Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:81

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
04-03-2020
Datum publicatie
06-03-2020
Zaaknummer
AUA20200022
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Ex - artikel 54 Lar – Bahaddar overweging- De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder de asielaanvraag ondanks de toezegging daartoe niet aan het dossier heeft gevoegd, verder van oordeel dat een onmiddellijke uitvoering van de bestreden beschikking – in die zin dat verzoeker binnen dertig dagen Aruba dient te verlaten – voor verzoeker, zolang hij geen reële beslissing op zijn bezwaar heeft ontvangen, een onevenredig nadeel met zich mee zou brengen. Om die reden wordt het verzoek toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak van 4 maart 2020

Lar nr. AUA20200022

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het verzoek in de zin van artikel 54 van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

[Verzoeker],

van Venezolaanse nationaliteit,

VERZOEKER,

procederende in persoon,

gericht tegen:

DE MINISTER VAN JUSTITIE, VEILIGHEID EN INTEGRATIE,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigde: J.M. Harewood en mr. A. Stenen (DIMAS).

PROCESVERLOOP

Bij beschikking, gedateerd 29 mei 2018 (bestreden beschikking), heeft verweerder het asielverzoek van verzoeker afgewezen. De bestreden beschikking is op 19 november 2019 door verzoeker ontvangen.

Tegen deze beschikking heeft verzoeker op 7 januari 2020 bezwaar gemaakt.

Op 8 januari 2020 heeft verzoeker bij dit gerecht een verzoekschrift ex artikel 54 van de Lar ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 15 januari 2020, waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door voornoemde gemachtigden. Verzoeker is niet ter zitting verschenen.

Uitspraak is nader bepaald op heden.

OVERWEGINGEN

1.1

Ingevolge artikel 11, eerste lid van de Lar, bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken en gaat deze in op de dag na die, waarop de beschikking is gedagtekend.

Ingevolge artikel 12, derde lid, blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op die grond achterwege, indien de indiener aannemelijk maakt dat hij het geschrift heeft ingediend, zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden en het tegendeel daarvan niet blijkt.

1.2

De bestreden beschikking is gedagtekend 29 mei 2018. Ingevolge artikel 11, eerste lid van de Lar is de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift tegen die beschikking op 30 mei 2018 aangevangen en op 10 juli 2018 geëindigd.

1.3

Niet in geschil is dat verzoeker de bestreden beschikking op 19 november 2019 heeft ontvangen. Ingevolge vaste jurisprudentie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (zie bv. uitspraak van 28 mei 2012; HLAR 50867/11; ECLI:NL:OGHNAA:2012:BX5143) is een bezwaarschrift zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kan worden ingediend, wanneer het is ingediend binnen twee weken na de ontvangst van de bestreden beschikking.

1.4

In dit geval is het bezwaarschrift ingediend op 7 januari 2020, derhalve niet binnen twee weken na ontvangst van de bestreden beschikking. Geconcludeerd moet dan worden dat het bezwaarschrift niet is ingediend zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden. Dit betekent dat het bezwaarschrift niet-ontvankelijk zal moeten worden verklaard.

1.5

Het vorenstaande laat in beginsel onverlet dat onder bijzonder omstandigheden, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten en omstandigheden als bedoeld in paragraaf 45 van het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 februari 1998 inzake Bahaddar tegen Nederland, LJN: AG8817, de noodzaak kan bestaan om een in het nationale recht neergelegde procedureregel niet tegen te werpen. Dit geldt ook voor een overschrijding van de bezwaar- of beroepstermijn. Het Europees Hof heeft daartoe het volgende overwogen:

“ 45. The Court notes at the outset that, although it has (…) held the prohibition of torture or inhuman or degrading treatment contained in Article 3 of the Convention to be absolute in expulsion cases as in other cases (see, inter alia, the abovementioned Chahal judgment, p. 1855, § 80), applicants invoking that Article are not for that reason dispensed as a matter of course from exhausting domestic remedies that are available and effective. It would not only run counter to the subsidiary character of the Convention but also undermine the very purpose of the rule set out in Article 26 of the Convention if the Contracting States were to be denied the opportunity to put matters right through their own legal system. It follows that, even in cases of expulsion to a country where there is an alleged risk of ill-treatment contrary to Article 3, the formal requirements and time-limits laid down in domestic law should normally be complied with, such rules being designed to enable the national jurisdictions to discharge their caseload in an orderly manner. Whether there are special circumstances which absolve an applicant from the obligation to comply with such rules will depend on the facts of each case. It should be borne in mind in this regard that in applications for recognition of refugee status it may be difficult, if not impossible, for the person concerned to supply evidence within a short time, especially if – as in the present case – such evidence must be obtained from the country from which he or she claims to have fled. Accordingly, time-limits should not be so short, or applied so inflexibly, as to deny an applicant for recognition of refugee status a realistic opportunity to prove his or her claim.”

2. De voorzieningenrechter zal gelet op het bovenstaande onderzoeken of in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot het oordeel dat de onverschoonbare termijnoverschrijding niet aan verzoeker mag worden tegengeworpen.

Feiten

3. Bij de beoordeling gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

3.1

Verzoeker is op 14 oktober 2017 Aruba binnengekomen.

3.2

Op 20 juli 2018 heeft het UNHCR een verklaring (Asylum seeker certificate) aan verzoeker afgegeven, waarbij wordt verklaard dat verzoeker – kort gezegd – een asielaanvraag heeft ingediend.

3.3

In de bestreden beschikking van 29 mei 2018 heeft verweerder het asielverzoek van verzoeker afgewezen. In die beschikking staat – voor zover hier van belang – het volgende:

“Naar aanleiding van uw aanvraag d.d. 24 april 2018 tot verdragsbescherming, wil ik u hierbij het volgende mededelen.

Beslissing

Het is niet gebleken en/of niet aannemelijk gemaakt dat er gegronde vrees bestaat voor vervolging op grond van:

- - godsdienstige overtuiging,

- - politieke overtuiging,

- - nationaliteit,

- - ras of

- - behoren tot een sociale groep,

en/of er redenen zijn om aan te nemen dat bij een eventuele terugkeer, u een reëel risico loopt te worden onderworpen aan folteringen, aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.

Uw verzoek tot bescherming wordt op grond hiervan afgewezen.

Feiten/procedure

U heeft een beroep gedaan op verdragsbescherming door Land Aruba.

Naar aanleiding van dit asielverzoek bent u reeds (schriftelijk/mondeling) gehoord.

Motvering

(…)

Uit uw verklaring en/of overgelegde document(en) blijkt dat uw beroep op bescherming berust op economische motieven.

Economische motieven vallen niet onder de beschermingsgronden zoals aangegeven in het Vluchtelingenverdrag.

Een beroep op de algemene situatie in uw land van herkomst is onvoldoende om u als individu aan te merken als vluchteling.

U heeft niet duidelijk gemaakt dat indien u terugkeert naar Venezuela u zal worden vervolgd, waardoor uw leven of vrijheid bedreigd zal worden.

(…)”

Bezwaar

(…)

Ten overvloede merk ik op dat conform artikel 19 lid 3 van de Landsverordening Toelating en Uitzetting dient u binnen 30 dagen na de datum van verzending van deze beschikking (…) Aruba te verlaten.”

Standpunt verzoeker

4. Volgens verzoeker heeft hij – anders dan in de bestreden beschikking staat – op 24 april 2018 geen asielaanvraag ingediend. Hij heeft rond juli 2018 op het kantoor van de Rode Kruis in Aruba een verzoek gedaan om als vluchteling te worden erkend, en heeft toen een UNHCR-certificate voor asielzoekers ontvangen. Verder heeft hij ook nooit een interview gehad en dus nooit de gelegenheid gehad om de redenen waarom hij uit Venezuela is gevlucht en de redenen voor zijn vrees om terug te keren (nader) toe te lichten.

Wat betreft de gronden, heeft verzoeker in zijn bezwaarschrift aangevoerd dat hij een tegenstander van de overheid is, dat het bij de autoriteiten bekend is dat hij wapens thuis had omdat hij twee vergunningen had, dat de politie (CICPC) hem ervan betichtte dat hij een terrorist was die aan het samenzweren was tegen de overheid en dat ze hem zouden vinden en hem zouden opsluiten. Verder heeft verzoeker aangevoerd dat hij gedurende het jaar 2016 heef gewerkt als bodyguard van een politicus, die lid was van een partij die zich verzette tegen de overheidspartij, en dat hij vanwege deze connectie door de CICPC werd bedreigd. Politieagenten zijn meermalen in zijn winkel, waar men auto’s kon laten repareren en verven, geweest om hem te zoeken. Ook heeft de CICPC in januari/februari 2017 in zijn appartement ingebroken en heeft verzoeker in vier maanden tijd 20 oproepingen van de CICPC ontvangen, waarin ze verzoeker ervan beschuldigden dat hij deel uitmaakte van een rebellengroep “La resistencia” en dat ze hem daarvoor in de gevangenis zouden zetten. In de periode van augustus tot oktober 2017 ontving verzoeker bevelschriften van de CICPC om zich te melden. Verzoeker heeft geen gehoor gegeven aan deze bevelschriften omdat hij vreesde dat het een val was om hem te arresteren. Op 14 oktober 2017 is hij uit Venezuela gevlucht. Van zijn broer heeft verzoeker gehoord dat de CICPC meermalen bij verschillende familieleden is langs geweest om te vragen naar zijn verblijfplaats. Verzoeker betoogt dat hij vreest dat als hij terugkeert naar Venezuela hij door willekeurige detentie, foltering en fysiek en mentaal geweld zou worden getroffen, wat zelfs zou kunnen uitmonden in zijn dood.

Volgens verzoeker zal de uitvoering van de bestreden beschikking, inhoudende zijn gedwongen terugkeer naar Venezuela, onevenredig nadeel voor hem met zich meebrengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering te dienen belang.

Standpunt verweerder

5. Namens verweerder is ter zitting aangevoerd dat verzoeker inderdaad niet is gehoord op zijn asielaanvraag, omdat uit zijn aanvraag duidelijk was dat hij om economische motieven asiel vroeg. De feiten en omstandigheden die verzoeker in zijn bezwaarschrift heeft vermeld, heeft hij bij de aanvraag niet genoemd. De inhoud van het bezwaarschrift geeft aanleiding om hem wel te horen. Aldus verweerder.

Ter zitting heeft verweerder daarom gevraagd, toegezegd de schriftelijke asielaanvraag van verzoeker aan het dossier te voegen.

Beoordeling

6.1

Voor zover de toetsing aan het in artikel 54 van de Lar neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van het gerecht een voorlopig karakter en is dat niet bindend in de bodemprocedure.

6.2

Gelet op de feiten en omstandigheden in dit geval, met name dat de bestreden beschikking tot stand is gekomen zonder dat verweerder verzoeker in de gelegenheid heeft gesteld zijn asielaanvraag nader toe te lichten of aan te vullen, dat verweerder de bestreden beschikking ruim achttien maanden na dagtekening ervan heeft uitgereikt, dat een aanvraag wordt afgewezen die verzoeker onbekend is, alsmede gelet op het uitgebreide relaas van verzoeker in zijn bezwaarschrift, is de voorzieningenrechter van oordeel dat in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat de termijnoverschrijding voor het indienen van het bezwaarschrift verzoeker niet kan worden tegengeworpen.

5.3

De voorzieningenrechter is gelet op het bovenstaande en mede in aanmerking genomen dat verweerder de asielaanvraag ondanks de toezegging daartoe niet aan het dossier heeft gevoegd, verder van oordeel dat een onmiddellijke uitvoering van de bestreden beschikking – in die zin dat verzoeker binnen dertig dagen Aruba dient te verlaten – voor verzoeker, zolang hij geen reële beslissing op zijn bezwaar heeft ontvangen, een onevenredig nadeel met zich mee zou brengen. Om die reden wordt het verzoek toegewezen.

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

  • -

    schorst de bestreden beschikking;

  • -

    bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker de beslissing op bezwaar in Aruba mag afwachten;

  • -

    gelast de teruggave aan verzoeker van het gestorte griffiegeld van Afl. 25,-.

Deze beslissing is gegeven door mr. N.K. Engelbrecht, rechter in dit gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 maart 2020 in aanwezigheid van de griffier.

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.