Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2021:174

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
04-05-2021
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
AUA202002095
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

personen- en familierecht. wijziging alimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 4 mei 2021

behorend bij EJ nr. AUA202002095

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

in de alimentatiezaak tussen

[Naam verzoeker] ,

wonende in Aruba,

VERZOEKER, hierna: de man,

gemachtigde: de advocaat mr. C. Helen Lejuez,

en

[Naam verweerster],

wonende in Aruba,

VERWEERSTER, hierna: de vrouw,

gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Croes.

1 DE PROCEDURE

De procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift, ingediend op 28 augustus 2020;

  • -

    de producties van de man, ingediend op 23 november 2020;

  • -

    de producties zijdens de vrouw, ingediend op 26 november 2020,

  • -

    de mondelinge behandeling van 1 december 2020, waaruit blijkt dat zijn verschenen partijen in persoon en bijgestaan door hun gemachtigden.

De uitspraak is nader bepaald op heden.

2 DE FEITEN

2.1

Uit het huwelijk van partijen is geboren de thans nog minderjarige, [naam minderjarige], [geboortedatum] 2003 in Aruba (hierna: de minderjarige).

2.2

Bij beschikking van dit gerecht van 21 oktober 2019 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

2.3

Bij beschikking van dit gerecht van 27 januari 2020 (EJ nr. AUA201902392) is bepaald dat de man Afl. 2.400,- per maand aan partneralimentatie en Afl. 950,- per maand aan kinderalimentatie moet voldoen.

2.4

De man was vroeger werkzaam als scheikunde leraar. Als statenlid was de man een “op non actief gestelde ambtenaar met terugkeer garantie”.

2.5

De man is op 27 januari 2020 op eigen verzoek als statenlid afgetreden en heeft sinds 27 januari 2020 op eigen verzoek bijzonder verlof van dienst (BVVD) zonder behoud van loon.

3 HET VERZOEK

3.1

Het verzoek strekt - samengevat - tot wijziging van bovengenoemde beschikking van 27 januari 2020 in die zin dat de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw ingaande 1 februari 2020 wordt bepaald op nihil en dat de bijdrage van de man aan kinderalimentatie ingaande 1 februari 2020 wordt bepaald op nihil dan wel op een bedrag van Afl. 650,- per maand.

3.2

Daartoe wordt aangevoerd dat de man thans geen inkomen meer heeft, waardoor na bovengenoemde beschikking er wijziging van omstandigheden zijn die maken dat die beschikking ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

3.3

De vrouw heeft verweer gevoerd strekkende tot afwijzing van het verzoek van de man. Daartoe wordt aangevoerd dat de man door zijn eigen toedoen zonder inkomen zit, dat hij dit inkomensverlies terug kan draaien door zijn BVVD in te trekken en dat hij in ieder geval verdiencapaciteit heeft als scheikunde leraar op MBO-niveau.

4 DE BEOORDELING

4.1

Het verzoek is gebaseerd op artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (BW). Ingevolge die bepaling kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud, bij latere uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, indien zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen of indien zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord, doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

4.2

De zijdens de man aangevoerde feiten kunnen aangemerkt worden als rechtens relevante wijziging van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling mogelijk maakt van de vastgestelde bijdragen.

Niet is komen vast te staan dat de man noodgedwongen als statenlid moest aftreden. Het was (mede gelet op bijlage 6 van het verzoekschrift) zijn eigen keuze geweest. De man heeft echter onbetwist aangevoerd dat hij thans niet meer als statenlid kan fungeren en dat hij door de “covid situatie” geen huurinkomsten meer heeft.

4.3

De aard van de alimentatiebeschikking op de voet van art. 1:401 lid 1 brengt mee dat de rechter, wanneer hij heeft vastgesteld dat een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud door een wijziging van omstandigheden heeft opgehouden aan de wettelijke maatstaven te voldoen, geheel vrij is om met inachtneming van alle ten tijde van zijn beslissing bestaande relevante omstandigheden en zonder door de aldus achterhaalde uitspraak in zijn vrijheid te worden beperkt, die uitspraak te wijzigen dan wel in te trekken (vgl. HR d.d. 4 februari 2000; ECLI:NL:HR:2000:AA4724).

De behoefte van de vrouw en de minderjarige

4.4

De man heeft de behoefte van de minderjarige aan de vastgestelde kinderalimentatie van Afl. 950,- per maand niet betwist. De man heeft de behoefte van de vrouw aan de vastgestelde partneralimentatie van Afl. 2.400,- per maand ook niet voldoende gemotiveerd betwist. Dat de vrouw thans inkomsten heeft is niet gebleken.

De verdiencapaciteit van de man

4.5.1

Gebleken is dat de man zelf voor “BVVD zonder behoud van salaris” heeft gekozen. Dit is een eigen keuze die niet voor rekening van de minderjarige of de vrouw kan worden gebracht. De man heeft op geen enkele wijze (bijvoorbeeld met stukken van Directie Onderwijs) aangetoond dat hij, gelet op de betreffende aangifte zijdens de vrouw, niet als docent kan fungeren. Het gerecht zal, gelet op de verdiencapaciteit van de man, uitgaan van het salaris dat de man laatstelijk ontving toen hij als docent werkzaam was. Desgevraagd heeft de man onbetwist gesteld dat hij ruim Afl. 5.000,- per maand als docent verdiende.

De kosten van de man

4.5.2

Bij de vaststelling van de kosten aan levensonderhoud van de man gaat het gerecht er vanuit dat hij een bedrag van minimaal Afl. 1.400,- per maand nodig heeft om in zijn eigen bestaan te voorzien. In dit bedrag zitten begrepen de redelijke kosten van elektriciteit, van water en van telefoonaansluiting. De man woont bij zijn moeder.

4.5.3

Uit het vorenstaande volgt dat de man maandelijks, gelet op zijn verdiencapaciteit, met een bedrag van ca. Afl. 3.600,- zou kunnen bijdragen in het levensonderhoud van de minderjarige en de vrouw.

Kinderalimentatie

4.6

Het gerecht is, gelet op de verdiencapaciteit van de man, van oordeel dat de man in staat moet worden geacht om met een bedrag van Afl. 950,- per maand bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige. Het verzoek tot wijziging van de vastgestelde kinderalimentatie zal derhalve worden afgewezen.

Partneralimentatie

4.7

Gelet op de verdiencapaciteit van de man en rekening houdende met de vastgestelde kinderalimentatie en gelet op alle overige omstandigheden van dit geval, is het gerecht van oordeel dat de man ook in staat moet worden geacht om met een bedrag van (Afl. 3.600- minus Afl. 950,-) Afl. 2.650,- bij te dragen in het levensonderhoud van de vrouw. Voornoemde bijdrage acht het gerecht thans in overeenstemming met de wettelijke maatstaven. De ingangsdatum van deze wijziging zal worden bepaald op 1 februari 2020, zijnde de ingangsdatum van de BVVD zonder behoud van loon.

De verdiencapaciteit van de vrouw

4.8

De vrouw heeft verdiencapaciteit. Het gerecht is - gelet op het verhandelde ter zitting, de opleiding en de achtergrond van de vrouw - van oordeel dat de vrouw redelijkerwijs in staat moet worden geacht inkomsten ten behoeve van zichzelf te genereren, echter niet zodanig dat zij thans (gelet op de “covid situatie”) geheel in haar eigen behoefte kan voorzien.

4.9

Gelet daarop en alle omstandigheden van het geval is er aanleiding de duur van de alimentatieverplichting met toepassing van artikel 1:157, derde lid, BW aan een kortere dan de wettelijke termijn te binden. Het gerecht zal de einddatum voor de partneralimentatie op 1 november 2022 bepalen, zijnde 3 jaar na de echtscheiding.

4.10

Een inschatting van de periode die het haar zal kosten om volledig in haar eigen levensonderhoud te voorzien kan, gelet op hetgeen onder 4.11 zal worden overwogen, in de onderhavige procedure achterwege blijven.

4.11

Uitdrukkelijk overweegt het gerecht in dat verband dat met deze einddatum niet is beoogd per genoemde datum definitief een einde te maken aan de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw. Het gerecht kan, mede gelet op de “covid situatie”, onvoldoende voorzien hoe de financiële situatie van de vrouw zich in concreto zal ontwikkelen. Indien de vrouw na 1 november 2022 nog steeds behoefte heeft aan een bijdrage van de man, dient zij zich nogmaals daartoe te wenden tot de rechter.

4.12

Aangezien partijen voormalige echtelieden zijn zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

5 DE BESLISSING

Het gerecht:

wijzigt de beschikking van dit gerecht van 27 januari 2020 (EJ AUA201902392) in dier voege dat aan de vrouw een uitkering tot levensonderhoud ten laste van de man van Afl. 2.650,- wordt toegekend, ingaande 1 februari 2020,

bepaalt dat de verplichting tot betaling van de man van een uitkering in het levensonderhoud voor de vrouw eindigt op 1 november 2022,

compenseert de kosten aldus dat ieder der partijen de eigen kosten draagt,

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

wijst af het meer of anders verzochte.

Aldus gegeven door mr. E.M.D. Angela, rechter in dit gerecht, en in het openbaar uitgesproken ter zitting van dinsdag 4 mei 2021 in aanwezigheid van de griffier.