Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2021:248

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
26-05-2021
Datum publicatie
11-06-2021
Zaaknummer
AUA202100982
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort Geding. De arbeidscontractant had naar het voorshandse oordeel van het Gerecht de mededeling van 23 november 2020 van de secretaris van de ministerraad niet anders kunnen begrijpen dan als een opzegging van de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2021. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is om die reden met ingang van 1 februari 2021 rechtsgeldig beëindigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 26 mei 2021

Behorend bij K.G. nr. AUA202100982

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[naam eiseres],

wonend in Aruba,

eiseres,

hierna te noemen: [eiseres],

gemachtigde: de advocaat mr. P.M.E. Mohamed,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

HET LAND ARUBA,

zetelend in Aruba,

gedaagde,

hierna te noemen: het Land,

gemachtigde: mr. Y.F.M. Kaarsbaan (DWJZ).

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties, ingediend op 12 april 2021;

- de brief van het Land met producties, ingediend op 6 mei 2021;

- de pleitaantekeningen van partijen;

- de mondelinge behandeling op 7 mei 2021, waarbij zijn verschenen [eiseres] in persoon bijgestaan door haar gemachtigde en het Land vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigde.

1.2

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1 [

eiseres] is op basis van een arbeidsovereenkomst van 9 mei 2018, met ingang van 20 november 2017 en voor de duur van de regeerperiode van het kabinet Wever-Croes, in de functie van communicatiemedewerker in dienst van het Land getreden (hierna: de arbeidsovereenkomst).

2.2

In de arbeidsovereenkomst staat, voor zover van belang:

OVERWEGENDE ,

dat op grond van artikel 22, eerste en tweede lid van de Comptabiliteitsverordening 1989 (…), de minister, namens het Land, privaatrechtelijke overeenkomsten kan aangaan, voor een periode van niet langer dan vijf jaren;

dat de werkgever met de werknemer een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht aangaat;

dat op grond van artikel 7A:1613y tweede lid van het Burgerlijk Wetboek van Aruba, de bepalingen van de Zevende Titel A van het Burgerlijk Wetboek van Aruba niet van toepassing zijn op de personen in dienst van de overheid, tenzij deze bepalingen uitdrukkelijk in deze overeenkomst van toepassing worden verklaard.

VERKLAREN

het volgende te zijn overeengekomen:

Artikel 1. Looptijd

(…)

3. Zowel de werkgever als de werknemer kan de arbeidsovereenkomst tussentijds

opzeggen met inachtneming van een opzegtermijn van één (1) maand. (…).”

2.3 [

eiseres] is met ingang van 12 juni 2020 overgeplaatst in de functie van Medior Inhoudelijk Adviseur bij het Ministerie van Ruimtelijke Ontwikkeling, Infrastructuur en Planning voor de regeerperiode van het kabinet Wever-Croes.

2.4

In een e-mailbericht van 22 oktober 2020 van de secretaris van de ministerraad aan onder meer [eiseres] staat, voor zover van belang:

En conexion cu retiro di sra [naam minister] como ministro, mi ta informa e personal di Bureau MinROIM pa keda cas entrante majan y den proximo dianan Ministro Presidente lo duna boso informacion mas concreto con lo sigui. (…)”.

2.5

Vanaf 23 oktober 2020 heeft [eiseres] niet meer gewerkt.

2.6

Op 25 november 2020 bericht de secretaris van de ministerraad via whatsapp aan [eiseres] dat de ministerraad heeft besloten om de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 januari 2021 te beëindigen:

2.7

Bij brief van 23 maart 2021 bericht het Land aan [eiseres] dat de ministerraad op 24 november 2020 heeft besloten dat naar aanleiding van het ontslag van minister [naam minister] en met inachtneming van de geldende opzegtermijn van een maand, die aanvangt op 1 januari 2021, de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 1 februari 2021 wordt beëindigd. Verder bericht het Land aan [eiseres] dat [eiseres] reeds op 25 november 2020 door de secretaris van de ministerraad mondeling is geïnformeerd over deze beslissing van de ministerraad.

2.8 [

eiseres] heeft vanaf maart 2021 geen loon meer ontvangen.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [

eiseres] vordert dat het Gerecht, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, het Land veroordeelt om tegen kwijting aan [eiseres] haar loon door te betalen vanaf maart 2021 totdat de arbeidsovereenkomst op rechtsgeldige wijze zal zijn beëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging ex artikel 7A:1614q BW en de wettelijke rente vanaf de opeisbaarheid daarvan tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van het Land tot betaling van de proceskosten.

3.2

Aan de vordering legt [eiseres] ten grondslag dat het Land de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig heeft opgezegd. Daartoe stelt [eiseres] dat de beslissing van de ministerraad geen opzeggingshandeling betreft, maar enkel een mededeling inhoud dat zij met ingang van de volgende dag thuis moet wachten op nadere concrete instructies. Voor zover deze beslissing een opzeggingshandeling betreft, dan betwist [eiseres] dat zij over deze beslissing mondeling is geïnformeerd. Verder stelt [eiseres] dat de brief van 23 maart 2021 enkel een bevestiging van een opzeggingshandeling betreft die volgens haar nimmer heeft plaatsgevonden. Volgens [eiseres] heeft zij nimmer een opzeggingsbrief ontvangen en is de arbeidsovereenkomst tussen partijen om die reden nog van kracht.

3.3

Het Land heeft gemotiveerd verweer gevoerd, strekkende tot afwijzing van de vordering en veroordeling van [eiseres] tot betaling van de proceskosten.

3.4

Het Land voert in dit verband aan dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is opgezegd. Volgens het Land is de arbeidsovereenkomst op 23 november 2020 via whatsappbericht opgezegd, welke opzegging bij brief van 23 maart 2021 is bevestigd.

4 DE BEOORDELING

4.1

Het spoedeisend belang van [eiseres] bij de gevraagde voorziening is door het Land niet weersproken en blijkt ook uit de aard van de vordering.

4.2

De vraag die voorligt is of vooruitlopend op het oordeel van de bodemrechter voldoende aannemelijk is dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is opgezegd. Het Gerecht beantwoord deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

4.3

Voorop wordt gesteld dat partijen een arbeidsovereenkomst naar Burgerlijk recht zijn aangegaan, waarop de bepalingen van de zevende Titel A van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing zijn, tenzij deze uitdrukkelijk zijn overeengekomen. Partijen hebben in de arbeidsovereenkomst afgesproken dat zij de arbeidsovereenkomst over en weer met inachtneming van een termijn van één maand kunnen opzeggen. Opzegging kan in de rechtsverhouding tussen partijen zowel mondeling als schriftelijk gebeuren. Wil de opzegging effect hebben dan moet deze de wederpartij hebben bereikt.

4.4

Vast staat tussen partijen dat [eiseres] het whatsapp bericht van 23 november 2020 van de secretaris van de ministerraad heeft ontvangen. In dit bericht wordt [eiseres] geïnformeerd dat besloten is dat de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2021 wordt opgezegd. [eiseres] heeft vanaf 23 oktober 2020 ook niet meer gewerkt. Anders dan [eiseres] stelt is een opzeggingshandeling in de verhouding tussen partijen niet gebonden aan een vormvereiste. Ook valt niet in te zien dat, zoals [eiseres] betoogt, de secretaris van de ministerraad onbevoegd is om opzeggingshandelingen te communiceren richting de werknemer, reeds omdat de secretaris dat kennelijk namens de ministerraad heeft gedaan.

4.5

Gelet op het vorenstaande had [eiseres] naar het voorshandse oordeel van het Gerecht de mededeling van 23 november 2020 van de secretaris van de ministerraad niet anders kunnen begrijpen dan als een opzegging van de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2021. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is om die reden met ingang van 1 februari 2021 rechtsgeldig beëindigd.

4.6

Een en ander leidt tot de conclusie dat de vorderingen van [eiseres] zullen worden afgewezen.

4.7

Als de in het ongelijk te stellen partij zal [eiseres] in de proceskosten van het Land worden veroordeeld. Nu het Land zich heeft doen vertegenwoordigen door een ambtenaar in zijn dienst, zullen de kosten op nihil worden begroot.

5 DE UITSPRAAK

Het Gerecht, recht doende in kort geding:

5.1

wijst de vorderingen van [eiseres] af;

5.2

veroordeelt [eiseres] in de kosten van deze procedure, gemaakt door het Land, tot op

heden begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 26 mei 2021 in aanwezigheid van de griffier.

Datum uitspraak: 26 mei 2021

Instantie: Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Zaaknummer: K.G. nr. AUA202100982

Inhoudsindicatie: Kort Geding. De arbeidscontractant had naar het voorshandse oordeel van het Gerecht de mededeling van 23 november 2020 van de secretaris van de ministerraad niet anders kunnen begrijpen dan als een opzegging van de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2021. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is om die reden met ingang van 1 februari 2021 rechtsgeldig beëindigd.

Formele relaties (optioneel):

Rechtsgebieden: Civiel

Rechter: mr. M.E.B. de Haseth

Bijzondere kenmerken: