Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:68

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
18-02-2020
Datum publicatie
28-02-2020
Zaaknummer
AUA201903581
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

civiel – ej – verlenging ondertoezichtstelling met omgangsregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking van 18 februari 2020

Behorend bij EJ nr. AUA201903581

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

op het verzoek van:

DE VOOGDIJRAAD,

kantoorhoudend in Aruba,

VERZOEKER,

vertegenwoordigd.

Belanghebbenden:

[Naam moeder], de moeder,

[Naam vader], de vader,

[Naam gezinsvoogd], de gezinsvoogd,

[Naam voorgestelde voogd], de voorgestelde voogd.

[Naam minderjarige], geboren op [geboortedatum 2016 in Colombia,

de minderjarige,

1 DE PROCEDURE

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift, ingediend op 9 oktober 2019;

  • -

    de mondelinge behandeling ter zitting met gesloten deuren van 7 januari 2020, waar zijn verschenen mevrouw mr. [naam voogdijraad medewerker] voor de Voogdijraad, de gezinsvoogd voornoemd, en de voorgestelde voogd in persoon. De ouders hebben geen verweerschrift ingediend en zijn, ondanks daartoe behoorlijk te zijn opgeroepen, niet verschenen.

De uitspraak is bepaald op heden.

2 DE FEITEN

2.1

De minderjarige is geboren uit de affectieve relatie tussen de ouders en is door de vader erkend. De moeder oefent van rechtswege het ouderlijk gezag over de minderjarige alleen uit.

2.2

Op 14 november 2016 heeft het openbaar ministerie de minderjarige aan het gezag van de moeder onttrokken en voorlopig aan de Voogdijraad toevertrouwd. De minderjarige is toen bij een pleeggezin (bij de voorgestelde voogd) geplaatst. Deze voorlopige toevertrouwing is vervolgens vervallen, omdat het openbaar ministerie de vordering tot bekrachtiging introk.

2.3

Bij beschikking van 24 januari 2017 (EJ nr. 141 van 2017) heeft dit gerecht de minderjarige voorlopig onder toezicht geplaatst, en de geleidelijke teruggave van de minderjarige aan de moeder gelast, onder toezicht van de gezinsvoogdes. Daarbij heeft het gerecht het volgende overwogen:

“ 4.7 Naar het oordeel van het gerecht zijn uit het rapport van de Voogdijraad noch uit het verhandelde ter zitting (voldoende) feiten en omstandigheden gebleken die het noodzakelijk maken dat de minderjarige, hangende het onderzoek maar de vraag of de ondertoezichtstelling geboden is, voorlopig onder toezicht moet worden gesteld. Dat de minderjarige tijdens een ruzie tussen de ouders op de motorkap van de auto is geplaatst is geen reden om haar ruim twee maanden later voorlopig onder toezicht te stellen, met uithuisplaatsing. Van een acute noodsituatie waarbij de minderjarige met zedelijke of lichamelijke ondergang wordt bedreigd, is immers geen sprake (meer).

4.8

Ter zitting heeft de voorgestelde gezinsvoogdes evenwel naar voren gebracht dat de behandelend kinderarts haar heeft uitgelegd dat een onmiddellijke terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder tot ontwikkelingsproblemen bij de minderjarige zal kunnen leiden. Dit, omdat de minderjarige bij het pleeggezin wel de nodige aandacht heeft gekregen en inmiddels aan hen gehecht is geraakt. Vanwege de hechtingsstoornis die bij de minderjarige is geconstateerd ten aanzien van de moeder, zal een terugplaatsing bij de moeder geleidelijk aan moeten geschieden.

4.9

Gelet hierop zal het gerecht de minderjarige voorlopig onder toezicht plaatsen, zodat de terugplaatsing van de minderjarige aan de moeder geleidelijk doch zo spoedig mogelijk en onder toezicht zal geschieden. (…)”

2.4

Bij beschikking van 16 mei 2017 (EJ nr. 142 van 2017) heeft het gerecht de minderjarige onder toezicht geplaatst voor de duur van zes maanden, en het verzoek om uithuisplaatsing van de minderjarige, afgewezen. Daartoe heeft het gerecht het volgende overwogen:

“4.3 De gezinsvoogdes heeft ter zitting van 7 maart 2017 aangegeven dat sinds de voorlopige ondertoezichtstelling van 24 januari 2017 er vier bezoekmomenten van twee uurtjes tussen de moeder en de minderjarige hebben plaatsgevonden waarvan twee in het bijzijn van het pleeggezin. Het feit dat zo weinig contact heeft plaatsgevonden heeft er mee te maken dat de gezinsvoogdes niet langer dan twee uurtjes per week beschikbaar heeft om de moeder te begeleiden. De Voogdijraad schrijft in haar rapport dat de minderjarige zich goed ontwikkelt in het pleeggezin en dat zij daar inmiddels gehecht is. De moeder geeft daarentegen geen concrete voornbeelden van wat maakt dat zij zich klaar voelt voor de terugkomst van de minderjarige. De moeder heeft onvoldoende inzicht in de behoeftes van de minderjarige. Zo laat het initiatief om de minderjarige te verzorgen/beschermen nog vaak te wensen over waardoor de veiligheid van de baby niet gegarandeerd kan worden.

De moeder geeft aan dat zij de verzorging van de minderjarige wel aankan. Zij weet niet wat zij nog meer moet doen om aan te tonen dat zij de verzorging en opvoeding van de minderjarige aankan. Zij heeft geen contact meer met de vader van de minderjarige, aldus de moeder.

4.4

Het gerecht is van oordeel dat niet is voldaan aan de beschikking van 24 januari 2017 om de minderjarige geleidelijk doch zo spoedig mogelijk bij de moeder terug te plaatsen. Twee uurtjes per week is onvoldoende om het terugplaatsingstraject naar de moeder te begeleiden. Niet is voldaan aan de criteria van artikel 1:263, eerste lid, nu niet is komen vast te staan dat de moeder niet in staat zou zijn om de minderjarige te verzorgen en op te voeden. Hoe langer de minderjarige bij het pleeggezin opgroeit hoe groter de hechtingsproblematiek zal worden. Uitgangspunt bij pleegzorg is dat de pleegzorg tijdelijk van aard is. Bij een voorgenomen terugplaatsing zal er altijd een vorm van hechtingsproblematiek zijn maar dat is nu eenmaal onlosmakelijk verbonden aan het uit een gezin halen van een kind en op termijn weer terugplaatsen.

4.5

Gelet op het bovenstaande zal het gerecht de minderjarige onder toezicht stellen voor de duur van zes maanden. Het gerecht overweegt voorts dat de belangen van de minderjarige voldoende worden beschermd met een ondertoezichtstelling en dat het niet noodzakelijk is haar in het belang van haar verzorging en opvoeding uit huis te plaatsen. Het verzoek tot uithuisplaatsing zal worden afgewezen. (…)”

2.5

Op 30 mei 2017 heeft het openbaar ministerie de minderjarige (wederom) aan het gezag van de moeder onttrokken en voorlopig aan de Voogdijraad toevertrouwd.

Bij beschikking van 22 augustus 2017 (AUA201701832) is de moeder van het gezag over de minderjarige geschorst en is de minderjarige voorlopig aan de Voogdijraad toevertrouwd, totdat omtrent de ontzetting is beslist. Daartoe heeft het gerecht het volgende overwogen.

“3.6 Uit het rapport van de voogdijraad van 5 juni 2017 volgt dat tijdens de ondertoezichtstelling ernstige bezorgdheden geconstateerd zijn ten aanzien van het handelen van de moeder. De moeder heeft geen inzicht in de ontwikkeling en behoeften van de minderjarige en staat niet open voor hulp. De Voogdijraad is van mening dat het niet zonder risico is om de verzorging en opvoeding van de minderjarige volledig aan de moeder over te laten. Uitgaande van de huidige woon- en leefsituatie van de moeder zal zij niet in staat zijn om de minderjarige met een ontwikkelingsachterstand een veilige en stabiele leefomgeving te bieden.

3.7

Gelet hierop en op het verhandelde ter zitting is het gerecht van oordeel dat de door de wet aangegeven gronden voor de voorlopige maatregel aannemelijk zijn geworden en dat het in het belang van de minderjarige is dat de moeder voorlopig geheel in de uitoefening van het gezag over haar wordt geschorst. (…)”

2.6

Bij beschikking van 3 oktober 2017 (AUA201702012) is het verzoek om ontzetting van de moeder van het gezag over de minderjarige, afgewezen. Het gerecht heeft daartoe het volgende overwogen:

“4.2 Uit het rapport van de Voogdijraad van 16 augustus 2017 volgt dat [Naam minderjarige] sedert 27 september 2016 bij de Voogdijraad bekend is, na een melding van de medisch maatschappelijk werkster van het ziekenhuis. Volgens deze maatschappelijk werkster was er sprake van ernstige verwaarlozing van de minderjarige. Uit het rapport volgt voorts dat de Voogdijraad van mening is dat de moeder geen inzicht heeft in de ontwikkeling/behoeftes van de minderjarige, noch in haar eigen handelen. Voorts weigert moeder hulp te aanvaarden, heeft zij onvoldoende inkomen om in de behoeftes van de minderjarige te voorzien en mist moeder een gezond netwerk. De minderjarige heeft een hechtingsstoornis, die alleen verholpen kan worden in een omgeving waar zij de nodige aandacht, liefde, en structuur geboden wordt. Dit laatste is het geval in het pleeggezin. Daarom is dit de meest geschikte verblijfplaats voor [Naam minderjarige]. Dit alles aldus de Voogdijraad.

4.3

De moeder heeft ter zitting te kennen gegeven dat zij bijstand ontvangt en tijd heeft om voor haar kinderen te zorgen. Zij beseft dat zij incorrect heeft gehandeld toen zij met de vader was. Ook heeft zij aangevoerd dat zij niet op de hoogte was dat de minderjarige speciale aandacht nodig had omdat zij prematuur is geboren. De moeder verzet zich tegen de ontzetting.

4.4

Hoewel uit het rapport van de Voogdijraad volgt dat er twijfels zijn ten aanzien van de opvoedkundige kwaliteiten van de moeder, is het gerecht van oordeel dat er geen sprake is van een of meerdere gronden zoals vermeld in artikel 1:269 BW. Hiervoor moet vast staan dat moeder zich schuldig maakt aan grove verwaarlozing van de verzorging en opvoeding van de minderjarige, slecht levensgedrag dan wel dat zij in ernstige mate de aanwijzingen van de gezinsvoogd veronachtzaamt. De in het rapport geschetste feiten en omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van het gerecht (nog) geen ontzetting. Daar komt bij dat moeder tevens de zorg heeft voor een andere minderjarige en zij hiervoor kennelijk wel geschikt wordt bevonden.(…)”

2.7

Tegen deze laatste beschikking heeft de Voogdijraad beroep aangetekend. Bij beschikking van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 23 oktober 2018 (AUA2018H00161) is de beschikking waarvan beroep bevestigd, en is de minderjarige onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar met bevolen plaatsing bij het pleeggezin. Het Hof heeft daartoe het volgende overwogen:

“3.10 Het Hof is ervan overtuigd op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting – de moeder was aanwezig en is door het Hof gehoord – dat het kind thans in het pleeggezin moet blijven. De moeder is door haar moeder uit huis gezet en heeft kennelijk geen behoorlijke woning. Zij heeft een nieuwe vriend die drugs gebruikt of heeft gebruikt. De moeder is wederom zwanger. Zij heeft een oogaandoening en over haar gezichtsvermogen bestaat onduidelijkheid. Zij heeft een drugstest geweigerd. Bij elkaar genomen leiden deze omstandigheden het Hof tot de conclusie dat de moeder op dit moment onvoldoende in staat is het kind de zorg, de veiligheid en de aandacht te geven die het nodig heeft.

3.11

Het gaat goed met het kind bij de pleegouders. Het is aan de pleegouders gehecht. Fysiek contact tussen het kind en de moeder is problematisch. Het thans weghalen van het kind bij de pleegouders is in strijd met het belang van het kind dat in de gegeven omstandigheden van dit geval op dit moment zwaarder moet wegen dan het belang van de moeder bij hereniging.

3.12

Ontneming van het gezag is echter een zware maatregel, ofschoon er ook zwaarwegende bezwaren bestaan tegen het jarenlang telkens weer verlengen van een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing. Ook het pleeggezin moet na niet al te lange tijd weten waar het aan toe is.

3.13

Alles afwegende acht het Hof op dit moment een ondertoezichtstelling met uithuisplaatsing de meest geëigende maatregel. (…)”.

3 HET VERZOEK

3.1

Het - ter zitting gewijzigde - verzoek strekt primair tot ontzetting en subsidiair tot ontheffing van de moeder uit het ouderlijk gezag over de minderjarige met benoeming van de pleegvader, [Naam voorgestelde voogd] tot voogd.

3.2

Aan het verzoek heeft de Voogdijraad ten grondslag gelegd, dat de moeder geen band heeft met de minderjarige en geen initiatief neemt noch interesse toont om hierin verandering te brengen. Verder, dat de moeder geen inzicht heeft in haar aandeel van de problematiek, de afspraken met de gezinsvoogd niet nakwam, vaak afwezig was, of laat, en de aanwijzingen niet opvolgde waardoor de ondertoezichtstelling niet het beoogde resultaat heeft bereikt. De moeder heeft wegens grove verwaarlozing en slecht levensgedrag al geruime tijd het gezag over de minderjarige niet adequaat uitgeoefend, aldus de Voogdijraad.

Het pleeggezin kan heel goed inspelen op de behoeftes van de minderjarige, de minderjarige heeft sinds haar plaatsing bij het pleeggezin enorme vooruitgang geboekt, en de pleegouders beschikken over de nodige pedagogische kwaliteiten.

4 DE BEOORDELING

4.1

Het verzoek tot ontzetting is gebaseerd op artikel 1:269 van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (BW).

Deze maatregel is de zwaarste en de meest infamerende van de bestaande kinderbeschermingsmaatregelen. Door middel van deze kinderbeschermingsmaatregel kan immers een einde worden gemaakt aan het ouderlijk gezag als sprake is van moedwillig plichtsverzuim of onwaardigheid de taak als opvoeder te vervullen. De ontzetting heeft derhalve een onterend en verwijtend karakter. Op grond van het eerste lid geldt dat de ontzetting in het belang van het kind noodzakelijk moet zijn. Daarnaast dient voor de ontzetting een grond te bestaan.

4.2

Het gerecht is, gelet op de inhoud van de overgelegde stukken en rapport van de gezinsvoogd, en het verhandelde ter zitting van oordeel dat er geen sprake is van een of meerdere gronden zoals vermeld in artikel 1:269 BW. Zoals het gerecht al eerder heeft overwogen, moet hiervoor immers vast staan dat moeder zich schuldig maakt aan grove verwaarlozing van de verzorging en opvoeding van de minderjarige, slecht levensgedrag dan wel dat zij in ernstige mate de aanwijzingen van de gezinsvoogd veronachtzaamt. De in het rapport geschetste feiten en omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van het gerecht geen ontzetting.

4.3

Wat betreft het verzoek om de moeder van het gezag over de minderjarige te ontheffen, overweegt het gerecht als volgt.

Op grond van artikel 1:266 BW kan de rechter – op verzoek van de Voogdijraad – een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontheffen, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet. Een ontheffing kan niet worden uitgesproken indien de ouder zich daartegen verzet, tenzij zich één van de uitzonderingen, genoemd in artikel 1:268 lid 2 BW, voordoet.

4.4

In dit geval is gebleken dat de minderjarige toen ze amper drie maanden oud was, aan de zorg van de moeder is onttrokken en in een pleeggezin is geplaatst. Ondanks de diverse rechterlijke uitspraken vanaf januari 2017 om de minderjarige (al dan niet geleidelijk) terug te plaatsen bij de moeder – omdat er geen reden was voor een uithuisplaatsing en ter voorkoming van verdere hechtingsproblematiek – constateert het gerecht dat de minderjarige sinds de eerste uithuisplaatsing op 14 november 2016 nooit meer aan de moeder is teruggegeven.

Dat er nu sprake is van hechtingsproblematiek, is dus niet in overwegende mate aan de moeder te wijten. Zij heeft immers vanaf november 2016 haar gezag feitelijk niet kunnen uitoefenen, vanwege de halsstarrige houding van de betrokken hulpverleningsinstanties en hun weigering om (uitvoering te geven aan rechterlijke uitspraken om) de minderjarige bij haar terug te plaatsen. Dat de moeder ongeschikt of onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen is daarom niet gebleken. Dat zij haar afspraken met de gezinsvoogd niet altijd nakwam, of soms te laat was voor de bezoekmomenten met de minderjarige maakt haar nog niet ongeschikt of onbekwaam. Daar komt bij dat moeder tevens de zorg heeft voor twee andere minderjarigen en zij hiervoor kennelijk wel geschikt wordt bevonden.

4.5

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het verzoek van de Voogdijraad integraal zal worden afgewezen. Het gerecht ziet gelet op de feiten en omstandigheden van dit geval en het verhandelde ter zitting wel aanleiding om de ondertoezichtstelling, met toepassing van artikel 1:258, eerste lid BW, te verlengen voor de duur van één jaar ingaande 23 oktober 2019, met handhaving van de plaatsing van de minderjarige bij het pleeggezin waar ze nu woont, met dien verstande dat de minderjarige geleidelijk teruggeplaatst dient te worden bij de moeder. In dat verband zal het gerecht de hieronder vermelde omgangsregeling tussen de moeder en de minderjarige vaststellen.

5 DE BESLISSING

Het gerecht:

verlengt de ondertoezichtstelling van [Naam minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2016 in Colombia, voor de duur van één jaar ingaande 23 oktober 2019,

benoemt [Naam gezinsvoogd] tot gezinsvoogd,

stelt de volgende omgangsregeling tussen de moeder, [Naam moeder], en de minderjarige vast:

* in de maand februari 2020 (tussen 18 en 29 februari):

- minstens twee dagen per week, voor minstens twee aaneengesloten uren, onder toezicht van de gezinsvoogd;

* in de maanden maart en april 2020:

- minstens twee dagen per week, voor minstens drie aaneengesloten uren, waarbij de moeder de minderjarige bij het pleeggezin ophaalt en daar weer terugbrengt;

* in de maanden mei en juni 2020:

- minstens twee dagen per week, voor minstens drie aaneengesloten uren,

- om het weekend: vanaf zaterdagmorgen 10.00 uur tot zondagmiddag 17:00 uur, waarbij de moeder de minderjarige telkens bij het pleeggezin ophaalt en daar weer terugbrengt,

* in de maanden juli en augustus 2020:

- minstens drie dagen per week, voor minstens vier uren, en waarbij de minderjarige minstens een keer blijft overnachten,

- om het weekend: vanaf vrijdagmiddag 17:00 uur tot zondagmiddag 17:00 uur,

waarbij de moeder de minderjarige telkens bij het pleeggezin ophaalt en daar weer terugbrengt,

* in de maanden september tot 23 oktober 2020:

- minstens twee dagen per week, voor minstens vier uren,

- minstens twee (andere) dagen per week met overnachting,

- om het weekend: vanaf vrijdagmiddag 17:00 uur tot zondagmiddag 17:00 uur,

waarbij de moeder de minderjarige telkens bij het pleeggezin ophaalt en daar weer terugbrengt,

* vanaf 24 oktober 2020:

- volledige terugplaatsing bij moeder,

verwijst de zaak naar de zitting van dinsdag 12 mei 2020 om 14:00 uur ter evaluatie van de ondertoezichtstelling en de omgangsregeling,

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven op dinsdag, 18 februari 2020 door de rechter mr. N.K. Engelbrecht, in tegenwoordigheid van de griffier.