Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2021:100

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
25-03-2021
Datum publicatie
02-04-2021
Zaaknummer
AUA202000149
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Artikel 5, lid 1 van de Landsverordening Ziekteverzekering. Geen aanspraak meer op ziekengeld. Zelfde ziekteoorzaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 25 maart 2021

CVB nr. AUA202000149

COLLEGE VAN BEROEP

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de Landsverordening Ziekteverzekering (LZv) van:

[Appellant]

wonende in Aruba,

APPELLANT

procederend in persoon,

tegen de beslissing van 18 september 2019 van

DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER, hierna te noemen de bank,

gemachtigde: de advocaat mr. M.D. Tromp.

1 HET PROCESVERLOOP

1.1

Bij beslissing van 18 september 2019, uitgereikt aan appellant op 8 januari 2020, heeft de bank besloten dat appellant vanaf 16 september 2019 geen recht meer heeft op tegemoetkoming voor arbeidsongeschiktheid wegens hartklachten, omdat hij wegens deze ziekteoorzaak reeds twee jaar tegemoetkoming heeft ontvangen, voor zover geclaimd.

1.2

Tegen deze beslissing heeft appellant op 20 januari 2020 schriftelijk beroep aangetekend.

1.3

Op 17 april 2020 heeft de bank een verweerschrift ingediend.

1.4

Het beroep van appellant is op de bijeenkomst van 19 november 2020 van dit College behandeld, waar zijn verschenen appellant in persoon en voor de bank mr. B. Every, juridisch adviseur, en drs. De Graaf, verzekeringsarts, bijgestaan door de advocaat voornoemd.

2 OVERWEGINGEN

2.1

Appellant kan zich niet verenigen met de beslissing van de bank om hem geen ziekengeld (meer) toe te kennen en stelt zich op het standpunt dat hij wordt benadeeld nu hij zonder de tegemoetkoming geen inkomen heeft. Ter zitting heeft appellant nog aangevoerd dat hij niet twee jaar lang arbeidsongeschikt is geweest wegens hartklachten.

2.2

Aan de bestreden beschikking heeft de bank ten grondslag gelegd dat appellant in verband met hartaandoeningen/hartklachten tot 20 april 2017 recht had op tegemoetkoming onder ziektemeldingskaart 624886. Op 11 september 2019 heeft appellant zich weer ziek gemeld in verband met hartklachten en per abuis is hem ziekengeld toegekend onder ziektemeldingskaart 798396. Nu het dezelfde ziekteoorzaak betreft heeft appellant vanaf 16 september 2019 geen recht meer op tegemoetkoming. De bank heeft als verweer aangevoerd dat appellant op het consultspreekuur op 13 september 2019 te kennen had gegeven dat hij een nieuwe katheterisatie moest ondergaan. Appellant is toen onder ziektemeldingskaart 798396 gecontroleerd en hem is toen tot en met 15 september 2019 ziekengeld toegekend, in afwachting van nader onderzoek door de bank naar de cardiale voorgeschiedenis van appellant. Appellant hervatte op 16 september 2020 zijn werkzaamheden. Op 6 januari 2020 meldde appellant zich arbeidsongeschikt wegens pijn op de borst. Op het consultspreekuur van 8 januari 2020 is hem de bestreden beslissing uitgereikt.

2.3

In geschil is de vraag of de bank op goede gronden heeft besloten dat in dit geval sprake is van eenzelfde ziekteoorzaak als bedoeld in de tweede volzin van artikel 5, eerste lid, van de LvZv. Het College neemt bij de beoordeling het volgende in aanmerking.

2.4

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de LvZv, voor zover thans van belang, heeft de werknemer die als gevolg van ziekte arbeidsongeschikt is, recht op ziekengeld vanaf de vierde dag van de ziekmelding. Het recht op ziekengeld ter zake van eenzelfde ziekteoorzaak vervalt na twee jaar.

2.5

Zoals door het College eerder is geoordeeld, en conform de geldende jurisprudentie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba1, is de tekst van de wet duidelijk en biedt deze geen ruimte voor een andere uitleg, dan dat de termijn van twee jaren – waarmee twee kalenderjaren worden bedoeld – aanvangt op de eerste dag van ziekmelding. De wettelijke termijn van twee jaren geldt dan ook ongeacht de vraag of binnen die termijn sprake is geweest van periodes van arbeidsgeschiktheid. Voor een verlenging van de termijn van twee jaar, biedt de wet evenmin mogelijkheid.

2.6

Niet in geschil is dat appellant vanaf 20 april 2015 onder ziektemeldingskaart 624886 aanspraak had op ziekengeld wegens hartklachten. Derhalve had hij vanaf 20 april 2017 geen aanspraak meer op ziekengeld ter zake van die ziekteoorzaak. Verder is evenmin in geschil dat appellant zich op 11 september 2019 opnieuw arbeidsongeschikt heeft gemeld wegens hartklachten en toen onder ziektemeldingskaart 798396 ziekengeld heeft ontvangen tot en met 15 september 2019, in afwachting van nader onderzoek door de bank naar de cardiale voorgeschiedenis van appellant.

2.7

Gelet op het voorgaande heeft de bank zich naar het oordeel van het College terecht op het standpunt mogen stellen dat de ziektemelding in september 2019 dezelfde ziekteoorzaak betreft als waarvoor appellant reeds twee jaar tegemoetkoming heeft genoten, zodat appellant op grond van artikel 5 LvZv geen recht meer heeft op ziekengeld.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is.

3 BESLISSING

Het College

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven op 25 maart 2021 door mr. N.K. Engelbrecht, voorzitter, H. Dirksz, en E.E. de Cuba, leden, in tegenwoordigheid van de secretaris.

Tegen deze beslissing staat geen hoger beroep open.

1 Vgl. Hof uitspraak van 9 oktober 2015, LJN ECLI:NL:OGHACMB:2015:14