Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2021:162

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
14-04-2021
Datum publicatie
10-05-2021
Zaaknummer
AUA202100195
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Civiel, Doorbetaling loon

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 14 april 2021

Behorend bij K.G. nr. AUA202100195

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

[Eiser],

wonende in Aruba,

eiser,

hierna ook te noemen: [eiser],

gemachtigden: de advocaten mrs. D.C.A. Crouch en Z.J.E. Paesch,

tegen:

de naamloze vennootschap

[X] N.V.,

h.o.d.n. [X],

gevestigd in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: [gedaagde],

gemachtigde: de advocaat mr. G. de Hoogd.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties;

- de mondelinge behandeling van de zaak ter terechtzitting van 22 maart 2021.

1.2 [

eiser] is samen met zijn gemachtigden ter terechtzitting verschenen. [gedaagde] is verschenen bij haar gemachtigde, die werd vergezeld door de heer [naam directeur] (directeur van [gedaagde]). Partijen hebben in twee termijnen het woord gevoerd - beiden mede aan de hand van overgelegde en voorgedragen pleitnota’s, beiden voorzien van toegelaten producties - en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.

1.3

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende bestreden alsmede op grond van overgelegde producties voor zover niet of onvoldoende bestreden staat onder meer het volgende vast tussen partijen.

2.2 [

eiser] is op 1 juli 2014 krachtens een tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst in loondienst getreden van [gedaagde] in de functie van tuinman tegen een laatstelijk brutoloon van Afl. 9,52 per uur.

2.3 [

gedaagde] heeft [eiser] bij schrijven van 22 september 2020 (hierna: de ontslagbrief) per die datum op staande voet ontslagen (hierna: het ontslag). Blijkens die brief en de door [gedaagde] gegeven toelichting daarop in haar stukken en ter zitting is [eiser] onvoorwaardelijk ontslagen omdat hij (1) in het verleden verschillende waarschuwingen heeft gekregen over zijn houding en karakter en de omstandigheid dat hij ooit voor 3 dagen werd geschorst zonder betaling van loon, (2) op 14 september 2020 heeft geweigerd een opdracht uit te voeren, (3) de directeur van [gedaagde] toen heeft bedreigd en aan [gedaagde] toebehorende vuilnisbakken en een blower op de grond heeft gegooid, (4) in verband met zijn arbeidsongeschiktheid [gedaagde] op 21 september 2020 had moeten informeren dat hij per 22 november 2020 weer arbeidsgeschikt was, en (5) dat hij op 22 september 2020 niet op zijn werk is verschenen terwijl hij weer arbeidsgeschikt was verklaard.

2.4

Bij brief van 29 december 2020 heeft [eiser] onder meer de nietigheid van het ontslag ingeroepen en zich daarbij bereid verklaard de bedongen werkzaamheden voor [gedaagde] voort te zetten.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

Naast verlof tot kosteloos procederen vordert [eiser] dat het Gerecht bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

a. [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] zijn loon (door) te betalen vanaf 22 september 2020 totdat de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd, achterstallig loon te vermeerderen met de wettelijke verhoging en met wettelijke rente;

b. te dezen enige andere subsidiaire beslissing neemt;

c. [gedaagde] veroordeelt in de kosten en de nakosten van deze procedure.

3.2 [

gedaagde] voert verweer en concludeert dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door hem verzochte, althans hem dat te ontzeggen, kosten rechtens.

3.3

Voorzover van belang voor de uitspraak worden de stellingen van partijen hierna besproken.

4 DE BEOORDELING

4.1

Uit het door [eiser] overlegde aan hem door de daartoe bevoegde overheidsinstantie verstrekte bewijs van onvermogen blijkt dat hij niet in staat is om de kosten van deze procedure te betalen. Aan [eiser] zal daarom verlof tot kosteloos procederen worden verleend.

4.2

Er zijn gronden gesteld noch gebleken die meebrengen dat [eiser] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door hem verzochte. Het ontvankelijkheidsverweer van [gedaagde] wordt daarom verworpen.

4.3

Het spoedeisend belang van [eiser] bij zijn vorderingen volgt uit de aard van die vorderingen en de daaraan ten grondslag gelegde stellingen.

4.4

De in dit geschil te beantwoorden vraag is of met grote mate van zekerheid valt te verwachten dat de bodemrechter [gedaagde] volgt in haar standpunt dat [eiser] haar een dringende onverwijld aan hem medegedeelde dringende reden heeft gegeven voor ontslag op staande voet. Bij de beantwoording van die vraag wordt vooropgesteld dat uit de feitelijkheden blijkt dat 22 september 2020 heeft te gelden als de datum waarop [gedaagde] [eiser] heeft ontslagen, nu dat ontslag hem door middel van de ontslagbrief is aangezegd zonder dat daarin de voorwaarde is neergelegd dat sprake is van een ontslag voor het geval dat het bij partijen genoegzaam bekende eerdere ontslag geen stand zou houden.

4.5

Als dringende redenen worden volgens artikel 7A:1615o lid 1 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen. Tot deze omstandigheden behoren onder meer de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, zoals diens leeftijd, de aard en duur van het dienstverband en de gevolgen van het ontslag op staande voet. Van belang is verder dat het de werkgever is die moet stellen en bewijzen dat sprake is van een dringende reden. Ook moet voor de geldigheid van het ontslag op staande voet de dringende reden onverwijld door in dit geval [gedaagde] kenbaar zijn gemaakt aan [eiser]. In het licht van dit alles wordt het volgende verder overwogen.

4.6

Uit de ontslagreden fixerende ontslagbrief blijkt dat [gedaagde] onder meer als redenen voor het ontslag stelt dat (1) [eiser] in verband met zijn arbeidsongeschiktheid [gedaagde] op 21 september 2020 had moeten informeren dat hij per 22 november 2020 weer arbeidsgeschikt was, en dat (2) [eiser] op 22 september 2020 niet op zijn werk is verschenen terwijl hij weer arbeidsgeschikt was verklaard. Ter zake van die tweede stelling heeft [eiser] onbestreden gesteld dat de directeur van [gedaagde] na zijn arbeidsongeschiktheid telefonisch tegen hem heeft gezegd dat [eiser] niet mocht komen werken omdat volgens die directeur de DAO dat tegen hem had gezegd (“Labor a bisami cu bo no mag di bin traha.”). Het valt in dat vaststaande verband niet aan [eiser] te verwijten dat hij op 22 september 2020 niet op zijn werk is verschenen. Aldus kan dat onterechte verwijt niet aan het ontslag van [eiser] ten gronde worden gelegd. Wat betreft de eerste stelling is gesteld noch gebleken dat [eiser] al eens eerder na een periode van arbeidsongeschiktheid [gedaagde] niet of niet tijdig heeft geïnformeerd dat hij weer arbeidsgeschikt was. Tegen die achtergrond was te dezen een waarschuwing op zijn plaats geweest, maar zeker geen ontslag op staande voet, ook niet in samenhang met de overige beweerdelijke op 14 september 2020 door [eiser] begane verwijtbare handelingen zoals omschreven in de ontslagbrief onder (1) tot en met (3).

4.7

Voorzover [gedaagde] meent dat die overige hiervoor onder 2.3 sub (1), (2) en (3) omschreven handelingen, al dan niet in onderlinge samenhang beschouwd, een zelfstandige dringende reden oplevert of opleveren voor ontslag, heeft te gelden dat die naar het voorshandse oordeel van het Gerecht niet voldoende onverwijld zijn medegedeeld aan [eiser]. Gesteld noch is gebleken dat dit niet eerder had gekund, bijvoorbeeld per telefoon of bij deurwaarderexploot. Evenmin is gesteld of gebleken dat [gedaagde] ter zake van bedoelde handelingen een week durend onderzoek heeft moeten verrichten alvorens tot ontslag over te kunnen gaan. Hierbij wordt nog overwogen dat arbeidsongeschiktheid niet aan aanzegging en de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet in de weg kan staan. Aldus kunnen de hier omschreven beweerdelijke verwijtbare handelingen zijdens [eiser] niet zelfstandig bijdragen aan het ontslag.

4.8

Bij de hiervoor geschetste stand van zaken moet de hiervoor onder 4.4 geformuleerde vraag ontkennend worden beantwoord. Dat brengt met zich dat [eiser] naar het voorshandse oordeel op goede grond de nietigheid van het ontslag heeft ingeroepen. De vordering onder a. zal daarom worden toegewezen, nu in een bodemprocedure een gelijk oordeel valt te verwachten. De wettelijke verhoging over achterstallig loon zal ambts- en billijkheidshalve worden gematigd als na te melden.

4.9

Afweging van de belangen van partijen maakt al het vorenstaande niet anders, omdat het Gerecht geen zwaarwegender belangen ziet aan de zijde van [gedaagde] bij afwijzing van het door [eiser] verzochte ten opzichte van de belangen van [eiser] bij toewijzing daarvan.

4.10 [

gedaagde] zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [eiser], tot aan deze uitspraak begroot op (450,-- + 205,65 =) Afl. 655,65 aan (aan de griffier van dit Gerecht te betalen) verschotten pro deo (griffiegeld en oproepkosten) en Afl. 1.500,-- aan (niet aan de griffier van dit Gerecht te betalen) salaris voor de gemachtigde pro deo, te vermeerderen met Afl. 250,-- aan vergoeding voor nakosten, te vermeerderen met Afl. 150,-- in geval van betekening van dit vonnis aan [gedaagde] indien en voorzover zij na aanschrijving veertien kalenderdagen de tijd heeft gehad om vrijwillig aan dit vonnis te voldoen;

5 DE UITSPRAAK

Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:

-veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] zijn loon (door) te betalen vanaf 22 september 2020 totdat de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn beëindigd, achterstallig loon te vermeerderen met de gematigd vastgestelde wettelijke verhoging van telkens maximaal 12% en met wettelijke rente;

-veroordeelt [gedaagde] in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [eiser], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 655,65 aan (aan de griffier van dit Gerecht te betalen) verschotten pro deo en Afl. 1.500,-- aan (niet aan de griffier van dit Gerecht te betalen) salaris voor de gemachtigde pro deo, te vermeerderen met Afl. 250,-- aan vergoeding voor nakosten, te vermeerderen met Afl. 150,-- in geval van betekening van dit vonnis aan [gedaagde] indien en voorzover zij na aanschrijving veertien kalenderdagen de tijd heeft gehad om vrijwillig aan dit vonnis te voldoen;

-verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

-verleent aan [eiser] verlof tot kosteloos procederen;

-wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 14 april 2021 in tegenwoordigheid van de griffier.