Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2021:251

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
19-05-2021
Datum publicatie
11-06-2021
Zaaknummer
AUA202100693
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening (ex artikel 54 van de Lar) - Bouwaanvraag voor het bouwen van een hotel te Seroe Colorado - Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder op goede gronden het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard. De bestreden beslissing zal in de bodemprocedure naar alle waarschijnlijkheid in stand blijven. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is dan ook geen aanleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 19 mei 2021

AUA202100693 LAR

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het verzoek in de zin van artikel 54 van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

1. [Verzoeker 1],

2. [Verzoeker 2],

3. [Verzoeker 3],

4. [Verzoeker 4],

5. [Verzoeker 5],

6. [Verzoeker 6],

7. [Verzoeker 7],

8. [Verzoeker 8],

9. [Verzoeker 9],

10. [Verzoeker 10],

Allen wonend in Aruba,

VERZOEKERS,

gemachtigden: de advocaten mr. M.B. Boyce en mr. D.G. Kock,

gericht tegen:

DE MINISTER VAN RUIMTELIJKE ONTWIKKELING, INFRASTRUCTUUR EN MILIEU,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. V.M. Emerencia en mr. C.L. Geerman (DWJZ).

Als derde-belanghebbende wordt aangemerkt:

[de VBA], hierna: [de VBA],

gevestigd in Aruba,

gemachtigde: de advocaat mr. A.A. Ruiz.

PROCESVERLOOP

Op 14 november 2019 heeft [de VBA], onder bouwaanvraagnummer [nummer], een bouwvergunning aangevraagd voor het bouwen van een hotel (hotel plans) te Seroe Colorado.

Bij beschikking van 28 mei 2020 heeft verweerder naar aanleiding van voornoemde bouwvergunningsaanvraag aan [de VBA] een bouwvergunning verleend, die op 9 oktober 2020 feitelijk is afgegeven.

Hiertegen hebben verzoekers [verzoeker 1] (sub 1) en [verzoeker 10] (sub 10), hierna samen te noemen: de bezwaarden, op 21 oktober 2020 bezwaar gemaakt, door indiening van een pro-forma bezwaarschrift.

Bij beslissing van 9 maart 2021 (de bestreden beslissing) heeft verweerder het bezwaarschrift van 21 oktober 2020 van bezwaarden, niet-ontvankelijk verklaard.

Verzoekers hebben op 11 maart 2021 bij dit gerecht, onderhavig verzoek ex artikel 54 van de Lar, ingediend.

Op 15 april 2021 hebben verzoekers bij dit gerecht beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar van 9 maart 2021.

Het gerecht heeft het onderhavige verzoek ter zitting behandeld op 5 mei 2021, alwaar zijn verschenen verzoekers [verzoeker 1] en mr. M.B. Boyce in persoon, bijgestaan door mr. D.G. Kock voornoemd en de deskundige [naam deskundige], en de andere verzoekers bij de gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden voornoemd. Ter zitting waren ook aanwezig, mr. M. Kock en mr. A. Caster, juristen werkzaam bij de DIP, en de heer [persoon Y], technisch juridisch medewerker werkzaam bij de DOW.

Voor de derde-belanghebbende is verschenen de directeur, de heer [persoon Z], bijgestaan door de gemachtigde voornoemd.

Uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1.1

Ingevolge artikel 54, eerste lid, van de Lar, kan, indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang.

Ingevolge het tweede lid van genoemd artikel kan ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid, op het verzoek van genoemde indiener ook een voorlopige voorziening worden getroffen.

1.2

Tegen de beslissing op bezwaar van 9 maart 2021 hebben verzoekers op 15 april 2021, derhalve binnen de beroepstermijn, beroep ingesteld. Nu ten tijde van de behandeling van onderhavig verzoek ex artikel 54 van de Lar, een beroepschrift aanhangig was, is dit gerecht bevoegd te beslissen op dit verzoek.

2.1

Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Lar kan degene die door een beschikking rechtstreeks in zijn belang is getroffen, het bestuursorgaan verzoeken de beschikking in heroverweging te nemen, tenzij deze op bezwaar is genomen.

2.2

Ingevolge artikel 13, eerste lid dient het bezwaarschrift ten minste te bevatten:

a. de naam en het adres van de indiener en, indien het bezwaarschrift namens deze door een gemachtigde wordt ingediend, de naam en het adres van de gemachtigde;

b. een aanduiding van de beschikking waartegen het bezwaar zich richt, indien mogelijk onder overlegging van een afschrift daarvan;

c. de gronden waarop het bezwaar berust;

d. (…)

2.3

Voor zover hier van belang wordt, ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Lar, de indiener van het bezwaarschrift, indien niet is voldaan aan enig bij wettelijk voorschrift gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaarschrift, in de gelegenheid gesteld het verzuim binnen een bepaalde termijn te herstellen. Indien het verzuim niet of niet volledig wordt hersteld, kan het bestuursorgaan op grond van artikel 14, tweede lid, van de Lar het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaren.

2.4

Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Lar kan degene die rechtsreeks in zijn belang is getroffen door een op een bezwaarschrift genomen beslissing, daartegen beroep instellen bij het gerecht.

3.1

Het onderhavige verzoek strekt tot schorsing van de aan [de VBA] verleende bouwvergunning, totdat in hoogste instantie op het daartegen gemaakte bezwaar is beslist. Ter beantwoording ligt dan voor de vraag of de onmiddellijke uitvoering van de bestreden beslissing op bezwaar voor verzoekers een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang, en dat ter voorkoming van zulks nadeel een voorlopige voorziening dient te worden getroffen.

3.2

Voor zover toetsing aan het in artikel 54, eerste lid, van de Lar neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in de bodemprocedure.

3.3

Beoordeeld dient te worden of er een aanmerkelijke kans bestaat dat de bestreden beslissing op bezwaar in beroep niet in stand zal blijven. Het gerecht acht in dit geval deze aanmerkelijke kans op succes voor verzoekers niet aanwezig en overweegt daartoe als volgt.

4. In dit geval is gebleken dat het (pro-forma) bezwaarschrift van de bezwaarden niet de gronden bevat waarop hun bezwaar rust. Verder staat vast dat verweerder de bezwaarden bij brief van 3 november 2020 in de gelegenheid heeft gesteld om binnen twee weken na dagtekening, derhalve uiterlijk 17 november 2020, de gronden waarop het bezwaar rust in te dienen, en dat de bezwaarden vervolgens pas op 3 februari 2021 hieraan hebben voldaan.

5.1

Uit artikel 14, tweede lid van de Lar volgt, dat verweerder het bezwaar, indien het verzuim niet binnen de gestelde termijn is hersteld, niet-ontvankelijk kan verklaren. Van deze bevoegdheid heeft verweerder gebruik gemaakt, terwijl niet is gebleken dat verweerder hiervan geen gebruik heeft mogen maken. Dat de bezwaarden op 23 november 2020 om uitstel hebben verzocht voor het herstellen van het verzuim, kan niet tot een ander oordeel leiden, nu dat verzoek is gedaan na het verstrijken van de hen gestelde termijn, en bezwaarden geen welwillend antwoord op dat verzoek hebben ontvangen. Het is niet aan de indiener van een bezwaarschrift om zelf te bepalen wanneer hij een verzuim zal herstellen. Die bevoegdheid komt uitdrukkelijk alleen toe aan het bestuursorgaan.

5.2

Verzoekers hebben verder betoogd dat verweerder, in weerwil van hetgeen is bepaald in artikel 14, tweede lid, van de Lar, het bezwaarschrift niet binnen een week na ontvangst van het verzoek van 23 november 2020 niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het gerecht begrijpt dat verzoekers hiermee beogen te betogen, dat de bestreden beslissing daarom in beroep zeer waarschijnlijk niet in stand zal blijven.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vloeit uit het bepaalde in artikel 14, tweede lid, van de Lar niet voort dat verweerder na het verloop van de in die bepaling gestelde termijn niet langer bevoegd is het bezwaarschrift niet-ontvankelijk te verklaren of dat verweerder van deze bevoegdheid redelijkerwijs geen gebruik meer kan maken. Uit de Memorie van Toelichting volgt immers dat het bestuursorgaan, indien de gestelde termijn is verstreken, het bezwaar dient voor te leggen aan de bezwaaradviescommissie die dan alsnog kan adviseren het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.

6. Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat verweerder, naar het oordeel van de voorzieningenrechter, op goede gronden het bezwaarschrift niet-ontvankelijk heeft verklaard. De bestreden beslissing zal in de bodemprocedure naar alle waarschijnlijkheid in stand blijven. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is dan ook geen aanleiding.

7. Het verzoek zal daarom worden afgewezen.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 mei 2021 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.