Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:82

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
06-03-2020
Zaaknummer
AUA201904353
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Ex - artikel 54 Lar – Nu verzoeker heeft nagelaten in zijn bezwaarschrift, onderhavig verzoekschrift en/of ter zitting concrete feiten en omstandigheden aan te voeren, kan niet worden geconcludeerd dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de onverschoonbare termijnoverschrijding voor het indienen van een het bezwaarschrift hem niet kan worden tegengeworpen. Dit klemt te meer nu verzoeker procedeert met een gemachtigde. Het bezwaarschrift is te laat ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 4 maart 2020

Lar nr. AUA201904353

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het verzoek in de zin van artikel 54 van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[Verzoeker],

van Venezolaanse nationaliteit,

VERZOEKER,

gemachtigde: M.L. Hassell,

gericht tegen:

DE MINISTER VAN JUSTITIE, VEILIGHEID EN INTEGRATIE,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: J.M. Harewood en mr. A. Stenen (DIMAS).

PROCESVERLOOP

Bij beschikking, gedateerd 29 mei 2018 (bestreden beschikking), heeft verweerder het asielverzoek van verzoeker afgewezen. De bestreden beschikking is op 8 november 2019 door verzoeker ontvangen.

Tegen deze beschikking heeft verzoeker op 30 november 2019 bezwaar gemaakt, door het faxen van een pro-forma bezwaarschrift naar de Dimas.

Op 16 december 2019 heeft verzoeker bij dit gerecht een verzoekschrift ex artikel 54 van de Lar ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 15 januari 2020. Verzoeker is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde en verweerder bij zijn gemachtigde.

Uitspraak is bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1.1

Ingevolge artikel 11, eerste lid van de Lar, bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken en gaat deze in op de dag na die, waarop de beschikking is gedagtekend.

Ingevolge artikel 12, derde lid, blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege, indien de indiener aannemelijk maakt dat hij het geschrift heeft ingediend, zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden en het tegendeel daarvan niet blijkt.

1.2

De bestreden beschikking is gedagtekend 29 mei 2018. Ingevolge artikel 11, eerste lid van de Lar is de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen die beschikking op 30 mei 2018 aangevangen en op 10 juli 2018 geëindigd.

1.3

Niet in geschil is dat verzoeker de bestreden beschikking op 8 november 2019 heeft ontvangen. Ingevolge vaste jurisprudentie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (zie bv. uitspraak van 28 mei 2012; HLAR 50867/11; ECLI:NL:OGHNAA:2012:BX5143) is een bezwaarschrift zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kan worden ingediend, wanneer het is ingediend binnen twee weken na de ontvangst van de bestreden beschikking.

1.4

In dit geval is het pro-forma bezwaarschrift ingediend op 30 november 2019, derhalve niet binnen twee weken na ontvangst van de bestreden beschikking. Geconcludeerd moet dan worden dat het bezwaarschrift niet is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden. Dit betekent dat het bezwaarschrift niet-ontvankelijk zal moeten worden verklaard.

1.5

Het vorenstaande laat in beginsel onverlet dat onder bijzonder omstandigheden, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden als bedoeld in paragraaf 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 februari 1998 inzake Bahaddar tegen Nederland, LJN: AG8817, de noodzaak kan bestaan om een in het nationale recht neergelegde procedureregel niet tegen te werpen. Dit geldt ook voor een overschrijding van de bezwaar- of beroepstermijn. Het Europees Hof heeft het volgende overwogen:

“ 45. The Court notes at the outset that, although it has (…) held the prohibition of torture or inhuman or degrading treatment contained in Article 3 of the Convention to be absolute in expulsion cases as in other cases (see, inter alia, the abovementioned Chahal judgment, p. 1855, § 80), applicants invoking that Article are not for that reason dispensed as a matter of course from exhausting domestic remedies that are available and effective. It would not only run counter to the subsidiary character of the Convention but also undermine the very purpose of the rule set out in Article 26 of the Convention if the Contracting States were to be denied the opportunity to put matters right through their own legal system. It follows that, even in cases of expulsion to a country where there is an alleged risk of ill-treatment contrary to Article 3, the formal requirements and time-limits laid down in domestic law should normally be complied with, such rules being designed to enable the national jurisdictions to discharge their caseload in an orderly manner. Whether there are special circumstances which absolve an applicant from the obligation to comply with such rules will depend on the facts of each case. It should be borne in mind in this regard that in applications for recognition of refugee status it may be difficult, if not impossible, for the person concerned to supply evidence within a short time, especially if – as in the present case – such evidence must be obtained from the country from which he or she claims to have fled. Accordingly, time-limits should not be so short, or applied so inflexibly, as to deny an applicant for recognition of refugee status a realistic opportunity to prove his or her claim.”

1.6

Nu verzoeker heeft nagelaten in zijn bezwaarschrift, onderhavig verzoekschrift en/of ter zitting concrete feiten en omstandigheden aan te voeren, kan niet worden geconcludeerd dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de onverschoonbare termijnoverschrijding voor het indienen van een het bezwaarschrift hem niet kan worden tegengeworpen. Dit klemt te meer nu verzoeker procedeert met een gemachtigde.

1.7

Gelet op het voorgaande is voor het toepassen van artikel 54 van de Lar in dit geval geen grond. Het verzoek zal dan ook worden afgewezen.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- wijst het verzoek af.

Deze beslissing is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 maart 2020 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.