Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2021:165

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
18-01-2021
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
AUA202000863
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Appellante behoudt procesbelang bij het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar. De Ltu noch het Toelatingsbesluit voorziet erin dat een verzoek om verlening van een verblijfsvergunning buiten behandeling wordt gesteld indien dat verzoek niet op een daartoe bestemd formulier is gedaan en ingediend is ten kantore van de DIMAS. Appellante is niet in de gelegenheid gesteld om het verzoek alsnog met inachtneming van de geldende indieningsvereisten in te dienen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 18 januari 2021

Lar nr. AUA202000863

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[Appellante],

wonend in Aruba,

APPELLANTE,

gemachtigde: [naam],

gericht tegen:

de Minister van Justitie, Veiligheid en Integratie,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: mr. N.R. Sneek (Dimas).

PROCESVERLOOP

Bj brief van 2 juli 2019, ingediend op 4 juli 2019, heeft de gemachtigde van appellante (de zoon) kennelijk namens appellante verweerder verzocht om aan appellante (de moeder) een tijdelijke verblijfsvergunning te verlenen.

Tegen het uitblijven van een beslissing op dat verzoek heeft de zoon, kennelijk namens appellante, op 18 november 2019, aangevuld op 25 november 2019, bezwaar gemaakt.

Tegen het uitblijven van een beslissing op het bezwaar heeft appellante op 12 maart 2020 beroep ingesteld bij dit gerecht.

Op 14 mei 2020 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 15 juni en 13 november 2020 heeft appellante nadere stukken ingediend.

De zaak is behandeld ter zitting van 16 november 2020, alwaar zijn verschenen appellante samen met haar gemachtigde voornoemd. Verweerder is, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen.

Uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1.1

Bij brief van 13 mei 2020, waarvan een afschrift bij het verweerschrift is overgelegd, heeft verweerder appellante naar aanleiding van het verzoek van 2 juli 2019 te kennen gegeven dat dat verzoek buiten behandeling wordt gesteld, omdat het niet met inachtneming van de daarvoor geldende indieningsvereisten is ingediend.

Aldus heeft verweerder alsnog een beschikking gegeven op het verzoek van appellante van 2 juli 2019. Het betoog van appellante dat de buiten behandelingstelling van het verzoek geen beschikking in de zin van de Lar behelst, faalt, gelet op vaste rechtspraak van het Gemeenschappelijk Hof (onder meer GHvJ 28 mei 2012, ECLI:NL:OGHACMB:2012:BW7351).

1.2

Desgevraagd heeft appellante ter zitting te kennen gegeven tegen de beschikking van 13 mei 2020 geen rechtsmiddelen te hebben aangewend. Onder deze omstandigheden behoudt appellante procesbelang bij het beroep tegen het uitblijven van een beschikking op het bezwaar. Het gerecht zal dat beroep beoordelen aan de hand van de tegen het uitblijven van een beschikking op het bezwaar gedurende de procedure aangevoerde inhoudelijke gronden (zie GHvJ 20 november 2015, ECLI:NL:OGHACMB:2015:33).

2. Aan de beschikking van 13 mei 2020 heeft verweerder ten grondslag gelegd dat het verzoek niet volgens de geldende indieningsvereisten is ingediend, omdat het niet op een daartoe bestemd aanvraagformulier ten kantore van DIMAS is gedaan.

3. Appellante betoogt dat verweerder ten onrechte geen inhoudelijke beschikking heeft gegeven op het verzoek.

4.1

Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Landsverordening toelating en uitzetting (Ltu) wordt de vergunning aangevraagd door de persoon die om toelating verzoekt of door zijn wettelijke vertegenwoordiger. Het verzoek wordt gedaan op een kosteloos van overheidswege verstrekt formulier. Ingevolge artikel 14, eerste lid, van het Toelatingsbesluit wordt bij regeling van de Minister bepaald, welke gegevens en bescheiden een toelatingsplichtige bij het indienen van een verzoek om toelating op grond van een vergunning tot tijdelijk verblijf dient over te leggen.

4.2

Volgens het door verweerder ter zake gevoerde beleid ten tijde van belang, vermeld onder paragraaf B.3 van het Toelatingshandboek 2018, dienen alle verzoeken voor de afgifte van vergunningen of verklaringen te worden ingediend ten kantore van de DIMAS, gevestigd te Oranjestad aan de Paardenbaaistraat 11, en worden uitsluitend ingenomen door medewerkers van de DIMAS.

Verder is daar het volgende vermeld:

a. Een aanvraag dient te geschieden door middel van het daarvoor bestemde aanvraagformulier. Zowel de aanvrager en de garantsteller/werkgever moeten het aanvraagformulier invullen en op de daarvoor bestemde plekken ondertekenen. Voor specifieke verblijfsdoelen wordt vereist dat de ondertekening geschiedt ten overstaan van de medewerker van de DIMAS en op het moment van de indiening van de aanvraag.

b. Om de aanvraag in behandeling te kunnen nemen moet de aanvrager een volledig ingevulde en ondertekende aanvraagformulier indienen, samen met alle vereiste en verplichte documenten.

c. DIMAS heeft lijsten beschikbaar van alle vereiste documenten voor elke soort aanvraag (checklist voorwaarden) en naar verblijfsdoel. Deze lijsten zijn beschikbaar op de website van de DIMAS www.dimasaruba.aw en op www.gobierno.aw.

5. Niet in geschil is dat verweerder appellante, na te hebben vastgesteld dat het verzoek van 2 juli 2019 niet aan de indieningsvereisten voldoet, niet in de gelegenheid heeft gesteld om het verzoek alsnog met inachtneming van de geldende indieningsvereisten in te dienen. De Ltu noch het Toelatingsbesluit voorziet erin dat een verzoek om verlening van een verblijfsvergunning buiten behandeling wordt gesteld indien dat verzoek niet op een daartoe bestemd formulier is gedaan en ingediend ten kantore van DIMAS.

Onder deze omstandigheden heeft verweerder ten onrechte het verzoek buiten behandeling gesteld, zonder appellante in de gelegenheid te stellen het verzuim te herstellen.

6. Het voorgaande leidt ertoe dat het beroep gegrond is. De fictieve afwijzende beschikking op het bezwaar van appellante dient te worden vernietigd. Verweerder dient binnen een hierna te stellen termijn opnieuw op het bezwaar van appellante te beslissen, met inachtneming van het hiervoor overwogene. Dat betekent dat verweerder, alvorens een inhoudelijke beslissing op het bezwaar te nemen, appellante alsnog in de gelegenheid dient te stellen het verzoek met inachtneming van de indieningsvereisten in te dienen door haar een daartoe bestemd formulier te overhandigen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden fictieve afwijzende beschikking op het bezwaar van appellante;

  • -

    bepaalt dat verweerder binnen drie maanden na dagtekening van deze uitspraak een nieuwe beslissing dient te nemen op het bezwaar van appellante, met inachtneming van deze uitspraak;

- gelast teruggave aan appellante van het door haar betaalde bedrag van Afl. 25,-.

Deze beslissing is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter in dit gerecht, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op maandag 18 januari 2021, in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (LAR-zaken).

Het hogerberoepschrift moet worden ingediend bij de griffie van dit Gerecht.

U wordt verzocht bij het indienen van het hogerberoepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het hogerberoepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het hogerberoepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener of de gemachtigde,

b. de dag van ondertekening,

c. waartegen u in hoger beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voor het instellen van hoger beroep is een griffierecht van Afl. 75 verschuldigd.