Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2021:178

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
28-04-2021
Datum publicatie
11-05-2021
Zaaknummer
AUA202100792
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontruiming

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis in kort geding van 28 april 2021

Behorend bij K.G. AUA202100792

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in het kort geding tussen:

[Eiser],

wonende in Aruba,

eiser, hierna ook te noemen: [eiser]

gemachtigde: de advocaat mr. G. de Hoogd,

en:

[Gedaagde],

wonende in Aruba,

gedaagde, hierna ook te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: de advocaat mr. Z.J.E. Paesch .

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties;

- producties zijdens [gedaagde];

- de behandeling van de zaak ter zitting van 15 april 2021.

1.2

Ter zitting zijn verschenen partijen bijgestaan door hun gemachtigden voornoemd. Partijen hebben het woord gevoerd ([gedaagde] mede aan de hand van de door haar overgelegde en voorgedragen pleitnota) en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.

1.3

De uitspraak is bepaald op heden.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Partijen zijn op [datum] 2019 in Italië met elkaar in het huwelijk getreden.

2.2

Op [datum] 2019 zijn partijen overeengekomen dat [eiser] de woning gelegen te [adres] in Aruba (hierna: het registergoed/ de woning) aan [gedaagde] schenkt onder de voorwaarde dat [gedaagde] aan [eiser] het levenslange recht van vruchtgebruik op bedoeld registergoed verstrekt. De overeenkomst tussen partijen luidt voor zover van belang als volgt.

Agreement of Donation

This agreement, celebrated tis day of September 17, 2019, is between:

1. [eiser], born on Aruba, [date],1947

2. [ [gedaagde], born in veneuela, [date] 1974

Further known as [eiser] and [gedaagde].

[eiser] Agrees to donate to [gedaagde], his legal wife, the house, known at the Land Registry as Section [number], locally known as [adres]. of which she will be getting as a donation, valued at US$ 108,000.00 (One hundred and eight thousand US Dollars) with the following condition,

[gedaagde] will give lifelong right of usufruct to [eiser], valued at (..) US$ 27,000.00 (twenty seven thousand US Dollars), as defined in the notarial purchase agreement of 17 September 2019.”

2.3

Bij beschikking van dit gerecht van 23 november 2020 (EJ nr. AUA202002003) is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Bedoelde beschikking is op dezelfde datum in kracht van gewijsde gegaan.

2.4 [

gedaagde] is bij brief van 28 december 2020 verzocht om aan te geven of zij uiterlijk op 31 januari 2021 de woning vrijwillig zal verlaten. Op deze brief heeft [eiser] geen reactie ontvangen.

2.5 [

eiser] heeft vervolgens een kort geding tot ontruiming van de woning aangespannen dat op 19 februari 2021 behandeld zou worden.

2.6

Ondanks het bovenstaande hebben partijen verkozen om hun geschil in der minne te regelen. Op 18 februari 2021 hebben partijen een vaststellingsovereenkomst gesloten, die voor zover van belang als volgt luidt:

“ (…)

2. Partijen komen uitdrukkelijk overeen dat [gedaagde] de woning uiterlijk 15 maart 2021 zal verlaten met medeneming van al haar persoonlijke bezittingen en de woning ter algehele beschikking zal stellen van [eiser];

3. [eiser] aan [gedaagde] door tussenkomst van zijn gemachtigde uiterlijk 23 februari 2021 een bedrag van Awg. 5.000,00 zal betalen;

4. [eiser] trekt de door hem geïnitieerde procedure, in de considerans [zie r.o. 2.5: het kort geding] genoemd, in;

(…)

6. Partijen verbinden zich deze overeenkomst niet te (laten) ontbinden op grond van enige tekortkoming hiervan. Nakoming zal steeds gevorderd kunnen worden.”

2.7 [

eiser] heeft de door hem aangespannen kort geding op 18 februari 2021 ingetrokken.

2.8 [

gedaagde] heeft bij brief van 14 april 2021 de vernietiging van deze vaststellingsovereenkomst op grond van artikel 3:44 BW (bedrog en misbruik van omstandigheden) ingeroepen.

2.9 [

gedaagde] heeft tot op heden de woning niet verlaten.

3 DE VORDERING

3.1 [

eiser] vordert in kort geding - uitvoerbaar bij voorraad - dat het gerecht:

a. [gedaagde] veroordeelt om, met al degenen die en al hetgeen dat zich daarin of daarop van harentwege bevinden respectievelijk bevindt, binnen veertien dagen na het in deze te wijzen vonnis, de woning volledig en behoorlijk te verlaten en te ontruimen en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van [eiser] te stellen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden, zulks met machtiging aan [eiser], om bij gebreke hiervan deze ontruiming zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie op kosten van [gedaagde];

b. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten.

3.2 [

eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat [gedaagde] met hem een vaststellingsovereenkomst heeft gesloten waarbij overeengekomen is dat [gedaagde] de woning uiterlijk 15 maart 2020 zou verlaten en dit ondanks de intrekking van het eerdere ingediende kort geding en deze vaststellingsovereenkomst nog steeds niet heeft gedaan. Voor zover de vaststellingovereenkomst niet geldig zou zijn, hetgeen [eiser] bestrijdt, verblijft [gedaagde] zonder recht of titel in de woning nu hij alleen het vruchtgebruik van de woning heeft, en onrechtmatig jegens hem handelt nu zij weigert de woning te verlaten.

3.3 [

gedaagde] heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot het niet-ontvankelijk verklaren van het verzoek, dan wel afwijzing daarvan, en om de proceskosten te compenseren.

4 DE BEOORDELING

het spoedeisend belang

4.1 [

gedaagde] heeft gesteld dat er geen sprake is van een spoedeisend belang aan de kant van [eiser], omdat niet is gebleken dat de thuissituatie onhoudbaar is en [eiser] om die reden het oordeel van een bodemrechter niet kan afwachten.

4.2

Het gerecht volgt [gedaagde] niet in dit standpunt. Gelet op de overgelegde brief van [eiser] zoals hierboven omschreven, de onderhandelingen tussen partijen, de vaststellingsovereenkomst die tussen partijen tot stand is gekomen en de omstandigheid dat [gedaagde] - ondanks hetgeen partijen zijn overeengekomen - de woning nog steeds niet heeft verlaten, is het gerecht van oordeel dat er sprake is van een vordering aan de zijde van [eiser] met voldoende spoedeisend karakter.

4.3

Verder heeft [gedaagde] gesteld dat de onderhavige zaak zich niet leent voor behandeling in kort geding, omdat die feitelijk en juridisch te omvangrijk is. Het gerecht volgt [gedaagde] niet in die stelling. Naar het oordeel van het gerecht is zowel vanuit feitelijk als juridisch oogpunt het thans voorliggende geschil niet dusdanig ingewikkeld en omvangrijk te achten dat beslechting daarvan in kort geding niet mogelijk is.

4.4

Het niet niet-ontvankelijkheidsverweer wordt gelet op het bovenstaande dan ook verworpen.

4.5

In deze op een spoedbeslissing gerichte procedure moet aan de hand van de door partijen gepresenteerde stellingen, zonder nader onderzoek en bewijslevering, worden beoordeeld of de vordering in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat vooruitlopend daarop toewijzing van de gevraagde voorziening gerechtvaardigd is.

4.6

Ter onderbouwing van zijn vordering heeft [eiser] gesteld dat tussen partijen een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen, waarbij partijen onder meer hebben afgesproken dat [gedaagde] uiterlijk op 15 maart 2021 de woning moet verlaten. Nu bedoelde datum is verstreken en [gedaagde] de woning niet heeft verlaten, is er sprake van een omstandigheid waarbij [gedaagde] zonder recht of titel in de woning verblijft.

4.7 [

gedaagde] heeft tegenover het standpunt van [eiser] het volgende als verweer gevoerd. Het is altijd de bedoeling van partijen geweest om samen in de woning te blijven wonen. Dit volgt volgens [gedaagde] uit de leveringsakte die door [eiser] als productie is overgelegd, met name uit het artikel waar het volgende staat vermeld: “De comparant sub 2 (hierna te noemen: “koopster”) is voornemens het verkochte te gebruiken als woonhuis”. Dat hun huwelijk op een gegeven moment is beëindigd, maakt het voorgaande niet anders, aldus [gedaagde]. Verder heeft [gedaagde] gesteld dat zij als blote eigenaar van de woning niet verplicht is om [eiser] als vruchtgebruiker een vreedzaam genot van de woning te garanderen, dat [eiser] niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen die uit de vestigingsakte voorvloeien en dat bovengenoemde vaststellingsovereenkomst – naar het gerecht begrijpt - vernietigbaar is nu die tot stand is gekomen onder invloed van dwaling, dwang dan wel bedrog. Nu [gedaagde] de vaststellingsovereenkomst buitengerechtelijk heeft vernietigd, is zij niet langer gehouden die na te komen.

4.8

Niet in geschil is dat tussen partijen op 18 februari 2021 een vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. Zoals blijkt uit artikel 7:900 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba is doel en strekking van een vaststellingsovereenkomst dat partijen door middel van het sluiten van die overeenkomst afspraken maken omtrent de tussen hen (al dan niet) bestaande rechtsverhouding, zulks ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of een geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt.

4.9

Vast staat dat partijen in de vaststellingsovereenkomst onder meer hebben afgesproken dat [gedaagde] uiterlijk op 15 maart 2021 de woning zal verlaten en die ter algehele beschikking van [eiser] zal stellen. In verband met die vaststaande feit heeft [gedaagde] – zo begrijpt het gerecht - gesteld dat bedoelde vaststellingsovereenkomst niet als uitgangspunt mag gelden, nu zij die op 14 april 2021 buitengerechtelijk heeft vernietigd vanwege dwaling, dwang dan wel bedrog. Het gerecht stelt voorop, onder verwijzing naar artikel 3:50 tweede lid van het Burgerlijk Wetboek van Aruba, dat een vaststellingsovereenkomst als de onderhavige alleen buitengerechtelijk vernietigd kan worden, indien alle partijen in de vernietiging berusten. Nu [eiser] ter zitting onbetwist heeft gesteld dat hij de buitengerechtelijke vernietiging niet heeft geaccepteerd, geldt dat de vaststellingsovereenkomst nog steeds als uitgangspunt heeft te gelden.

4.10

Het voorgaande zou anders zijn indien zou blijken dat de vaststellingsovereenkomst onder invloed van een wilsgebrek tot stand is gekomen, zoals [gedaagde] heeft aangevoerd met haar stelling dat haar voormalige advocaat haar een onjuiste voorstelling van de zaken heeft geschetst en zij in de veronderstelling was dat [eiser] de woning van haar zou kopen. Zij heeft het document onder druk en in alle haast moeten tekenen en het document was voor haar in de vreemde Nederlandse taal opgesteld. Dat er sprake zou zijn van dwang of bedrog heeft [gedaagde] in het geheel niet onderbouwt. Voor dwaling geldt dat de bijzondere strekking van een vaststellingsovereenkomst – het bereiken van rechtszekerheid – noopt tot terughoudendheid. Een beroep op wilsgebreken zal als regel mislukken, wanneer het beroep betrekking heeft op juist datgene waarover werd getwist of onzekerheid bestond. In dat geval blijft de dwaling meestal voor rekening van de dwalende. Het onderwerp van geschil waaraan deze vaststellingsovereenkomst een einde maakt was de vraag of [gedaagde] de woning moest verlaten en ontruimen, zoals gevorderd in het onder rechtsoverweging 2.5 beschreven kort geding en het onderhavige kort geding.

4.11

Naar het oordeel van het gerecht heeft [gedaagde] vooralsnog onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van dwaling bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst. Niet alleen heeft [eiser] onbetwist gesteld dat [gedaagde] ten tijde van de onderhandelingen en bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst is bijgestaan door een advocaat die ook de Spaanse taal machtig is, maar ook is gebleken dat de inhoud van de vaststellingsovereenkomst aan haar in de Spaanse taal, haar moedertaal, is uitgelegd. Voorshands is niet aannemelijk geworden dat [gedaagde] niet wist waarmee zij instemde. Haar verweer dat zij dacht dat zij met [eiser] in de vaststellingsovereenkomst overeenkwam dat hij de woning van haar zou terugkopen is behalve op geen enkele wijze onderbouwd ook niet logisch in het licht van de schenking van de woning aan haar staande huwelijk en het vruchtgebruik van [eiser] daarop, waarvan zij ter terechtzitting heeft uitgelegd dat alvorens van het verlijden van de notariële akte hieromtrent de notaris met Spaanse tolk uitgebreid aan haar heeft uitgelegd wat een vruchtgebruik inhoudt. Gelet hierop en nu [gedaagde] overigens de vernietiging van de vaststellingsovereenkomst in kort geding niet heeft ingeroepen, is het gerecht voorshands van oordeel dat de vaststellingsovereenkomst in kwestie rechtsgeldig is.

4.12

Het bovenstaande leidt voorshands tot de slotsom dat [gedaagde], (mede) gelet op hetgeen partijen in de vaststellingsovereenkomst zijn overeengekomen, zonder recht of titel in de woning verblijft. De verzochte ontruiming zal om die reden worden toegewezen, met dien verstande dat op grond van redelijkheid en billijkheid aan [gedaagde] de in het dictum vermelde ontruimingstermijn zal worden gegund. De overige stellingen van [gedaagde] kunnen gelet op het bovenstaande onbesproken blijven.

4.13

Verder zal het gerecht bepalen dat [gedaagde] de woning niet gedwongen hoeft te ontruimen en te verlaten als er in Aruba in verband met de covid-19 pandemie van overheidswege vrijheidsbeperkende maatregelen gelden in de zin van ‘shelter in place’ en/of een avondklok.

4.14

Voor wat betreft het deel van het verzoek om aan [eiser] machtiging te verlenen om de ontruiming met behulp van de sterke arm te bewerkstelligen indien [gedaagde] hiermee in gebreke blijft, overweegt het gerecht als volgt.

Uit het eerste lid van artikel 556 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van Aruba (Rv) volgt dat [eiser] de ontruiming niet zelf ter hand mag nemen en dat gedwongen ontruiming het exclusieve terrein is van de deurwaarder. Indien [gedaagde] niet vrijwillig tot nakoming van de uit dit vonnis voortvloeiende verplichting tot ontruiming overgaat, kan [eiser] met dit vonnis de deurwaarder inschakelen. In het licht daarvan heeft [eiser] dus geen machtiging nodig om de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen. Voorwaarde is dat het ontruimingsvonnis door de deurwaarder aan [gedaagde] wordt betekend, en dat aan haar overeenkomstig het bepaalde in artikel 555 van bovengenoemde rechtsvordering bevel wordt gedaan om binnen drie dagen te ontruimen. De deurwaarder heeft de bevoegdheid zo nodig de hulp van de sterke arm van politie en justitie in te roepen indien gedaagde medewerking aan de ontruiming weigert. Die bevoegdheid ontleent de deurwaarder immers rechtstreeks aan artikel 557 Rv, waarin artikel 444 Rv van overeenkomstige toepassing wordt verklaard. Voorziet de deurwaarder problemen, dan kan hij op voet van (strekking en geest van) de Algemene Politieverordening – zonder dat daartoe rechterlijke machtiging nodig is – bijstand van de politie inroepen.

Gelet op het bovenstaande zal dit deel van het verzoek worden afgewezen.

4.15

Het gerecht zal het onderdeel van het verzoek dat ziet op de veroordeling van [gedaagde] tot het betalen van de eventueel te maken ontruimingskosten eveneens afwijzen, nu dat deel van verzoek naar het voorshandse oordeel van het gerecht prematuur is. Overigens heeft [eiser] bedoelde kosten niet onderbouwd.

4.16

Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, ziet het gerecht aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 DE UITSPRAAK

De rechter in dit gerecht, recht doende in kort geding:

5.1

veroordeelt [gedaagde] om binnen twee (2) maanden na het in deze te wijzen vonnis, uiterlijk op 23 juni 2021, de woning gelegen te [adres] in Aruba, met al degenen die en al hetgeen dat zich daarin of daarop van harentwege bevinden respectievelijk bevindt, volledig en behoorlijk te verlaten en te ontruimen en met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking te stellen van [eiser] en vervolgens de woning verlaten en ontruimd te houden;

5.2

bepaalt dat [gedaagde] de woning niet gedwongen hoeft te ontruimen en te verlaten als er in Aruba in verband met de coronapandemie van overheidswege vrijheidsbeperkende maatregelen gelden in de zin van ‘shelter in place’ en/of een avondklok;

5.3

compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat ieder partij de eigen kosten draagt;

5.4

wijst het meer of anders verzochte af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Keltjens, en in het openbaar uitgesproken op woensdag 28 april 2021 in aanwezigheid van de griffier.

Datum uitspraak: 28 april2021

Instantie: Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

Zaaknummer: KG. AUA202100792

Inhoudsindicatie: Ontruiming

Formele relaties (optioneel):

Rechtsgebieden: Civiel

Rechter: mr. J.M.J. Keltjens

Bijzondere kenmerken: