Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2021:200

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
13-04-2021
Datum publicatie
25-05-2021
Zaaknummer
AUA202001650
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging - Verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging - Het gerecht overweegt dat verweerder in casu het belang van de minderjarige in het kader van artikel 3 van het IVRK en artikel 8 van het EVRM bij zijn besluitvorming heeft betrokken. Het gerecht is voorts van oordeel dat de voor de door verweerder te verrichten belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden geen grond bieden voor het oordeel dat de handhaving van de afwijzingen van de aanvragen een schending inhoudt van artikel 8 van het EVRM. Daarbij neemt het gerecht in aanmerking dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er objectieve belemmeringen bestaan voor het uitoefenen van het gezinsleven buiten Aruba, dan wel of de uitoefening van het gezinsleven in het land van hun herkomst leidt tot een 'certain degree of hardship.' Dat aan appellante een verblijfsvergunning is verleend, maakt niet dat daarmee een vrije domiciliekeuze is gegeven voor het verblijf van haar kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 13 april 2021

Lar nr. AUA202001650

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[Appellante]

APPELLANTE, in hoedanigheid van wettelijke vertegenwoordiger van

[de minderjarige],

verblijvend in Aruba,

gemachtigde: de advocaat mr. Z.J.E. Paesch,

gericht tegen:

de Minister van Justitie, Veiligheid en Integratie,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. J. Paula (DIMAS).

PROCESVERLOOP

Bij beschikking van 21 januari 2020 heeft verweerder een aanvraag voor een vergunning tot tijdelijke verblijf in het kader van gezinshereniging ten behoeve van de minderjarige voornoemd (de minderjarige), afgewezen.

Daartegen heeft appellante op 2 maart 2020 bezwaar gemaakt.

Tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar heeft appellante op 13 juli 2020 beroep ingesteld bij dit gerecht.

De zaak is behandeld ter zitting behandeld op 22 februari 2021, alwaar zijn verschenen appellante bijgestaan door haar gemachtigde voornoemd en mr. D.C.A. Crouch, en verweerder vertegenwoordigd door mr. M. van Wilgen occuperende voor mr. J. Paula.

De uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1.1

Bij beschikking van 1 december 2020 heeft verweerder alsnog op het bezwaarschrift van appellante van 2 maart 2020 beslist en dat bezwaarschrift ongegrond verklaard. Een afschrift van deze beschikking heeft verweerder bij schrijven van 10 december 2020 overgelegd. Verweerder heeft hierbij tevens betoogd dat daar hij bij beschikking van 1 december 2020 alsnog op het bezwaar van appellante heeft beslist, het beroep tegen het uitblijven van een beschikking op het bezwaar niet-ontvankelijk dan wel ongegrond dient te worden verklaard.

1.2

Volgens vaste rechtspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (onder meer de uitspraak van 20 november 2015, ECLI:NL:OGHACMB:2015:33) dient, indien na het instellen van beroep tegen het uitblijven van een beschikking op bezwaar alsnog een reële beschikking wordt gegeven waarbij het bezwaar geheel of gedeeltelijk ongegrond wordt verklaard en tegen die reële beschikking geen beroep is ingesteld, het gerecht het beroep tegen het met een afwijzende beschikking gelijkgestelde uitblijven van een beschikking op het gemaakte bezwaar te beoordelen aan de hand van de daartegen gedurende de procedure aangevoerde inhoudelijke gronden. In geval van vernietiging van de fictieve afwijzing kan dit ertoe leiden dat het betrokken bestuursorgaan in de zaak moet voorzien op een wijze die ook betekenis heeft voor de reële beschikking, ook al is daartegen geen beroep ingesteld. De desbetreffende partij houdt onder die omstandigheden dan ook procesbelang bij het beroep tegen de fictieve afwijzing.

1.3

Bij voormelde beschikking heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en de afwijzing gehandhaafd. Desgevraagd is zijdens appellante ter zitting te kennen gegeven dat daartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend. Onder deze omstandigheden behoudt appellant procesbelang bij het beroep tegen het uitblijven van een beschikking op het bezwaar. Het gerecht zal dat beroep beoordelen aan de hand van de tegen het uitblijven van een beschikking op het bezwaar gedurende de procedure aangevoerde inhoudelijke gronden (zie GHvJ 20 november 2015, ECLI:NL:OGHACMB:2015:33).

Het wettelijk kader

2.1

Ingevolge artikel 6, eerste lid van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu) wordt behalve in de artikelen 1 en 3 vermelde personen, niemand in Aruba toegelaten zonder een vergunning tot tijdelijk verblijf of tot verblijf.

2.2

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu), kan een verzoek om verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf door of namens de minister, belast met vreemdelingenzaken, worden geweigerd indien niet kan worden aangetoond dat de betrokkene over voldoende middelen van bestaan zal beschikken.

2.3

Ten aanzien van gezinshereniging van minderjarigen hanteert verweerder als beleid (zie Toelatingshandboek DIMAS 2018, paragraaf 1.1.1.1 www.overheid.aw) dat aan minderjarige kinderen die feitelijk behoren tot het gezin van een hoofdpersoon met een verblijfsvergunning voor onbepaalde een vergunning in het kader van gezinshereniging kan worden afgegeven mits de hoofdpersoon kan aantonen te beschikken over het bepaalde minimale inkomen voor een gezin zoals vastgesteld. Het te bepalen minimale inkomen wordt op het moment van de inwerkingtreding van het onderhavige beleid gelijk gesteld aan het vastgesteld bestaansminimum van de CBS (2015) ten bedrage van Afl. 2040,-.

2.4

Verder geldt als beleid dat een vreemdeling die een eerste aanvraag voor een vergunning tot tijdelijk verblijf heeft ingediend, de beslissing op zijn aanvraag in het buitenland moet afwachten. Indien de vreemdeling (in het verleden) in strijd met de LTUV in Aruba is verbleven kan zijn aanvraag worden afgewezen, doch de gronden voor de eventuele achterwege laten van een dergelijke afwijzing zijn als volgt:

1. Voor verzoeken ten behoeve van de afgifte van een vergunning in het kader van gezinshereniging met betrekking tot de echtgenoten en minderjarige kinderen waarvan de hoofdaanvrager met een geldige legale status ten behoeve van zijn familieleden een verzoek tot gezinshereniging heeft ingediend waarbij hij heeft voldaan aan het vastgestelde minimale vergunningsduur en het geldende inkomensvereiste, mits de vreemdelingen zich op de datum van de aanvraag op hun verzoek in Aruba bevinden op grond van een op dat moment geldige toeristisch verblijf (zie Toelatingshandboek DIMAS 2018, B.2).

Het geschil

3. Ter beantwoording ligt voor de vraag of verweerder op goede gronden de vergunningsaanvraag ten behoeve van de minderjarige heeft afgewezen. Bij de beantwoording neemt het gerecht het volgende in aanmerking.

De feiten

4.1

De minderjarige, van Jamaicaanse nationaliteit, verblijft sinds 17 december 2012 zonder verblijfstitel in Aruba.

4.2

Appellante heeft ten behoeve van de minderjarige een aanvraag voor een vergunning tot tijdelijke verblijf in het kader van gezinshereniging ingediend.

4.3

Bij beschikking van 21 januari 2020 heeft verweerder de vergunningsaanvraag afgewezen.

4.4

Daartegen heeft appellante op 2 maart 2020 bezwaar gemaakt.

4.5

Bij bestreden beslissing op bezwaar van 1 december 2020 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. In deze beslissing heeft verweerder onder meer het volgende overwogen:

“(…)

Bij de indiening van uw verzoek is niet aan alle vereiste documenten voldaan.

Uit ingestelde onderzoek blijkt dat u zich in Aruba verblijft sinds 17 december 2012. U verblijft alhier zonder in het bezit te zijn van een geldige verblijfstitel.

Conform vast beleid dient de beslissing op het eerste verzoek om een verblijfsvergunning te verkrijgen steeds in het buitenland afgewacht te worden.

Uw garantsteller mevrouw [appellante] voldoet niet aan het vastgesteld bestaansminimum ten bedrage van f. 2040,- per maand.

Illegaal verblijvende kinderen die de school bezoeken, kunnen op grond daarvan geen recht op een vergunning tot tijdelijk verblijf verkrijgen.

(…).”

De beoordeling

5.1

Niet in geschil is dat de minderjarige sinds 2012 zonder een geldige verblijfstitel bij appellante in Aruba verblijft. Evenmin is in geschil dat in het onderhavige geval sprake is van een eerste aanvraag ter verlening van een verblijfsvergunning in het kader van gezinshereniging ten behoeve van de minderjarige, en dat de minderjarige niet heeft voldaan aan het bij beleid gestelde vereiste om de beslissing op de eerste aanvraag in het buitenland af te wachten (het uitlandigheidsvereiste).

5.2

Het uitlandigheidsvereiste strekt ertoe te voorkomen dat de minister voordat deze kan beoordelen of een vreemdeling aan alle voor toelating gestelde eisen voldoet, door diens aanwezigheid hier te lande voor voldongen feiten wordt geplaatst. Aanvragen van vreemdelingen voor eerste toelating tot Aruba dienen daarom in principe in het buitenland te worden afgewacht. De toetsing of verweerder al dan niet op dat beleid een uitzondering had moeten maken, is een terughoudende, waarmee de vraag is of verweerder in redelijkheid heeft kunnen besluiten in het onderhavige geval geen uitzondering te maken op het uitlandigheidsvereiste.

5.3

Appellante heeft als bijzondere omstandigheid aangevoerd dat de minderjarige in haar land van herkomst geen familie heeft die haar de nodige verzorging en opvoeding kan geven. Appellante heeft ter zitting voorts als bijzondere omstandigheid aangevoerd dat de minderjarige momenteel in de examenklas zit en dat zij de verzochte vergunning nodig heeft om haar diploma te kunnen krijgen.

5.4

Het gerecht is van oordeel dat verweerder in redelijkheid heeft kunnen concluderen dat de gestelde omstandigheden niet dermate bijzonder zijn dat deze op humanitaire gronden aanleiding geven een uitzondering te maken op het uitlandigheidsvereiste.

5.5

Voorts is niet in geschil dat appellante niet beschikt over voldoende middelen van bestaan, te weten een netto inkomen van minimaal Afl 2040,- per maand. Appellante meent dat verweerder haar niet kan tegenwerpen dat zij niet voldoet aan het middelenvereiste omdat zij maar Afl 100,- minder dan het vereiste minimum verdient. Appellante voert voorts aan dat zij verder financieel wordt gesteund door haar familieleden, en dat haar ouders de kosten van haar huisvesting betalen. Dit betoog slaagt niet. Verweerder heeft, naar het oordeel van het gerecht, op goede gronden gesteld dat financiële steun van de familie niet als bestendig inkomen kan worden aangemerkt.

6.1

Appellante betoogt voorts dat verweerder met de bestreden beschikking in strijd handelt met artikel 3 van het Verdrag Inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

6.2

Volgens vaste rechtspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (onder meer uitspraak van 22 november 2016, ECLI:NL:OGHACMB:2016:191) volgt uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens – onder meer de arresten Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99, Osman tegen Denemarken van 14 juni 2011, nr. 38058/09, Nunez tegen Noorwegen van 28 juni 2011, nr. 55597/09, en Butt tegen Noorwegen van 4 december 2012, nr. 47017/09, (www.echr.coe.int) – dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op respect voor het privéleven onderscheidenlijk het familie- en gezinsleven een 'fair balance' moet worden gevonden tussen het belang van de betrokken vreemdeling en diens familie enerzijds en het algemeen belang van het land dat is gediend met het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken. De rechter dient te beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, indien dit het geval is, of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een "fair balance" tussen enerzijds het belang van de vreemdeling bij de uitoefening van het privéleven en familie- en gezinsleven in Aruba en anderzijds het algemeen belang van de samenleving van het land bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Deze maatstaf impliceert dat de toetsing door de rechter enigszins terughoudend dient te zijn.

6.3

Volgens vaste jurisprudentie van het EHRM (onder meer de arresten van 8 november 2016, El Ghatet t. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2016:1108JUD005697110, en 3 oktober 2014, Jeunesse t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD00127381) dienen in alle beslissingen over kinderen hun belangen (best interests) een eerste overweging (primary consideration) te vormen en moet aan die belangen, hoewel die belangen op zichzelf niet doorslaggevend kunnen zijn, aanzienlijk gewicht toekomen. Ook volgt uit deze jurisprudentie dat nationale beslisautoriteiten moeten beoordelen of vestiging in het land van herkomst van de vreemdeling een 'certain degree of hardship' met zich brengt.

6.4

Het gerecht overweegt dat verweerder in casu het belang van de minderjarige in het kader van artikel 3 van het IVRK en artikel 8 van het EVRM bij zijn besluitvorming heeft betrokken. Het gerecht is voorts van oordeel dat de voor de door verweerder te verrichten belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden geen grond bieden voor het oordeel dat de handhaving van de afwijzingen van de aanvragen een schending inhoudt van artikel 8 van het EVRM. Daarbij neemt het gerecht in aanmerking dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er objectieve belemmeringen bestaan voor het uitoefenen van het gezinsleven buiten Aruba, dan wel of de uitoefening van het gezinsleven in het land van hun herkomst leidt tot een 'certain degree of hardship.' Dat aan appellante een verblijfsvergunning is verleend, maakt niet dat daarmee een vrije domiciliekeuze is gegeven voor het verblijf van haar kind.

6.5

Gelet op het vorenoverwogene, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat een 'fair balance' tussen de door appellante aangevoerde belangen en het Arubaanse algemeen belang in het nadeel van appellante uitvalt. Het betoog faalt.

7. Nu geen van de door appellante aangedragen gronden van haar beroep doel treft, is het beroep ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

9. Beslist wordt als volgt.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. M. Soffers, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag, 13 april 2021, in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (LAR-zaken).

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij de griffie van dit Gerecht.

U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de dag van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van Afl. 75 verschuldigd.