de auto, waardoor hij niet tijdig tot stilstand kon komen. Naar het oordeel van het Gerecht heeft [gedaagde] zijn stelling dat het ongeluk veroorzaakt is door een plotseling optredend gebrek aan de remmen onvoldoende toegelicht. Hij heeft niet toegelicht waaruit dat gebrek bestond, waaruit valt af te leiden dat er een gebrek aan de remmen was, noch dat dat gebrek niet bestond op het moment dat hij in de auto stapte. Dat had op zijn weg gelegen, gegeven de gemotiveerde betwisting door eisers, zodat de het Gerecht de stellingen als onvoldoende toegelicht passeert.

Daarbij wordt nog daargelaten dat [gedaagde] niet heeft betoogd dat en waarom het ongeval niet te wijten is aan een oorzaak die krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.

4.3

Gelet hierop, is komen vast te staan dat het ongeval is veroorzaakt door het overtreden van een verkeersregel, een wettelijk voorschrift, waarmee [gedaagde] jegens eisers onrechtmatig heeft gehandeld, zodat [gedaagde] aansprakelijk is voor de als gevolg daarvan door eisers geleden schade.

4.4

Volgens vaste rechtspraak is, indien voor iemand als gevolg van een aan de schuld van een ander te wijten aanrijding een — lichamelijk of psychisch — letsel ontstaat, die ander voor de daardoor veroorzaakte schade in de regel over de gehele met de genezing van dat letsel gemoeide tijd als een door zijn daad veroorzaakte schade aansprakelijk (onder meer HR 9 juni 1972, ECLI:NL:PHR:1972:AC0891). Vast staat dat eisers letsel hebben opgelopen als gevolg van het ongeval. Deze stelling van eisers, ondersteund door het politierapport, waarin is vermeld dat eisers slachtoffers waren van het ongeval en daarbij gewond zijn geraakt, is door [gedaagde] niet betwist.

4.5

Tussen partijen is in geschil welk letsel eisers hebben opgelopen als gevolg van het ongeval. Eisers hebben gesteld dat het letsel van [eiser sub 1] bestond uit een fractuur van de processus styloideus ulnae van de linker pols, waarvoor een splint werd voorgeschreven, en dat van [eiseres sub 2] uit een fractuur van de rechter clavicula en een contusion of the sternum en distortion van de ruggengraat, wat ook heeft geleid tot paniek- en stressaanvallen. Deze stellingen hebben eisers onderbouwd met een tweetal brieven van hun huisarts in Wertheim, Duitsland, van 20 juli 2019, waarin onderscheidenlijk het volgende staat:

“(…) The first contact in our practice took place on January 7th, 2019 after our return from the christmas holidays. At that point of time [eiser sub 1] was suffering from severe pain in his left wrist which was still swollen and painful during examination. He received a prescription of Novaminsulfon 500 mg taken three to four times a day.

Straight after his return to Germany [eiser sub 1] had presented to the Accident&Emergency Department of the local Hospital, where a surgeon had diagnosed a fracture of the Processus styloideus unlae of the left wrist, which had been accommodated with a splint. In addition the patient had been prescribed pain tablets. Further documented diagnosis at that point of time had been distorsion of the right shoulder, distorsion of the left thumb as well as multiple further contusions and bruises.

In the following weeks the healing process was prolonged by persisting pain and limited joint mobility. [eiser sub 1] attended a local surgeon for control examination on January 2nd, 2019, January 17th, 2019 and February 6th, 2019. At that consulation an x-ray examination of the lower arm revealed a fracture of the distal ulna which was already in a state of consolidation. In the course of the treatment the splint was replaced by a bandage.

Treatments in our practice with control of the pain medication and the local symptoms took place on a fortnightly basis during the months of January, February, March and May. The patient remained unable to work until the end of March.

In the beginning of April [eiser sub 1] returned to his working place on a part time basis, extending the daily working hours slowly beginning with 2 later 4 and 6 hours, still under ongoing pain.

The last control at the surgeon […] in Triefenstein on June 3rd there was still pain in the wrist so the patient was transferred to the Department of handsurgery of the University Hospital of Würzburg. At that point [eiser sub 1] still had to take his pain medication (novaminsulfon) on a regular basis. (…)”

“(…) The first contact in our practice took place on January 7th after our return from the christmas holidays. At that point [eiseres sub 2] was suffering from severe pain in her right shoulder with punctum maximum in the area of the acromioclavicular joint, which was swollen and painful during examination. She received a prescription of Novaminsulfon 500 mg taken three to four times a day as wel as Ibuprofen 600 mg.

Straight after her return to Germany [eiseres sub 2] had presented to the Accident & Emergency Department of our local Hospital, where a surgeon had diagnosed a fracture of the lateral part of the clavicula, which had been accommodated by a glichrist bandage. In addition the patient had been prescribed pain tablets (ibuprofen and novaminsulfon). Further documented diagnoses at that point of time had been contusion of the sternum as well as distorsion of the cervical spine.

In the following weeks [eiseres sub 2] was suffering from ongoing heavy pain so she had to go on taking pain tablets on a regular basis. Moreover the patient developed a panic and anxiety disorder as a result of the traumatic accident, so she had to be transferred to a psychologist and started treatment on a regular basis. In addition she was prescribed an antidepressive drug/mirtazapin. With regard to flash-back experiences the psychiatrist suspects a posttraumatic stress disorder. The psychological state of the patient deteriorated further with two seizures, neurological and cardiological assessments didn’t show somatic causes, so these symptoms can also be put down to the immense psychological stress caused by the accident.

[eiseres sub 2] attended local orthopedic surgeons for control examinations on January 2nd, 2019, Januari 17th, 2019, January 31st, 2019, February 23rd, 2019, March 13th, 2019, and April 29th, 2019. In addition, because of ongoing heavy pain a MR-imaging of the right shoulder was taken on February 24th, which ruled out a damage of the muscular shoulder cuff.

Treatments in our practice with the control of the pain medication and the local symptoms took place on a fortnightly basis during the months of January, February, March and May. The patient remained unable to work until the end of April. In the beginning of May [eiseres sub 2] returned to his working place on a part time basis, extending the daily working hours slowly still under ongoing pain.

The last control examination at the orthopedic surgeon […] pain. The patient was still unable to sleep on her right side and reported pain when using her right arm carrying of lifting things in normal daylife. (…)”

4.6 [

gedaagde] betwist dat eisers het gestelde letsel hebben opgelopen als gevolg van het ongeval. In dit verband voert hij aan dat eisers na het ongeval niet met een ambulance naar het ziekenhuis afgevoerd zijn, zodat van ernstig letsel geen sprake was. Verder betoogt [gedaagde] dat omdat geen verslag van het gestelde bezoek van eisers aan de eerste hulp van het lokale ziekenhuis in hun woonplaats in Duitsland na terugkeer van hun vakantie is overgelegd, niet is vast te stellen of het in de brief van de huisarts vermelde letsel bij die gelegenheid is geconstateerd of dat dat letsel later is ontstaan.

4.7

Het Gerecht acht de met voormelde brieven van de huisarts onderbouwde stellingen ter zake van het als gevolg van het ongeval opgelopen letsel door [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd betwist, waarmee deze stellingen vast komen te staan. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen. Eisers, die Aruba een dag bezochten als onderdeel van een cruise, hebben onweersproken gesteld dat zij hebben afgezien van een behandeling in het ziekenhuis van Aruba, omdat zij om praktische redenen hebben gekozen om opgevangen te worden in de daartoe toegeruste ziekenboeg op het cruiseschip. Gelet hierop en op de aard van het letsel, een pols- en schouderfractuur, is de enkele omstandigheid dat eisers niet met een ambulance van de plaats van het ongeval naar het ziekenhuis zijn afgevoerd onvoldoende om tot het oordeel te komen dat van dat letsel geen sprake was. Verder valt uit de verslagen van de huisarts van eisers genoegzaam af te leiden wanneer eisers bij de eerste hulp, de huisarts en de chirurg zijn geweest en wat steeds het geconstateerde letsel en de voorgeschreven behandeling is geweest. [gedaagde] heeft niet betoogd dat en waarom aannemelijk is dat de huisarts van eisers in zijn verslag medische gegevens en een verslag van hun bezoek aan de eerste hulp in hun woonplaats vermeld, zonder dat op onderliggende medische stukken te hebben gegrond. Onder deze omstandigheden hebben eisers met voormelde brieven van hun huisarts afdoende onderbouwd welk letsel zij als gevolg van het ongeval hebben opgelopen.

4.8

De vorderingen van eisers van bedragen van € 86,32 en van € 109,88 ter zake van gemaakte kosten voor fysiotherapiebehandelingen komen voor afwijzing in aanmerking. Met het enkel overleggen van facturen voor fysiotherapiebehandelingen hebben eisers onvoldoende gemotiveerd gesteld dat deze behandelingen noodzakelijk waren in verband met het door het ongeval opgelopen letsel, zoals door [gedaagde] gemotiveerd is betwist. Dat had evenwel op hun weg gelegen, mede in aanmerking genomen dat in het verslag van hun huisarts melding wordt gemaakt van het ziekteverloop van eisers en de ontvangen medische behandelingen, en daarin niet is vermeld dat eisers verwezen zijn naar een fysiotherapeut.

4.9

Ten aanzien van de gevorderde apotheekkosten, overweegt het Gerecht dat uit de overgelegde facturen niet valt af te leiden dat en waarom de kosten voor de voorgeschreven genees- en hulpmiddelen niet voor vergoeding vanwege de ziektekostenverzekering in aanmerking komen, zoals door [gedaagde] is betwist. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat ziektekostenverzekeringen in de regel schadeverzekeringen zijn, zodat, gegeven vaste rechtspraak van de Hoge Raad (onder meer HR 1 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7808), de schadevergoeding dient te worden verminderd met de verzekeringsuitkeringen voor de met de in verband van het ongeval gemaakte medische kosten. De gevorderde kosten komen dan ook als onvoldoende toegelicht niet voor toewijzing in aanmerking.

4.10 [

eiser sub 1] vordert een bedrag van € 1.818,88 aan loonderving. Daartoe stelt hij dat hij als gevolg van het ongeval gedurende een periode van 116 dagen arbeidsongeschikt is geweest. Gedurende deze periode ontving hij in plaats van zijn reguliere dagloon van € 70,12 (€ 25.242,89 / 360) een verzekeringsuitkering van € 54,44 per dag. Gelet hierop bedraagt zijn loonderving € 15,68 (€ 70,12 – € 54,44) per dag gedurende 116 dagen. [eiser sub 1] heeft ter onderbouwing van deze stellingen een van een Engelse vertaling voorziene brief van AOK inzake ziekengeld overgelegd en een in de Duitse taal opgestelde loonstrook van december 2018.

4.11 [

gedaagde] heeft betwist dat [eiser sub 1] gedurende de gestelde periode een loonderving van € 15,68 per dag heeft geleden. Daartoe heeft [gedaagde] aangevoerd dat uit de in de Duitse taal opgestelde loonstrook niet valt af te leiden wat het dagloon van [eiser sub 1] bedroeg en dat uit de brief inzake het ziekengeld valt af te leiden dat de hoogte daarvan is gebaseerd op het reguliere loon.

4.12

Het Gerecht overweegt als volgt. Dat [eiser sub 1] gedurende een periode van 116 dagen arbeidsongeschikt is geweest is op zichzelf door [gedaagde] niet betwist, evenmin als dat het door hem gedurende deze periode ontvangen ziekengeld in plaats van zijn reguliere loon aan hem is uitgekeerd, zodat dit tussen partijen vaststaat. Gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde], heeft [eiser sub 1] zijn stelling dat zijn dagloon € 70,12 bedraagt onvoldoende toegelicht. Onder deze omstandigheden, en de overige stellingen over en weer, alsmede de overgelegde brief van AOK en loonstrook in aanmerking genomen, ziet het Gerecht aanleiding de vordering op na te melden wijze toe te wijzen. Uitgaande van een maandgemiddelde en afgerond bedraagt de periode van arbeidsongeschiktheid vier maanden. Dat betekent dat, mede gelet op de brief van AOK, [eiser sub 1] gedurende de periode van zijn arbeidsongeschiktheid een bedrag van € 6.546,- (€ 54,55 x 30 x 4) aan ziekengeld heeft ontvangen. Uitgaande van een netto maandsalaris van € 1.840,58, zoals valt af te leiden uit de overgelegde loonstrook, zou het reguliere salaris van [eiser sub 1] ingeval het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden gedurende deze periode van vier maanden € 7.362,32 bedragen. Dat brengt met zich dat [eiser sub 1] gedurende zijn arbeidsongeschiktheid een bedrag van € 816,32 aan inkomen heeft misgelopen (€ 7.362,32 – € 6.546,-).

4.13

Eisers hebben verder een vergoeding van Afl. 7.500,- voor [eiser sub 1] en Afl. 15.000,- voor [eiseres sub 2] ter zake van immateriële schade gevorderd. Daartoe hebben ze onder meer aangevoerd dat zij als gevolg van het opgelopen letsel gedurende enige maanden volledig arbeidsongeschikt zijn geweest en gedurende lange tijd hevige pijnen hebben geleden.

4.14

Bij de begroting van smartengeld houdt de rechter rekening met alle omstandigheden van het geval, zoals enerzijds de aard van de aansprakelijkheid en anderzijds de aard, de duur en de intensiteit van de pijn, het verdriet en de gederfde levensvreugde van betrokkene, die het gevolg zijn van de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust.

4.15

Gelet op het hiervoor onder 4.7 overwogene, neemt het Gerecht het letsel, zoals in het verslag van de huisarts van eisers omschreven, als uitgangspunt. Uit het verslag van de huisarts valt ten aanzien van [eiser sub 1] af te leiden dat hij als gevolg van het letsel, een polsfractuur, gedurende een periode van in elk geval ruim vijf maanden voortdurende pijnklachten aan de linker pols heeft ervaren. Uit het verslag van de huisarts valt ten aanzien van [eiseres sub 2] af te leiden dat zij van het letsel, een schouderfractuur en verdraaiing van de ruggenwervel, gedurende een periode van in elk geval ruim vijf maanden voortdurende pijnklachten aan de rechterschouder heeft ervaren. Als gevolg hiervan zijn eisers gedurende een periode van omstreeks vier maanden arbeidsongeschikt geweest. Tevens heeft [eiseres sub 2] gedurende deze periode angst- en paniekaanvallen gehad, waarvoor zij psychologische en medische behandeling heeft ontvangen. Eisers hebben, naar gesteld, aan het ongeval geen blijvende invaliditeit of beperkingen overgehouden.

Verder noopt de aard van de aansprakelijkheid niet tot terughoudendheid ten aanzien van de begroting van deze schadepost, omdat van de zijde van [gedaagde] een verkeersnorm is overschreden die volledig aan hem is toe te rekenen. Gelet op al deze omstandigheden en gelet op vergoedingen voor immateriële schade die in vergelijkbare zaken worden toegekend acht het Gerecht een vergoeding wegens immateriële schade op zijn plaats van Afl. 1.500,- voor [eiser sub 1] en Afl. 2.000,- voor [eiseres sub 2]. Daarbij heeft het Gerecht ook de gederfde vreugde van het restant van de vakantie en de motortour, gedurende welke het ongeval heeft plaatsgevonden meegewogen. Anders dan eisers stellen kan het niet ongestoord kunnen genieten van een tour- onderscheidenlijk een vakantie, niet worden aangemerkt als zaakschade.

4.16

De vordering van eisers ter zake van aan hun motorhelmen en -handschoenen en trouwring geleden schade komt voor toewijzing in aanmerking. Daartoe overweegt het Gerecht als volgt.

4.17

Eisers hebben de schade aan de helmen toegelicht en onderbouwd door overlegging van een offerte voor twee helmen, type C4, met ingebouwd communicatiesysteem van Motorradhaus Ebert van 30 januari 2019 voor een bedrag van in totaal €1.896,-. De beschadigde helmen en communicatiesysteem, aangeschaft in 2011, onderscheidenlijk 2015, waren van het type C3, maar dit type is niet langer leverbaar, aldus eisers. De schade aan de handschoenen van [eiser sub 1] hebben eisers toegelicht onder overlegging van de aanschaffactuur van de handschoenen van 20 augustus 2018 voor een bedrag van € 80,75, inclusief een korting van 15%.

4.18

Volgens vaste rechtspraak (onder meer arrest van de Hoge Raad van 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:208) lijdt een rechthebbende, wanneer een zaak voor hem geheel en al verloren gaat doordat herstel niet mogelijk is of economisch onverantwoord, door dit verlies een nadeel in zijn vermogen gelijk aan de waarde van de zaak. Indien de desbetreffende, verloren gegane zaak een exemplaar is zonder eigen, individueel bepaalde kenmerken, van een soort waarvoor een voor het publiek toegankelijke markt bestaat, zal de rechthebbende door dit verlies een nadeel in zijn vermogen lijden dat in het algemeen kan worden gesteld op de waarde in het economisch verkeer van de zaak ten tijde van het verlies (de marktwaarde). In dit geval is sprake van algeheel verlies van de helmen, nu eisers onweersproken hebben gesteld dat een motorhelm na een ongeval dient te worden vervangen, ook indien deze niet zichtbaar beschadigd is. De schadevergoeding moet eisers in staat stellen om dezelfde helmen te kopen als de beschadigde.

Nu, zoals hiervoor is overwogen, door eisers onweersproken is gesteld dat een helm na een ongeval vervangen dient te worden, ziet het Gerecht aanleiding de schade te begroten aan de hand van de nieuwwaarde van de C4-helmen. Daarbij neemt het Gerecht in aanmerking dat [gedaagde] niet heeft betwist dat de C3-helmen niet langer leverbaar zijn en de C-4 helmen als vergelijkbare helmen in aanmerking komen. De niet nader onderbouwde stelling van [gedaagde] dat het op de offerte vermelde bedrag een onwaarschijnlijke prijs voor twee helmen met communicatiesysteem is, wordt, mede gezien voormelde offerte, gepasseerd als onvoldoende toegelicht. Het voorgaande brengt dan ook mee dat eisers aanspraak kunnen maken op vergoeding van de aankoopwaarde van de vergelijkbare helmen van € 1.896,-, derhalve elk op vergoeding van € 948,-.

Ten aanzien van de handschoenen van [eiser sub 1], acht het Gerecht dat de betwisting in algemene bewoordingen dat deze beschadigd zouden zijn onvoldoende, mede in aanmerking genomen dat [eiser sub 1] de motorfiets bestuurde en de stelling van eisers dat de handschoenen van [eiseres sub 2], als bijrijder, onbeschadigd zijn gebleven. Nu de handschoenen ten tijde van het ongeval vier maanden oud waren, heeft [eiser sub 1] aanspraak op de aankoopwaarde van de handschoenen van € 80,-.

4.19

Eisers hebben onweersproken gesteld dat de trouwring van [eiseres sub 2] verwijderd diende te worden, omdat haar vingers als gevolg van het ongeval waren opgezwollen. Eisers hebben ook onweersproken gesteld, onder overlegging van een factuur, dat de kosten van herstel voor de opengesneden ring € 21,- bedragen.

4.20

Ten aanzien van de op grond van artikel 6:96, lid 2, aanhef en onder b en c, BW gevorderde advocaat- en incassokosten, hebben eisers niet nader toegelicht of, en zo nee, waarom niet, en zo ja, tot welke hoogte, deze voor vergoeding op grond van de artikelen 60 tot en met 62 Rv in aanmerking komen. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de regeling van de artikelen 60 tot en met 62 Rv ingevolge artikel 6:96 lid 3 BW in verbinding met artikel 63a Rv derogeert aan artikel 6:96 lid 2 BW, komen de gevorderde advocaat- en incassokosten, behoudens de op na te melden wijze toe te wijzen proces- en buitengerechtelijke incassokosten conform het Procesreglement, niet voor toewijzing in aanmerking.

5 DE UITSPRAAK

De rechter in dit Gerecht:

5.1

verleent [gedaagde] verlof om kosteloos te procederen;

5.2

veroordeelt [gedaagde] aan [eiser sub 1] te betalen een bedrag van Afl. 1.500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2019 tot de dag waarop volledig zal zijn betaald;

5.3

veroordeelt [gedaagde] aan [eiser sub 1] te betalen een bedrag van € 1.844,32 (€ 816,32 + € 948,- + € 80,- ), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2019 tot de dag waarop volledig zal zijn betaald;

5.4

veroordeelt [gedaagde] aan [eiseres sub 2] te betalen een bedrag van Afl. 2.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2019 tot de dag waarop volledig zal zijn betaald;

5.5

veroordeelt [gedaagde] aan [eiseres sub 2] te betalen een bedrag van € 969,- (€ 948,- + € 21,-), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2019 tot de dag waarop volledig zal zijn betaald;

5.6

veroordeelt [gedaagde] aan eisers te betalen een bedrag van Afl. 1.500,- aan buitengerechtelijke incassokosten;

5.7

veroordeelt [gedaagde] in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van eisers worden begroot op Afl. 750,- aan griffierecht, Afl. 230,65 aan oproepingskosten en Afl. 2.000,- (2 punten in tarief 4) aan salaris van de gemachtigde;

5.8

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.9

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth rechter in dit Gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 9 juni 2021 in aanwezigheid van de griffier.