Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2021:255

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
26-05-2021
Datum publicatie
11-06-2021
Zaaknummer
AUA202100873
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (ex artikel 54 van de Lar) - Asiel - Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat verzoekers asielrelaas onvoldoende is om tot vluchtelingschap te concluderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 26 mei 2021

Lar nr. AUA202100873

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het verzoek in de zin van artikel 54 van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[Verzoeker],

van Venezolaanse nationaliteit,

VERZOEKER,

gemachtigde: de advocaat mr. M.B. Boyce,

gericht tegen:

DE MINISTER VAN JUSTITIE, VEILIGHEID EN INTEGRATIE,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mw. J. Harewood en dhr. S. Soekandar (DIMAS).

PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 23 januari 2021 (de bestreden beschikking) heeft verweerder de asielaanvraag van verzoeker afgewezen.

Tegen deze beschikking heeft verzoeker op 29 januari 2021 bezwaar gemaakt.

Op 31 maart 2021 heeft verzoeker bij dit gerecht een verzoekschrift ex artikel 54 van de Lar ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 12 mei 2021, alwaar zijn verschenen verzoeker (via videoverbinding) bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden voornoemd.

De uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

Het wettelijk kader

1.1

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang.

Ingevolge het tweede lid kan ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid, op het verzoek van genoemde indiener ook een voorlopige voorziening worden getroffen.

1.2

Het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag), aangepast bij het Protocol van New York, geeft in artikel 1A, aanhef en ten tweede, de volgende definitie van vluchteling: ‘Elke persoon die uit gegronde vrees voor vervolging wegens zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging, zich bevindt buiten het land waarvan hij de nationaliteit bezit, en die de bescherming van dat land niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil inroepen, of die, indien hij geen nationaliteit bezit en ten gevolge van bovenbedoelde gebeurtenissen verblijft buiten het land waar hij vroeger zijn gewone verblijfplaats had, daarheen niet kan of, uit hoofde van bovenbedoelde vrees, niet wil terugkeren’.

1.3

Ingevolge artikel 33, eerste lid, van het Vluchtelingenverdrag zal geen der Verdragsluitende Staten, op welke wijze ook, een vluchteling uitzetten of terugleiden naar de grenzen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd zou worden op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging.

1.4

Ingevolge artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) mag niemand worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

De feiten

2.1

Verzoeker is geboren op [datum] 1978 in Venezuela en heeft de Venezolaanse nationaliteit.

2.2

Verzoeker is op 5 oktober 2018 met de boot Aruba binnengekomen.

2.3

Verzoeker heeft op 5 maart 2019 een asielaanvraag ingediend.

2.4

Verzoeker is op 17 maart 2019 en 12 augustus 2019 door DIMAS gehoord. Verzoeker is nogmaals gehoord op 1 februari 2021.

De beoordeling

3. Voor zover de toetsing aan het in artikel 54 van de Lar neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van het gerecht een voorlopig karakter en is dat niet bindend in de bodemprocedure.

4. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerder bij bevel van 24 januari 2021 de uitzetting van verzoeker heeft bevolen, waarbij de vertrektermijn eveneens op 0 dagen is gesteld. De voorzieningenrechter overweegt dat hetgeen verzoeker in het onderhavige verzoek tegen de aangezegde vertrektermijn heeft aangevoerd, wat daar ook van zij, niet kan leiden tot een andere vertrektermijn. De voorzieningenrechter zal hetgeen tegen de vetrektermijn is aangevoerd derhalve niet verder beoordelen.

5.1

In geschil is de vraag of verzoekers bezwaar gericht tegen de afwijzing van zijn asielverzoek een redelijke kans van slagen heeft. Daartoe dient de voorzieningenrechter te beoordelen of verweerder terecht heeft geconcludeerd dat verzoeker bij terugkeer naar Venezuela geen gegronde vrees voor vervolging heeft en ook geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

5.2

Verzoeker stelt te vrezen voor vervolging door de Venezolaanse autoriteiten, en voert hiertoe – kort samengevat – aan dat dat hij van 2015 – 2017 politiek actief was voor de oppositiepartij Voluntad Popular. In 2016 is verzoeker tijdens de wegcontrole door de politie gestopt en daarbij zijn zijn documenten in beslag genomen. Verzoeker moest zijn paspoort in persoon ophalen, hetgeen hij uit angst niet heeft gedaan. In 2017 heeft verzoeker deelgenomen aan enkele manifestaties die uit de hand zijn gelopen, en waarbij de manifestanten, waaronder ook verzoeker, werden beschuldigd van brandstichting. De politie heeft een inval gedaan bij zijn ouders en daarbij persoonlijke documenten meegenomen. Verzoeker werkte als koelmonteur en het werd hem door de autoriteiten onmogelijk gemaakt te werken. Verzoeker vreest bij terugkeer te worden aangehouden, mishandeld en opgesloten vanwege zijn politieke activiteiten. Verzoeker heeft een schrijven overgelegd van de secretaris van Voluntad Popular waarin - kort gezegd - wordt verklaard dat verzoeker sinds 2015 actief lid is van deze partij.

5.3

Verweerder heeft in de bestreden beschikking de identiteit en nationaliteit van verzoeker aannemelijk geacht. Aan de afwijzing van de asielaanvraag heeft verweerder – kort samengevat – ten grondslag gelegd dat niet aannemelijk is geworden dat verzoeker gegronde vrees voor vervolging heeft. Verweerder voert ter zitting aan dat verzoekers verklaringen tegenstrijdigheden bevatten die afbreuk doen aan de geloofwaardigheid hiervan. Zo heeft verzoeker wisselend verklaard wanneer zijn paspoort is ingenomen. Tijdens zijn verhoren heeft hij verklaard dat zijn paspoort is ingenomen tijdens een wegcontrole in 2017, tijdens de zitting stelt hij dat zijn documenten in 2016 zijn ingenomen. Voorts heeft verzoeker verklaard dat zijn documenten in beslag zijn genomen bij een huiszoeking bij zijn ouders. Verzoeker verklaart voorts ook tegenstrijdig over zijn rol bij de politieke partij Voluntad Popular. Eerst heeft verzoeker verklaard dat hij mensen aanmoedigde bij demonstraties en later dat hij coördinator was en mensen moest vervoeren.

5.4

Nu verweerder in het bestreden besluit het asielrelaas van verzoeker geloofwaardig heeft geacht, zal de voorzieningenrechter beoordelen of verweerder terecht heeft geoordeeld dat het asielrelaas van verzoeker onvoldoende zwaarwegend is om te concluderen dat verzoeker gegronde vrees voor vervolging heeft danwel bij terugkeer een risico loopt op een behandeling strijdig met artikel 3 EVRM.

5.5

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat verzoekers asielrelaas onvoldoende is om tot vluchtelingschap te concluderen. Uit de verklaringen van verzoeker kan niet de conclusie worden getrokken dat verzoeker in de negatieve belangstelling staat van de Venezolaanse autoriteiten. Verzoeker is in oktober 2018 Aruba per boot binnengekomen en heeft eerst, nadat hij in verband met zijn illegaal verblijf was aangehouden, op 15 maart 2019 asiel aangevraagd. Dit doet ernstig afbreuk aan de gestelde gegronde vrees voor vervolging. Verzoeker heeft voorts met zijn verklaringen niet aannemelijk gemaakt dat hij door zijn betrokkenheid bij de oppositiepartij Voluntad Popular in de negatieve belangstelling van de autoriteiten is komen te staan. Daarbij is van belang dat verzoeker bij deze partij en de manifestaties geen prominente rol heeft gespeeld. Verder blijkt uit de verklaringen van verzoeker niet dat hij vanwege zijn activiteiten problemen heeft ondervonden. Verzoeker heeft weliswaar verklaard dat hij tijdens een wegcontrole in september 2016 is gestopt door de politie waarbij zijn paspoort, rijbewijs en identiteitsbewijs in beslag zijn genomen. Echter verzoeker heeft op geen enkele manier aannemelijk gemaakt dat de inname van zijn documenten in causaal verband staat met zijn politieke activiteiten. Dit klemt des te meer nu verzoeker na een uur is vrijgelaten en zijn weg kon vervolgen, hetgeen niet duidt op een specifieke negatieve belangstelling van de autoriteiten voor de persoon van verzoeker. Verzoeker heeft voor het overige over de huiszoeking bij zijn ouders dermate vaag en wisselend verklaard, dat hieruit evenmin is af te leiden dat er sprake is van vervolging wegens zijn politieke activiteiten. Het betoog van verzoeker dat overheidsfunctionarissen het hem onmogelijk hebben gemaakt te werken, is eveneens algemeen en zo weinig specifiek dat dit niet kan leiden tot de conclusie dat verzoeker gegronde vrees voor vervolging heeft. De door verzoeker overgelegde brief van de secretaris van Voluntad Popular, maakt dat niet anders. Uit deze brief kan worden opgemaakt dat verzoeker actief is voor de partij maar de brief biedt voor het overige geen steun aan verzoekers asielrelaas. De brief is in algemene bewoordingen opgesteld en bevat geen bevestiging van enig incident dat op vervolging van verzoeker duidt.

5.6

Verweerder heeft zich voorts niet ten onrecht op het standpunt gesteld dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat de algemene veiligheidssituatie in Venezuela zo slecht is dat hij reeds om die reden niet naar zijn land van herkomst kan terugkeren. Hoewel de veiligheidssituatie in Venezuela zorgelijk is, is er geen sprake van een situatie waarbij een burger louter door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. Niet is gebleken van een zodanige mate van geweld dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat verzoeker bij terugkeer naar Venezuela aldaar enkel door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt slachtoffer te worden van geweld. Uit het Algemeen Ambtsbericht betreffende Venezuela van juni 2020 van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken volgt dat er in Venezuela geregeld mensenrechtenschendingen voorkomen, dat de veiligheidssituatie precair is, en dat er sprake is van een humanitaire crisis, maar van een intern gewapend conflict is geen sprake. Er is dus geen sprake van een ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict. Uit de arresten M.S.S t. België en Griekenland (ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609) en Sufi en Elmi t. het Verenigd Koninkrijk (ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907) van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens kan worden afgeleid dat sociaaleconomische en humanitaire omstandigheden slechts in uitzonderlijke omstandigheden leiden tot de conclusie dat er sprake is van een schending van artikel 3 van het EVRM. Alhoewel de situatie in Venezuela zorgelijk is, kan niet worden aangenomen dat verzoeker een reëel risico loopt dat hij, buiten zijn eigen wil en keuzen om, bij terugkeer persoonlijk te maken krijgt met een situatie van ernstige materiële deprivatie die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid. Verzoeker heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van de humanitaire situatie in Venezuela een reëel risico loopt op schending van artikel 3 van het EVRM.

6. Gezien het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat de afwijzende beschikking van verzoekers asielverzoek, al dan niet met een aanvullende motivering, naar redelijke verwachting in bezwaar in stand zal blijven. Er is dan ook geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek wordt afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven door mr. M. Soffers, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter terechtzitting van 26 mei 2021 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.