Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2021:138

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
21-04-2021
Datum publicatie
30-04-2021
Zaaknummer
AUA202002900
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort Geding. Eisers mochten er gerechtvaardigd op vertrouwen dat sprake was van een stilzwijgende verlenging van hun arbeidsovereenkomsten voor de duur van het schooljaar 2020-2021

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Vonnis van 21 april 2021

Behorend bij K.G. nr. AUA202002900

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS IN KORT GEDING

in de zaak van:

1 [eiser 1],

2. [eiser 2],

3. [eiser 3],

4. [eiser 4],

allen wonende in Aruba,

eisers,

hierna respectievelijk ook te noemen: [eiser 1], [eiser 2], [eiser 3] en [eiser 4]; en gezamenlijk ook te noemen: [eisers] c.s.,

gemachtigde: de advocaat mr. G. de Hoogd,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

HET LAND ARUBA,

zetelend in Aruba,

gedaagde,

hierna ook te noemen: het Land,

gemachtigde: de advocaat mr. E.E. Rosenstand.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

-het verzoekschrift met producties, ingediend op 16 november 2020;

-de dagbepaling mondelinge behandeling van de zaak op 10 december 2020;

-het op 9 december 2020 door [eisers] c.s. verzochte verzoek om uitstel van die behandeling in verband met schikkingsonderhandelingen;

-de verwijzing van de zaak naar de parkeerrol;

-de akte uitlating voortprocederen zijdens [eisers] c.s.,

-de mondelinge behandeling van de zaak ter terechtzitting van 31 maart 2021.

1.2 [

eisers] c.s. zijn ter zitting verschenen samen met hun gemachtigde. Het Land is ter zitting verschenen bij zijn gemachtigde. Partijen hebben in twee termijnen het woord gevoerd - [eisers] c.s. mede aan de hand van een overgelegde en voorgedragen pleitnota voorzien van toegelaten nadere producties, het Land eveneens mede aan de hand van een overgelegde en voorgedragen pleitnota - en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaar stellingen.

1.3

Vonnis is bepaald op heden.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende bestreden alsmede op grond van overgelegde producties voor zover niet of onvoldoende bestreden staat onder meer het volgende vast tussen partijen.

2.2 [

eiser 1] is sinds 1 november 1996 voor het Land werkzaam als zweminstructeur. [eiser 2] is sinds 1 augustus 1993 voor het Land werkzaam als zweminstructeur. [eiser 3] is sinds 1 augustus 1997 voor het Land werkzaam als zweminstructeur. [eiser 4] is sinds 1 augustus 2013 voor het Land werkzaam als zweminstructeur.

2.3 [

eisers] c.s. zijn steeds onafgebroken voor de duur van een (school)jaar, van 1 augustus tot en met 31 juli van het daaropvolgend jaar, een arbeidsovereenkomst aangegaan met het Land. De laatste in dat verband tussen partijen gesloten schriftelijke arbeidsovereenkomst ziet op het schooljaar 2008-2009. Die arbeidsovereenkomsten werden daarna tot en met in elk geval het schooljaar 2019-2020 jaarlijks stilzwijgend verlengd.

2.4

Op de salarisstroken van [eisers] c.s. over de maand augustus 2020 staat 31 december 2020 vermeld als einddatum dienstverband. Die loonstroken zijn eerst na 1 augustus 2020 aan [eisers] c.s. uitgereikt. De minister van Onderwijs, Wetenschappen en Duurzame Ontwikkeling van Aruba (hierna: de minister) heeft die einddatum op enig voor 1 januari 2021 gelegen moment nader bepaald op 30 juni 2021.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1 [

eisers] c.s. vorderen dat het Gerecht - zo het begrijpt - bij uitvoerbaar te verklaren vonnis het Land veroordeelt:

a. om aan [eisers] c.s. hun loon (door) te betalen tot in ieder geval 31 juli 2021;

b. tot betaling van de proceskosten.

3.2

Het Land voert verweer en verzoekt het Gerecht [eisers] c.s. niet-ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen, althans deze af te wijzen, althans hen deze te ontzeggen en [eisers] c.s. te veroordelen tot betaling van de proceskosten.

3.3

Voorzover van belang voor de uitspraak worden de stellingen van partijen hierna besproken.

4 DE BEOORDELING

4.1

Er zijn gronden gesteld noch gebleken waaruit volgt dat [eisers] c.s. of één van hen niet-ontvankelijk verklaard moeten/moet worden in het door hen of één van hen verzochte. Het ontvankelijkheidsverweer van het Land wordt daarom verworpen.

4.2

Het Gerecht stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat [eisers] c.s. arbeidscontractanten zijn in dienst van het Land en dat zij tot heden hun loon hebben ontvangen. Verder is tussen partijen niet in geschil dat het onderhavig geschil enkel het loon over de maand juli 2021 betreft.

4.3 [

eisers] c.s. hebben onweersproken gesteld dat zij desalniettemin spoedeisend belang hebben bij hun vordering, omdat zij steeds van maand tot maand geheel afhankelijk zijn van hun loon en zij daarom hun loon over de maand juli 2021 niet kunnen missen in afwachting van een beslissing van de bodemrechter. Het spoedeisend belang van [eisers] c.s. bij hun vorderingen is in het licht van die vaststaande stelling naar het oordeel van het Gerecht gegeven.

4.4

In deze procedure moet aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten, zonder nader onderzoek en met inachtneming van de beperkingen van de procedure in kortgeding, worden beoordeeld of de vorderingen in een eventuele bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft dat vooruitlopend daarop toewijzing van de gevraagde voorzieningen gerechtvaardigd is.

4.5

Kernvraag in dit geschil is of in deze procedure als vaststaand of voorshands aannemelijk kan worden geoordeeld dat de arbeidsoverkomsten van [eisers] c.s. stilzwijgend zijn verlengd voor de duur van het schooljaar 2020-2021 (of dat [eiser 1] er gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat dit het geval is) en dat het Land daarom gehouden is het loon van [eisers] c.s. over de maand juli 2021 uit te betalen. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

4.6

Vast staat dat [eisers] c.s. per 1 augustus 2020 hun werkzaamheden als zweminstructeur in dienst van het Land net als alle daaraan voorafgaande jaren onverkort hebben voortgezet. In beginsel mochten zij er vanaf dat moment in elk geval gerechtvaardigd op vertrouwen dat sprake was van een stilzwijgende verlenging van hun arbeidsovereenkomsten voor de duur van het schooljaar 2020-2021. Dit temeer omdat dit in de daaraan voorafgaande jaren telkens sprake was van stilzwijgende verlenging voor de duur van het telkens op 1 augustus startende en vervolgens op 31 juli eindigende nieuwe schooljaar. Dit is slechts anders als aan [eisers] c.s. nog voor 1 augustus 2020 door of vanwege het Land (lees hier ook: de minister) is medegedeeld of kenbaar gemaakt dat hun arbeidsovereenkomsten niet werden verlengd voor de duur van het schooljaar 2020-2021 (tot en met juli 2021 dus). Vast staat dat de loonstroken over augustus 2020, waarop 31 december 2020 staat vermeld als einddatum dienstverband, eerst na 1 augustus 2020 zijn uitgereikt aan [eisers] c.s.. Die loonstroken kunnen daarom het reeds bij hen gevestigde gerechtvaardigde vertrouwen niet meer tenietdoen. Het Land stelt dat [eisers] c.s. al voor 1 augustus 2020 wisten dat hun arbeidsovereenkomsten slechts tot 31 december 2020 zouden worden verlengd. Die door [eisers] c.s. bestreden stelling mist naar het voorshandse oordeel van het Gerecht voldoende feitelijke grondslag, en wordt daarom gepasseerd. Gesteld noch is gebleken met name wie precies, wanneer precies en hoe precies door of vanwege het Land aan [eisers] c.s. is kenbaar gemaakt dat hun arbeidsovereenkomsten zouden worden verlengd tot 31 december 2020.

4.7

De slotsom luidt dat [eisers] c.s. naar het voorlopig oordeel van het Gerecht er per 1 augustus 2020 gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat hun arbeidsovereenkomsten, net als telkens voorheen, stilzwijgend zijn verlengd voor de duur van het schooljaar 2020-2021, ofwel tot en met 31 juli 2021. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die een ander oordeel kunnen dragen.

4.8

Vorenstaande brengt mee dat de vordering onder a. zal worden toegewezen, nu een in bodemprocedure een gelijk oordeel valt te verwachten.

4.9

Afweging van de belangen van partijen maakt dat niet anders, omdat er geen zwaarwegendere belangen zijn gebleken aan de zijde van het Land bij afwijzing van de vordering van [eisers] c.s. ten opzichte van de belangen van [eisers] c.s. bij toewijzing daarvan.

4.10

Het Land zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [eisers] c.s., tot aan deze uitspraak begroot op (Afl. 450,-- + Afl. 450,-- + Afl. 450,-- + Afl. 450,--+ Afl. 218,64 =) Afl. 2.018,64 aan verschotten (griffiegeld en oproepkosten) en Afl. 1.500,-- aan salaris voor de gemachtigde.

5 DE UITSPRAAK

Het Gerecht, rechtdoende in kort geding:

5.1

veroordeelt het Land om het loon van [eisers] c.s. door te betalen tot en met 31 juli 2021;

5.2

veroordeelt het Land in de kosten van deze procedure gevallen aan de zijde van [eisers] c.s. tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 3.518,64;

5.3

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4

wijst af het meer of anders verzochte.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 21 april 2021 in aanwezigheid van de griffier.

Rechter: mr. A.H.M. van de Leur

Bijzondere kenmerken: