Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2021:274

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
10-06-2021
Datum publicatie
21-06-2021
Zaaknummer
AUA202100145
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Belanghebbende bezit 100 percent van de aandelen van de in Aruba gevestigde N.V. Belanghebbende heeft de aandelen verkocht voor een bedrag van Afl. 1.000. In geschil is of een negatief voordeel uit vervreemding van een aanmerkelijk belang in de zin van artikel 11, lid 1 c van de LIB, op de overige inkomensbestanddelen in mindering kan komen. Op basis van artikel 3, lid 4 LIB in samenhang met artikel 11 LIB volgt dat het onzuiver inkomen wordt gevormd door de algebraïsche som van de inkomensbestanddelen vermeld in deze bepalingen.

De Inspecteur is van mening dat omdat de wetgever heeft gekozen voor de term ‘voordeel’, een negatief voordeel niet onder dit artikel valt. Voordeel in de zin van deze bepaling betekent aldus de Inspecteur enkel een positief voordeel. Het Gerecht oordeelt dat de term ‘voordeel’ overeenkomstig artikel 39 Wet op de inkomstenbelasting 1964 ook een negatief bedrag behelst.

Dit betekent dat het verlies uit vervreemding van een aanmerkelijk belang als een negatief bestanddeel van het onzuiver inkomen moet worden meegenomen. Het gelijk is derhalve aan belanghebbende.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 10 juni 2021

BBZ nr. AUA202100145

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening beroep in belastingzaken van:

[Belanghebbende], wonende te Aruba,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Aruba,

de Inspecteur.

1 PROCESVERLOOP

1.1

Aan belanghebbende is op 29 december 2017 een aanslag inkomstenbelasting voor het jaar 2012 opgelegd naar een belastbaar inkomen van Afl. 146.977, resulterend in een verschuldigd bedrag van Afl. 20.838.

1.2

Belanghebbende heeft op 17 januari 2018 bezwaar gemaakt tegen de aanslag.

1.3

Belanghebbende heeft op 18 januari 2021 beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van Afl. 25.

1.4

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 1 april 2021 het bezwaar afgewezen en de aanslag gehandhaafd.

1.5

De Inspecteur heeft op 6 april 2021 een verweerschrift ingediend.

1.6

Belanghebbende heeft op 8 april 2021 een tweede beroepschrift bij het Gerecht ingediend. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van Afl. 25.

1.7

De Inspecteur heeft op 14 april 2021 een aanvulling op het verweerschrift ingediend.

1.8

De zitting heeft plaatsgevonden op 15 april 2021 te Oranjestad. Belanghebbende is vertegenwoordigd door [A] verbonden aan [X]. Namens de Inspecteur zijn verschenen [B] en [C]. Belanghebbende heeft een pleitnota voorgedragen en ingebracht. De rechter heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

2 FEITEN

2.1

Belanghebbende bezit 100 percent van de aandelen van de in Aruba gevestigde ‘[Q] N.V.’ De verkrijgingsprijs van de aandelen bedroeg Afl. 10.000. Belanghebbende heeft de aandelen verkocht voor een bedrag van Afl. 1.000. Dit bedrag is door de koper in het onderhavige jaar 2012 betaald.

2.2

Belanghebbende heeft een belastbaar inkomen van Afl. 137.979 aangegeven. Daarbij is ter zake van de verkoop van de aandelen een bedrag van negatief Afl. 9.000 als verkoopresultaat aangegeven.

2.3

De Inspecteur is bij het opleggen van de aanslag afgeweken van de aangifte. De Inspecteur heeft zonder rekening te houden met het negatief verkoopresultaat van de aandelen, het belastbaar inkomen vastgesteld op Afl. 146.977.

3 GESCHIL EN STANDPUNTEN PARTIJEN

3.1

In geschil is of een negatief voordeel uit vervreemding van een aanmerkelijk belang in de zin van artikel 11, lid 1 c van de Landsverordening Inkomstenbelasting (LIB), op de overige inkomensbestanddelen in mindering kan komen.

3.2

Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en concludeert tot een vermindering van de aanslag naar een belastbaar inkomen van Afl. 137.979.

3.3

De Inspecteur beantwoordt deze vraag ontkennend en concludeert tot handhaving van de aanslag.

4 BEOORDELING VAN HET BEROEP

Beroep niet tijdig beslissen

4.1

Belanghebbende heeft op 18 januari 2021 beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op het bezwaar tegen de aanslag inkomstenbelasting 2012. Hangende onderhavige beroepsprocedure heeft de Inspecteur op 1 april 2021 alsnog uitspraak gedaan op het bezwaar. Belanghebbende heeft derhalve geen belang meer bij dit beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Dit beroep is mitsdien niet-ontvankelijk.

4.2

Het door belanghebbende ingestelde beroep van 18 januari 2021 wordt ook geacht te zijn gericht tegen de (reële) uitspraak op bezwaar van 1 april 2021 (GEA Curaçao, 17 april 2018, ECLI:NL:OGEAC:2018:57). Ook deze uitspraak is dus onderwerp van onderhavige procedure. Het beroepschrift van 8 april 2021 wordt aangemerkt als een aanvulling van het eerste beroepschrift.

Wettelijk kader

4.3.1

Binnen Aruba wonende personen zijn belastingplichtig naar hun belastbaar inkomen. Het belastbaar inkomen wordt bepaald op basis van het onzuiver inkomen.

4.3.2

Artikel 3, lid 4 LIB bepaalt dat onder onzuiver inkomen wordt verstaan al hetgeen wordt genoten als zuivere opbrengst van:

a. onroerende zaken en de rechten waaraan deze zijn onderworpen;

b. roerend kapitaal;

c. onderneming en arbeid;

d. rechten op periodieke uitkeringen.

4.3.3

Ingevolge artikel 11, lid 1, letter c LIB behoort mede tot de bestanddelen van het onzuivere inkomen onder andere het voordeel uit vervreemding van tot een aanmerkelijk belang horende aandelen in of winstbewijzen van een vennootschap welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld. Het voordeel wordt, ingevolge artikel 11, lid 1, letter c, ten tweede LIB, gesteld op de overdrachtsprijs, verminderd met de verkrijgingsprijs.

Inhoudelijk

4.4

Tussen partijen is niet in geschil dat de aandelen een aanmerkelijk belang vormen in de zin van artikel 11 LIB. Voorts is niet in geschil dat het vervreemdingsresultaat in het onderhavige jaar 2012 aan belanghebbende is opgekomen en dat het vervreemdingsresultaat negatief Afl. 9.000 bedraagt.

4.5

Belanghebbende heeft in haar aangifte inkomstenbelasting het vervreemdingsresultaat op haar overige inkomstenbestanddelen (inkomsten uit arbeid) in mindering gebracht.

4.6

De Inspecteur is van mening dat omdat de wetgever heeft gekozen voor de term ‘voordeel’, een negatief voordeel niet onder dit artikel valt. Voordeel in de zin van deze bepaling betekent aldus de Inspecteur enkel een positief voordeel. Een negatief voordeel uit vervreemding van een aanmerkelijk belang moet aldus de Inspecteur, bij de bepaling van het belastbaar inkomen niet in aanmerking worden genomen. Een vervreemdingsverlies kan daarom niet in aftrek komen op de overige inkomensbestanddelen.

Aansluiting Nederlandse bepaling

4.7

Voor de uitleg van de term voordeel dient te worden aangesloten bij de aanverwante Nederlandse bepaling, artikel 39 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (Wet IB). Deze bepaling heeft immers als voorbeeld gediend bij de formulering van het huidige artikel 11 lid 1 c LIB.

4.8

Het Gerecht verwijst naar onderstaande passage (pagina 21 en 22) van de Memorie van Toelichting bij de Invoeringsverordening Landsverordening dividendbelasting en imputatiebetaling (MvT) waarin – voor zover van belang – het volgende is vermeld:

“De zgn. aanmerkelijk belangregeling is sinds haar introductie in onderdeel c van het eerste lid van artikel 11 Lib in 1956 niet meer herzien. Met de introductie – overeenkomstig het voorgestelde zesde lid van artikel 24 Lib (…) – van het bijzonder tarief van 30% voor opbrengsten van aandelen die tot een aanmerkelijk belang behoren, dienen geconstateerde lekken in de regeling te worden gedicht.

In dit onderdeel is dan ook een nieuwe formulering van onderdeel c van het eerste lid van artikel 11 Lib opgenomen met het oog op gevallen van vervreemding van aandelen in een vennootschap waarbij het kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld en die aandelen tot een zgn. aanmerkelijk belang behoren (…).

Bij de toepassing van deze nieuwe bepalingen zullen problemen rijzen met betrekking tot de bepaling van de overdrachts- c.q. verkrijgingsprijs in geval van erfrechtelijke en huwelijksvermogensrechtelijke verkrijgingen en van schenkingen, waaruit voor de fiscus nadelige gevolgen kunnen voortvloeien.

De oorzaak hiervan is gelegen in het feit dat artikel 11, eerste lid, onderdeel c, Lib gebaseerd is op het Nederlandse Besluit inkomstenbelasting 1941, hierna verder aangeduid als Besluit. In dit Besluit werden reeds in de vijftiger jaren van de vorige eeuw echter een aantal lekken ten nadele van de fiscus geconstateerd, die de Nederlandse Wet inkomstenbelasting 1964 heeft gedicht. De regering is van oordeel dat het aanbeveling verdient het Nederlandse voorbeeld te volgen, opdat daardoor de fiscaal nadelige restanten van het Besluit, die nog steeds hun weerklank vinden in de Lib, weggenomen kunnen worden.”

4.9

Ingevolge artikel 39, lid 1 Wet IB wordt als winst uit aanmerkelijk belang aangemerkt het voordeel uit de vervreemding van tot een aanmerkelijk belang behorende aandelen in of winstbewijzen van een vennootschap welker kapitaal geheel of ten dele in aandelen is verdeeld. Het voordeel wordt gesteld op de overdrachtsprijs verminderd met de verkrijgingsprijs. In artikel 39, lid 2 van de Wet IB is bepaald dat indien de berekening van het voordeel leidt tot een negatief bedrag, dit als een verlies uit aanmerkelijk belang wordt aangemerkt.

4.10

Het Gerecht leidt uit het voorgaande af dat de term ‘voordeel’, overeenkomstig artikel 39 Wet IB ook een negatief bedrag behelst. Dat in artikel 11, lid 1, letter c LIB niet is opgenomen dat een negatief bedrag als een verlies uit aanmerkelijk belang wordt aangemerkt, maakt dit niet anders.

Term voordeel in artikel 6 IB

4.11

In het Nederlandse Besluit inkomstenbelasting 1941 – dat eerst als grondslag diende voor de aanmerkelijk belangregeling – werd een aanmerkelijk belang als een fictieve onderneming beschouwd. De aanmerkelijk belangregeling houdt daarom nauw verband met het inkomensbestanddeel onderneming (artikel 6 LIB).

4.12

In artikel 6, lid 2 aanhef letters b en d, alsmede in artikel 6, lid 3 wordt de term ‘voordelen’ gebezigd. Het lijdt geen twijfel dat de term ‘voordelen’ in de context van artikel 6 ook negatieve voordelen behelst. Het Gerecht heeft geen aanknopingspunten kunnen vinden om de term ‘voordeel’ van artikel 11, lid 1, letter c LIB anders uit te leggen.

Artikel 9, lid 8 LIB niet van toepassing

4.13

De Inspecteur heeft nog betoogd dat blijkens artikel 9, lid 8 LIB enkel de positieve opbrengsten uit aanmerkelijk belang in aanmerking moeten worden genomen. Ook dit betoog faalt. Het Gerecht overweegt dat in artikel 9 LIB de berekening van het zuiver bedrag van de inkomensbestanddelen genoemd in artikel 3 LIB wordt geregeld (uitgezonderd de dienstbetrekking). Dit artikel bepaalt welke kosten en lasten in mindering kunnen komen op de (onzuivere) opbrengsten van voormelde inkomensbestanddelen. In het onderhavige geval is artikel 9 niet van toepassing reeds omdat deze bepaling niet ziet op het inkomensbestanddeel aanmerkelijk belang. Bovendien is er sprake van een vervreemdingsverlies en niet van kosten en lasten.

Belastbaar inkomen en verschuldigde belasting

4.14

Op basis van artikel 3, lid 4 LIB in samenhang met artikel 11 LIB volgt dat het onzuiver inkomen wordt gevormd door de algebraïsche som van de inkomensbestanddelen vermeld in deze bepalingen. Dit betekent dat het verlies uit vervreemding van een aanmerkelijk belang als een negatief bestanddeel van het onzuiver inkomen moet worden meegenomen. Het gelijk is derhalve aan belanghebbende. Het belastbaar inkomen wordt derhalve berekend op Afl. 137.979 (Afl. 146.977 -/- Afl. 9.000).

4.15

Ingevolge artikel 24, lid 7 van de LIB worden de op de voet van artikel 11, lid 1, letter c LIB te belasten bestanddelen van het belastbaar inkomen belast naar een percentage van 25 percent. Deze bepaling voorziet in een heffing van 25 percent voor positieve voordelen (vervreemdingswinsten) uit aanmerkelijk belang. Anders dan belanghebbende voorstaat kan op basis van deze bepaling voor de berekening van de inkomstenbelasting, niet een bedrag 25% x Afl. 9.000 in mindering worden gebracht op de verschuldigde belasting. Het Gerecht merkt hierbij op dat volgens de Nederlandse aanmerkelijk belangregeling, verliesverrekening wel plaatsvindt door middel van een ‘tax credit’. Het verlies wordt tegen een vast tarief van 20% in aanmerking genomen (artikel 60 Wet IB). De Arubaanse regelgeving kent een dergelijke bepaling niet.

5 PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

5.1

Ingevolge artikel 15, lid 1 van de Landsverordening beroep in belastingzaken (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De regels over de (hoogte van de) vergoeding zijn neergelegd in het Landsbesluit proceskostenvergoeding in belastingzaken.

5.2

In artikel 1 van dit Landsbesluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op Afl. 1.400 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt Afl. 700, wegingsfactor 1).

5.3

Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 4, LBB, het betaalde griffierecht van twee keer Afl. 25 aan belanghebbende te vergoeden.

6 BESLISSING

Het Gerecht:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep tegen de uitspraak op bezwaar gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de aanslag inkomstenbelasting tot een aanslag naar een belastbaar inkomen van Afl. 137.979;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van Afl. 1.400; en

- draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van (totaal) Afl. 50 te vergoeden.

Deze uitspraak is gegeven door mr. D.J. Jansen, rechter, en is uitgesproken op 10 juni 2021, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.C.M.J. Bucx.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………….. aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:

belastinggriffieAUA@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

- natuurlijke personen: Afl. 75

- personenvennootschappen en rechtspersonen: Afl. 300