Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:OGEAA:2020:575

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
01-02-2021
Zaaknummer
AUA202002570
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Arbeid - Verzoek tot ontbinding arbeidsovereenkomst wordt afgewezen -

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking van 22 december 2020

Behorend bij AUA202002570

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

BESCHIKKING

in de zaak van:

de naamloze vennootschap

ITP PRODUCTS & SERVICES CORPORATION N.V.,

te Aruba,

verzoekster,

hierna ook te noemen: ITP,

gemachtigde: de advocaat mr. C.B.A. Coffie,

tegen

[Naam verweerster],

wonende te Aruba,

verweerster,

hierna ook te noemen: [verweerster],

gemachtigde: de advocaat mr. J.A.R. Bryson.

1 DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met producties;

- het verweerschrift;

- nader toegezonden producties zijdens ITP;

- de mondelinge behandeling van de zaak ter terechtzitting van 20 november 2020.

1.2

Ter terechtzitting zijn verschenen: ITP bij zijn gemachtigde, die werd vergezeld door de heer [naam directeur] (statutair directeur van ITP) en [verweerster] samen met haar gemachtigde. Partijen hebben in twee termijnen het woord gevoerd, mede aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen, en hebben gereageerd of kunnen reageren op elkaars stellingen.

1.3

Aan partijen is meegedeeld dat vandaag beschikking zal worden gegeven.

2 DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende bestreden alsmede op grond van overgelegde producties voor zover niet of onvoldoende bestreden staat onder meer het volgende vast tussen partijen.

2.2

ITP exploiteert een bouw- en constructiebedrijf in Aruba.

2.3 [

Verweerster] is op 7 augustus 2017 in loondienst getreden van ITP, in de functie van “Administration Clerk”, tegen een brutoloon van Afl. 1.900, -- per maand.

2.4 [

Verweerster] heeft voor het laatst gewerkt op 31 augustus 2020. Op die dag hebben partijen een bespreking gehad over de beëindiging van het dienstverband van [verweerster].

2.5

Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over de door ITP aan [verweerster] uit te keren beëindigingsvergoeding.

2.6

Bij e-mailbericht van 11 september 2020 wordt ITP door een arbeidsbemiddelaar van de Directie Arbeid en Onderzoek erop gewezen dat [verweerster] vooralsnog haar loon over de maand augustus 2020 niet heeft ontvangen en dat [verweerster] nog altijd in dienst is van ITP, zolang de beëindigingsovereenkomst niet is ondertekend.

2.7 [

Verweerster] heeft bij brief van 14 september 2020 de nietigheid van een eventueel door ITP verleend ontslag ingeroepen en heeft zij zich bereid verklaard de bedongen arbeid te blijven verrichten.

2.8

Bij brief van 16 september 2020 heeft [verweerster] ITP bevestigd dat zij zich beschikbaar heeft gehouden om haar werkzaamheden te verrichten en dat zij zich bereid heeft verklaard om haar werkzaamheden per direct te hervatten. Verder heeft [verweerster] ITP bij diezelfde brief gesommeerd haar achterstallig loon over de maanden augustus tot en met oktober 2020 te betalen.

2.9

Op 21 september 2020 heeft ITP gereageerd op bovengenoemd schrijven van [verweerster].

2.10

Op 22 september 2020 ontvangt ITP een audio bericht van ene [naam van de neef], zijnde een neef van [verweerster] (hierna: de neef), met het advies om het arbeidsgeschil met [verweerster] te regelen.

2.11

Bij brief van 24 september 2020 is [verweerster] medegedeeld dat ITP de voorkeur aan geeft om het geschil in der minne te regelen en heeft ITP [verweerster] uiterlijk tot 28 september 2020 de tijd daartoe gegeven.

2.12

ITP heeft op bovengenoemd schrijven geen reactie ontvangen.

3 DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN

3.1

ITP verzoekt het Gerecht - bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad - de tussen

partijen gesloten arbeidsovereenkomst (hierna: de arbeidsovereenkomst) dadelijk, dan wel op een zo kort mogelijke termijn te ontbinden indien en voorzover bij rechterlijk gewijsde komt vast te staan dat die overeenkomst nog steeds bestaat, zonder toekenning van een billijke vergoeding aan [verweerster], met veroordeling van [verweerster] in de kosten van de procedure, waaronder begrepen de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2

ITP legt aan haar verzoek ten grondslag dat sprake is van gewichtige redenen, bestaande uit een dringende reden dan wel verandering in de omstandigheden, die meebrengen dat de arbeidsovereenkomst - zo die nog bestaat - dadelijk dan wel op korte termijn behoort te eindigen.

3.3 [

Verweerster] voert verweer en concludeert primair tot afwijzing van het door ITP verzochte en subsidiair tot toewijzing daarvan onder toekenning van een billijke vergoeding. Verder verzoekt [verweerster] het Gerecht om haar toestemming te verlenen om kosteloos te procederen.

4 DE BEOORDELING

beëindiging arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden

4.1

Het Gerecht stelt voorop - in verband met het geschil tussen partijen over de vraag of [verweerster] al dan niet heeft ingestemd met een beëindiging van het dienstverband, dan wel dat ITP [verweerster] (op staande voet) heeft ontslagen - dat het in deze procedure om de vraag draait of zich omstandigheden voordoen die een gewichtige reden voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst vormen. De stellingen van partijen omtrent de vraag of [verweerster] al dan niet op 31 augustus 2020 ontslag heeft genomen, dan wel dat ITP [verweerster] op bedoelde datum heeft ontslagen zullen om die reden onbesproken blijven.

4.2

Ter beoordeling van het Gerecht ligt voor de vraag of de door ITP gestelde gedragingen van [verweerster] een dringende reden opleveren, dan wel dat zich als gevolg daarvan veranderingen in de omstandigheden hebben voorgedaan die van dien aard zijn dat niet van ITP kan worden verwacht de arbeidsovereenkomst voort te laten duren.

4.3

Ingevolge artikel 7A:1615w, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek van Aruba (BW) is iedere partij te allen tijde bevoegd zich wegens gewichtige redenen tot de rechter te wenden met het verzoek de arbeidsovereenkomst te ontbinden. Als gewichtige redenen worden onder meer beschouwd omstandigheden welke een dringende reden als bedoeld in artikel 7A:1615o lid 1 BW zouden hebben opgeleverd, alsook veranderingen in de omstandigheden welke van dien aard zijn dat de dienstbetrekking billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Indien de rechter het verzoek inwilligt wegens veranderingen in de omstandigheden, kan hij op grond van het vijfde lid van bedoeld artikel, zo hem dat met het oog op de omstandigheden van het geval billijk voorkomt, aan een der partijen ten laste van de wederpartij een vergoeding toekennen.

4.4

ITP beroept zich primair op het bestaan van een dringende reden. In dat verband heeft ITP de volgende punten aangevoerd.

a. a) ITP is in september 2020 via een audio opname van de neef bedreigd met het openbaar maken van interne informatie van het bedrijf, indien het arbeidsconflict met [verweerster] niet wordt geregeld. ITP stelt zich op het standpunt dat dit een vorm is van afpersing, hetgeen ontoelaatbaar is. Verder heeft ITP geteld dat hiermee bevestigd wordt dat [verweerster] (vertrouwelijke) informatie aan een derde heeft verstrekt;

b) [Verweerster] heeft, zonder toestemming, op kosten van ITP voor eigen gebruik een afvalcontainer besteld. ITP is pas in november van dit jaar hierachter gekomen, nadat het bedrijf dat de afvalcontainer heeft verhuurd haar daarvan op de hoogte heeft gesteld. [verweerster] heeft deze actie verborgen gehouden door de factuur niet aan de directeur voor te leggen, met als gevolg dat het openstaande bedrag tot op heden niet is betaald. ITP stelt zich op het standpunt dat [verweerster] met deze handeling fraude heeft gepleegd;

c) [Verweerster] heeft in augustus 2020 geweigerd om het aanvraagformulier voor loonsubsidie in te vullen, en heeft daarmee het verkrijgen van loonsubsidie ten behoeve van al het overige personeel op het spel gezet;

d) Er sprake is van voorvallen die zich in het verleden hebben voorgedaan die geleid hebben tot disciplinaire maatregelen, waaronder een schorsing.

4.5

Het Gerecht overweegt als volgt.

de audio opname van de neef

4.6 [

Verweerster] heeft erkend dat haar neef bedoelde audio opname naar ITP heeft verzonden, maar heeft gesteld die neef nimmer de opdracht te hebben gegeven om namens haar enig bericht op te nemen en te versturen. Nu ITP deze stelling van [verweerster] niet heeft weersproken, is het naar het oordeel van het Gerecht niet aannemelijk dat [verweerster] iets te maken heeft met het opnemen en het versturen van bedoeld bericht.

ITP heeft verder gesteld dat sprake is van een dringende reden, omdat [verweerster] (vertrouwelijke) informatie van het bedrijf aan een derde, zijnde de neef, heeft verstrekt. [verweerster] heeft in haar verweer tegenover dit standpunt van ITP gesteld dat zij alleen maar advies heeft ingewonnen bij de neef ter zake het tussen partijen spelende arbeidsconflict. Nu ITP deze stelling van [verweerster] niet langer heeft weersproken, zal het Gerecht er vanuit gaan dat de stelling van [verweerster] juist is. Aan de stelling van ITP dat [verweerster] vertrouwelijke informatie aan een derde heeft verstrekt, zal om die reden voorbij worden gegaan. Indien ITP met “(vertrouwelijke) informatie” bedoeld heeft de informatie ter zake de onderhandeling met betrekking tot de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, dan nog is het Gerecht van oordeel dat nergens uit blijkt dat [verweerster] dergelijke informatie niet met een derde mocht delen.

afvalcontainer voor eigen gebruik

4.7 [

Verweerster] heeft de hiervoor onder b) vermelde stellingen van ITP gemotiveerd bestreden. Die stellingen staat daarom niet vast, en het Gerecht ziet geen grond om ze aannemelijk te oordelen. Dit klemt temeer omdat gesteld noch is gebleken dat bedoelde factuur door toedoen van [verweerster] buiten de ook voor de directeur van ITP toegankelijke administratie van ITP is gehouden, hetgeen toch voor de hand zou liggen als [verweerster] te dezen kwade bedoelingen had. Dat de factuur niet is betaald, betekent nog niet dat dit komt door kwaad opzet van [verweerster]. Dit geldt temeer nu ter zitting is gebleken dat naast de factuur die ziet op de door [verweerster] bestelde afvalcontainer ook andere facturen - die niets te maken hebben met [verweerster] - niet zijn betaald. Gelet op het voorgaande is het Gerecht van oordeel dat niet de conclusie getrokken kan worden dat [verweerster] fraude heeft gepleegd zoals door ITP gesteld.

het verkrijgen van loonsubsidie voor het overige personeel op het spel gezet

4.8

De stelling van ITP dat [verweerster] het verkrijgen van loonsubsidie voor het overige personeel op het spel heeft gezet omdat zij geweigerd heeft het aanvraagformulier in te vullen, kan het Gerecht niet volgen, nu uit de door ITP overgelegde brief van de Sociale Verzekeringsbank van 27 augustus 2020 duidelijk blijkt dat dat niet het geval is. In bedoelde brief staat immers vermeld dat slechts ten aanzien van de werknemer die weigert het formulier te ondertekenen geen loonsubsidie zal worden versterkt.

voorvallen die zich in het verleden hebben voorgedaan en die geleid hebben tot disciplinaire maatregelen

4.9

Ter onderbouwing van haar stelling dat er sprake is van een dringende reden heeft ITP verder verwezen naar voorvallen die zich in het verleden hebben voorgedaan, waarvoor [verweerster] een waarschuwing dan wel een schorsing heeft gekregen. Naar het oordeel van het Gerecht kan aan die voorvallen niet een zodanig zwaarwegend belang worden toegekend dat die thans een dringende reden opleveren, nu ITP die gedragingen destijds kennelijk niet als dermate ernstig heeft beschouwd om [verweerster] op grond daarvan te ontslaan, dan wel dat die gedragingen te ver in het verleden liggen om thans te spreken van een dringende reden. Verder is het Gerecht van oordeel dat het om betrekkelijk geringe verwijten gaat die terecht zijn afgedaan in de disciplinaire sfeer.

4.10

Het Gerecht is op grond van het voorgaande van oordeel dat van een dringende reden die de ontbinding van de arbeidsovereenkomst rechtvaardigt, geen sprake is. Daarmee komt het Gerecht toe aan de vraag of zich zodanige veranderingen in de omstandigheden voordoen dat van ITP niet gevergd kan worden het dienstverband met [verweerster] voort te zetten.

4.11

Ter onderbouwing van haar stelling dat er sprake is van verandering van omstandigheden heeft ITP onder meer verwezen naar de audio opname die ITP van de neef van [verweerster] heeft ontvangen en naar de omstandigheid dat [verweerster] zonder toestemming van en op kosten van ITP een afvalcontainer zou hebben besteld voor eigen gebruik. Verder heeft ITP gesteld dat [verweerster] geen redelijke instructies kan volgen, dat een simpele instructie al tot spanning tussen partijen leidt en dat de verstoring van de verhouding tussen partijen te wijten is aan de opstelling van [verweerster]. [verweerster] heeft immers geweigerd om in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tot een regeling te komen en [verweerster] heeft ontkend dat partijen een beëindiging van de arbeidsovereenkomst zijn overeengekomen.

4.12

Voor wat betreft de gedragingen van [verweerster] met betrekking tot het verstuurde audiobericht en de bestelde afvalcontainer is het Gerecht van oordeel dat die geen verandering van omstandigheden opleveren in de vorm van een vertrouwensbreuk tussen partijen, nu het Gerecht hierboven heeft overwogen dat het versturen van het audiobericht door de neef niet aan [verweerster] valt te verwijten en dat niet aannemelijk is geworden dat [verweerster] met de gang van zaken betreffende de afvalcontainer fraude heeft gepleegd.

4.13

Met betrekking tot het verwijt dat [verweerster] geen redelijke instructies kan volgen hetgeen tot spanningen tussen partijen leidt, geldt dat daaraan voorbij wordt gegaan, nu deze stelling verder niet is onderbouwd en aldus niet kan worden geoordeeld of die juist is.

4.14

Ook de stelling van ITP dat de verstoring van de verhouding tussen partijen aan de opstelling van [verweerster] te wijten is, kan het Gerecht niet volgen. Om van een beëindiging van de arbeidsovereenkomst te kunnen spreken is van belang dat partijen onder meer doch met name overeenstemming bereiken over de uit te betalen beëindigingsvergoeding. Vast staat dat partijen over dat punt geen overeenstemming hebben bereikt, zodat terecht gesteld kan worden dat partijen geen beëindiging van de arbeidsovereenkomst zijn overeengekomen. Verder overweegt het Gerecht dat partijen in het kader van de onderhandelingen teneinde te dezen overeenstemming te bereiken gerechtigd zijn om over en weer voorstellen te doen ter zake de uit te betalen beëindigingsvergoeding. [Verweerster] heeft in dat verband en ervan uitgaande dat partijen op dat moment nog geen overeenstemming hadden bereikt, het door ITP gedane voorstel afgewezen en een eigen tegenvoorstel gedaan. Dat [verweerster] daarmee geweigerd heeft om tot een regeling te komen, is gelet op het voorgaande niet gebleken. Bij dit alles komt dat [verweerster] geenszins verplicht is een beëindigingsovereenkomst te sluiten met ITP.

4.15

De slotsom luidt dat het Gerecht geen gewichtige reden ziet voor voorwaardelijke ontbinding van de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst. Het verzoek daartoe van ITP zal daarom worden afgewezen. Er zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die een andersluidend oordeel kunnen dragen. Dat ITP inmiddels iemand anders in dienst heeft genomen om de taken van [verweerster] te verrichten en dat zij om die reden niet terug op het werk kan keren is naar het oordeel van het Gerecht een omstandigheid die voor rekening en risico van ITP dient te komen en die daarom geen ontbinding van de arbeidsovereenkomst kan rechtvaardigen.

4.16

ITP zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de proceskosten van [verweerster], tot aan deze uitspraak begroot op Afl. 2.500,-- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten, tarief 5).

4.17

Gelet op het overgelegde bewijs van onvermogen zal aan [verweerster] toestemming worden verleend om kosteloos te procederen.

5 DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

-wijst af het door ITP verzochte;

-veroordeelt ITP in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak begroot op

Afl. 2.500,-- aan salaris voor de gemachtigde;

-verleent [verweerster] toestemming om kosteloos te procederen.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.H.M. van de Leur, rechter, en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 22 december 2020.