Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2021:245

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
31-05-2021
Datum publicatie
10-06-2021
Zaaknummer
AUA202101125
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Klaagschrift als bedoeld in artikel 25 van de Landsverordening justitiƫle documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (hierna: de Lv Vog) - Het gerecht is, in aanmerking genomen de recente veroordeling van klager, alsmede de aard en de ernst van het delict, te weten opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onder A, van de Landsverordening Verdovende Middelen, van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat hem is gebleken van bezwaren tegen de persoon van klager, gelet op het doel, waarvoor de afgifte is verzocht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 31 mei 2021

AUA202101125 VOG

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

op het klaagschrift als bedoeld in artikel 25 van de Landsverordening justitiƫle documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (hierna: de Lv VOG) van:

[Klager],

wonend in Aruba,

KLAGER,

procederend in persoon,

gericht tegen de beschikking van 19 april 2019 van:

de aangewezen ambtenaar als bedoeld in artikel 14 van de Lv VOG,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER.

PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 19 april 2021 heeft verweerder het verzoek van klager om afgifte van een verklaring omtrent het gedrag afgewezen.

Op 23 april 2021 heeft klager daartegen een klaagschrift ingediend.

Het gerecht heeft de zaak behandeld in raadkamer op 17 mei 2021, waar klager en verweerder zijn verschenen.

Uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1.1

Ingevolge artikel vijf, eerste lid, van de Lv VOG wordt een strafblad uit het strafregister verwijderd na verloop van een termijn van vier jaren. Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, beloopt de termijn acht jaren, indien bij de veroordeling is opgelegd gevangenisstraf.

1.2

Ingevolge artikel 7, eerste lid, wordt de in artikel 5 bedoelde termijn verlengd met de bij de uitspraak bepaalde duur van de opgelegde vrijheidsstraf met uitzondering van de straf of het gedeelte daarvan ten aanzien waarvan de rechter heeft bepaald dat het niet zal worden tenuitvoergelegd en een last tot herroeping niet is gegeven.

1.3

Ingevolge artikel 15, tweede lid, houdt een verklaring omtrent het gedrag niet anders in dan dat de aangewezen ambtenaar uit het onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokkene ingesteld, gelet op het doel waarvoor de afgifte is gevraagd, niet is gebleken van bezwaren tegen die persoon.

1.4

Ingevolge artikel 22, eerste lid, geeft de aangewezen ambtenaar een verklaring omtrent het gedrag slechts af wanneer hem uit een onderzoek met betrekking tot het gedrag van de betrokkene niet is gebleken van bezwaren tegen die persoon. In alle andere gevallen weigert hij de gevraagde verklaring af te geven.

1.5

Ingevolge artikel 23, eerste lid, mag de aangewezen ambtenaar, voor zover thans van belang, bij zijn onderzoek uitsluitend acht slaan op:

a. de uittreksels uit de strafregisters die hem ten aanzien van de betrokkene verstrekt worden;

b. gegevens ontleend aan de registers van de politie;

c. andere schriftelijke bescheiden welke hem in verband met de afgifte van de verklaring omtrent het gedrag ter beschikking zijn gesteld.

Standpunten van partijen

2.1

Aan de bestreden beschikking heeft verweerder, kort samengevat en zakelijk weergegeven, ten grondslag gelegd dat klager op 20 november 2020 is veroordeeld voor het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onder A, van de Landsverordening verdovende middelen. Hierbij is een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van vierentwintig maanden, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Het strafblad van klager vormt volgens verweerder een belemmering voor de functie waarvoor deze is aangevraagd, te weten kassier bij een Casino.

2.2

Klager kan zich met de bestreden beschikking niet verenigen en heeft daar, kort samengevat en zakelijk weergegeven, tegen aangevoerd dat hij de weigering een VOG af te geven als een dubbele straf ervaart. Klager geeft aan zijn straf te hebben uitgezeten en een proeftijd te hebben. Door daarbovenop ook de VOG te weigeren, waardoor klager niet in aanmerking kan komen voor een goede baan, wordt klager te zwaar gestraft. Klager heeft een werkgever gevonden die vertrouwen in hem heeft en hij verzoekt een kans.

Beoordeling

3.1

Bij de beoordeling of er, gelet op het doel waarvoor een VOG wordt verzocht, sprake is van bezwaren tegen de afgifte van een dergelijke verklaring, dient een belangenafweging plaats te vinden waarbij rekening dient te worden gehouden met alle omstandigheden van het geval.

3.2

Het gerecht is, in aanmerking genomen de recente veroordeling van klager van 20 november 2020, alsmede de aard en de ernst van het delict, te weten opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onder A, van de Landsverordening Verdovende Middelen, van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat hem is gebleken van bezwaren tegen de persoon van klager, gelet op het doel, waarvoor de afgifte is verzocht. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat klager recent is veroordeeld, dat hij per 1 april 2021 is ontslagen uit het Correctie Instituut van Aruba en dat zijn proeftijd nog niet is verstreken. Voorts heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ten aanzien van de betrouwbaarheid en integriteit van personen die als kassier werkzaam zijn hoge eisen dienen te worden gesteld. Onder deze omstandigheden was verweerder ingevolge artikel 22, eerste lid, van de Lv VOG gehouden te weigeren de gevraagde verklaring af te geven.

3.2

Gelet op het voorgaande zal de klacht ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. M. Soffers, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 mei 2021 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze beschikking staat geen hoger beroep open (artikel 28, derde lid, van de Lv VOG).